KroniekVanBenthem

© T.B.M. van Benthem; digitale bewerking 31-10-2016 Marcel van Dinteren/Stichting Noviomagus.nl

Kroniek van ene familie Van Benthem

pioniers in de Nijmeegse industrie


Slot Bentheim, Bad Bentheim (Uitsnede uit 'Gezicht op kasteel Bentheim', Jacob van Ruisdael, 1653)


Woord vooraf - Hoe het begon rond 1850 - Naar Nijmegen - De nieuwe eeuw - Intrede elektriciteit -
Leerproces - Kooldraad - Gespoten draad - Serena - Relatie met Hunink - Getrokken draad - V.D.F. - Octrooi problemen - Van Serena tot Ford - V.D.F. (vervolg) - Slotwoord - Afsluiting - Noten


Woord vooraf

Toen op een verjaardagsborrel bij mijn oudste zuster het verleden van onze familie weer eens ter sprake kwam heb ik besloten om het verhaal, voor zover ik dat kon achterhalen, beginnend bij mijn overgrootouders op te schrijven.

Ik wist wel waar ik aan begon, maar niet hoe het zou eindigen. Ik pretendeer niet dat wat ik heb geschreven precies klopt met het verleden. En natuurlijk zijn sommige onderdelen ietwat geromantiseerd. Wel heb ik getracht de sfeer van vroeger weer te geven.
En wat betreft het zakelijk gedeelte, daar zijn heel veel feiten niet te achterhalen omdat de gegevens niet zijn vastgelegd en de betrokkenen, op een enkeling na, niet meer in leven zijn.

De uitspraak, waarmee Nicholas Evans zijn derde boek 'De Rookspringers' begint: "De belangrijkste dingen in het leven gebeuren altijd per ongeluk", is zeker van toepassing op de gebeurtenissen in het leven van Theo van Benthem. Als alle besluiten die hij in zijn leven heeft genomen pas waren genomen na gedegen vooronderzoek, zouden in zijn leven niet zulke interessante gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en zou in elk geval het hier volgende geschrevene veel minder lezenswaardig zijn geworden.

Hartelijk dank aan allen die een steentje hebben bijgedragen.


Eindhoven, oktober 2016
T.B.M. van Benthem

Hoe het begon rond 1850

De deur van de dorpsherberg 't Turfke in Deurne ging met een zwaai open. Franske kwam voorzichtig naar buiten. Zijn wankele gang verried dat hij wat diep in het glaasje had gekeken. Maar het was niet de eerste keer en hij wist de weg naar huis wel moeiteloos te vinden. Franske was altijd bereid om in het gemeentehuis als getuige te fungeren bij het ondertekenen van aktes. Zijn beloning was een stevig glas brandwijn in de plaatselijke herberg. De dorpelingen kenden het beeld en keken niet op of om.

Het was een warme zomer geweest, met van tijd tot tijd een regenbui, kortom groeizaam weer. De Peel zag er prachtig uit en dat beloofde een flinke zooi turf. Turf was voor de bevolking van de Peel de belangrijkste bron van inkomen. In feite was het de garantie voor niet meer dan een karig bestaan, maar toch.
Voor het binnenhalen van de turf waren altijd handen te kort. Ook dit jaar meldden zich weer vele werklieden om te helpen bij het steken, het sjouwen en het optassen op de legakkers. Zwaar werk, en daardoor geknipt voor jonge, sterke kerels die in het najaar wat bij wilden verdienen.
Ook in 1881 was het beeld niet anders dan in voorgaande jaren. Aan het eind van de zomer kwamen vele jongemannen naar de Peel en werden ingekwartierd bij boerenfamilies in de dorpen. Ze werkten hard, er was weinig of geen vertier. In december, als de klus was geklaard, ging eenieder naar zijn eigen woonplaats terug.

Manus van Benthem was een van hen. Hij had een kamer gehuurd bij de familie Pastoors, die een boerderij bewoonde aan de rand van Deurne. Manus was een rustige man van weinig woorden, betrouwbaar en werklustig. Hij was er voor het eerst, maar mocht zeker het volgend seizoen terugkomen. En dat was hij ook van plan.
Het werk zat er bijna op. Manus was al bezig met het inpakken van zijn plunje ook al wist hij niet waar hij naar toe zou gaan. Hij was niet getrouwd, opgegroeid in de Ooipolder in Herwen en Aerdt waar de familie al vele generaties had gewoond. Zijn vader en moeder waren enige jaren geleden gestorven en met zijn stiefmoeder, die in het ouderlijk huis in Lobith was blijven wonen, kon hij het niet zo goed vinden.

Op de avond van 25 november 1881 komt Manus niet opdagen voor het avondeten. Dat is hoogst ongebruikelijk. Het wordt erg laat, de onrust slaat toe. Boer Pastoors gaat naar buiten en waarschuwt veldwachter Frans Althuizen. Gezamenlijk gaan ze op onderzoek uit. Na lang zoeken vinden ze Manus in de berm van de weg ietsje buiten de kom van het dorp. Hermanus Theodorus van Benthem is dood, de oorzaak is onbekend; er zijn geen tekenen die wijzen op een ongeval of een misdaad. Zijn plotselinge dood blijft een raadsel.
Veldwachter Althuizen meldt het overlijden van Manus bij het bevolkingsregister [1], treedt op als getuige bij het opstellen van de akte en regelt op kosten van de gemeente een eenvoudige begrafenis in het dorp.
Zoals gebruikelijk wordt de veldwachter voor zijn diensten beloond in de vorm van enkele brandewijntjes met suiker in de gastvrije dorpsherberg 't Turfke, waarna hij enigszins onzeker ter been naar huis kuiert. De dorpelingen lachen geamuseerd, want zij kennen Franske en weten hoe dat gaat.

Of de stiefmoeder van Manus tijdig kon worden ingelicht en bij de begrafenis aanwezig was vertelt het verhaal niet, maar het overlijdensbericht zal haar zeker wel op enig moment in Lobith hebben bereikt.
De moeder van Manus, Joanna Catharina Pastoors [2], overleed in 1858. Vader Bart(holomeus) van Benthem, van beroep mandenmaker, hertrouwde 6 maanden later met Geertruida Lenting. Geertruida was nog al een eigenzinnige vrouw en kon het niet zo goed vinden met de 4 kinderen uit het eerste huwelijk. Het echte geluk heeft zij helaas niet gekend en haar enige dochter uit dit tweede huwelijk stierf reeds op 6-jarige leeftijd.

Toen Manus overleed waren van het gezin alleen nog zijn zus Theodora en zijn broer Lambertus in leven. Lambertus huwde kort voor het overlijden van Manus met Bernardina van Sonderen en het echtpaar verhuisde naar Nijmegen. Al spoedig daarna besloot Theodora zich ook in Nijmegen te vestigen. Zij bleef ongehuwd en overleed daar op 18 augustus 1884.

Naar Nijmegen

Lambertus dacht goed de kost te kunnen verdienen als metselaar bij de bouwplaatsen in de snel groeiende stad. Hij zag daar meer toekomst voor hem en zijn toekomstig gezin dan in het eenvoudige bestaan in Lobith.
Zo betrokken Bert en Dina een huis in de Ridderstraat in Nijmegen en begonnen een nieuw leven. Bert ging in de leer en ontwikkelde zich tot een kundig metselaar. De inkomsten waren beter dan hij ooit had beleefd. Dina verdiende aanvankelijk wat bij als kinderjuf bij een sjieke familie. Ze voelde zich al snel op haar gemak in de ietwat voorname sfeer, ook al stak die schril af bij de eenvoud zoals ze dat was gewend in huize Van Benthem in Lobith. Dina had ambities en ze nam zich voor om samen met haar man zich in te spannen om in Nijmegen iets te gaan betekenen.

Al spoedig werd Dina zwanger en na enkele maanden ging zij zich voorbereiden op de komst van haar eerste kind. Op de ijskoude dag van 29 januari 1883 werd "ten vijf uur des namiddags een zoon geboren". Alles ging voorspoedig en de volgende dag melde Bert oud dertig jaar, van beroep metselaar, zich bij "de ambtenaar van de Burgerlijken Stand der gemeente Nijmegen" om aangifte te doen van de geboorte van Bartolomeus Arnoldus Everhardus. De akte [3] werd getekend in tegenwoordigheid van Nicolaas van Eck, aannemer, oud 26 jaren, en Hendrik Herman de Haan [4], stukadoor, oud 28 jaren, beiden wonende te Nijmegen.


Aangifte geboorte van Theo.

Bart was een gezonde jongen en groeide als kool. Hij werd een stevig kereltje, echt om trots op te zijn. Dina werd al snel weer zwanger. Ze was gezond en sterk en kon alles goed aan. Hoewel de zwangerschap deze keer anders aanvoelde dan bij Bart, maakte ze zich geen zorgen. 1884 had een hete zomer. Dina liep op haar laatste benen en had moeite met het warme weer. Ze was dan ook blij toen haar tweede kind zich aankondigde. Ook nu verliep de geboorte snel en voorspoedig. Net na middernacht op twaalf juli kwam een dochtertje ter wereld. Het kindje was aan de lichte kant maar leek goed gezond te zijn.
Diezelfde dag deed Bert aangifte bij "de Burgerlijken Stand der Gemeente Nijmegen van de geboorte van een dochter met de voornamen Arnolda Maria". Ook dit maal gaf Bert als beroep metselaar op en werd de verklaring gedaan in tegenwoordigheid van dezelfde Nicolaas van Eck, aannemer, en Hendrik Herman de Haan, stukadoor, beide wonende te Nijmegen.

Bert had blijkbaar een goede relatie met deze twee mannen en het zou kunnen dat zowel Hendrik de Haan als Bert bij Nicolaas van Eck in dienst waren. In elk geval konden zij het zowel op zakelijk als persoonlijk vlak goed met elkaar vinden.

De hierop volgende jaren waren niet gemakkelijk voor Bert en Dina. Het dochtertje Arnolda bleek toch geen goede gezondheid te hebben. Ze was vaak ziek en voor ze weer wat was aangesterkt had ze alweer een volgende ziekte onder de leden. Toen ook haar eetlust wegbleef ging het alsmaar achteruit met het kleine meisje. Ze overleed op 2 maart 1886, slechts anderhalf jaar oud en haar bedroefde ouders namen van haar afscheid met een engelenmis. Voor Bert en Dina waren dit geen makkelijke tijden, ook al was men in die jaren gewend aan een hoge kindersterfte.

Het leven ging verder.
Bert was niet van plan zijn hele leven als metselaar te werken en besloot om zelfstandig te worden. Hij vestigde zich in Nijmegen als aannemer en dat vergde vooral in het begin veel inspanning. Zo waren beide echtgenoten intensief bezig met de nieuwe uitdaging; alle beschikbare tijd werd gestoken in het jonge bedrijf. Het is niet bekend of Bert het aannemersbedrijf van Nicolaas van Eck heeft overgenomen, maar geheel onwaarschijnlijk is dat niet.

Veel bezigheden dus en weinig tijd om te treuren. Dat laatste was ook niet aan de orde. Want medio 1886 bleek Dina opnieuw zwanger te zijn. Het werd een spannende tijd, na alles wat er gebeurd was in de afgelopen 12 maanden. Maar ze voelde zich goed en ging de toekomst hoopvol tegemoet.
Het liep tegen Kerstmis en het was rustig in de bouw, Bart was een kwiek ventje en liep al vrolijk babbelend door het huis. Dina maakte alles in gereedheid voor het komende Kerstfeest en niet te vergeten voor de blijde gebeurtenis die duidelijk niet lang meer op zich zou laten wachten.
Op 25 december 1886 was het zover. In de namiddag tegen 5 uur kwam er een gezonde jongen ter wereld: Theodorus Lambertus Willem waren de namen die hij kreeg. Moeder en zoon maakten het goed en het werd ditmaal een heel bijzonder Kerstfeest met een levend kerstkindje in de wieg. Theo liet zich onmiddellijk goed horen en gaf duidelijk aan dat hij er bij hoorde.

Omdat de burgerlijke stand niet eerder dan op 27 december de poorten opende, werd op die dag de geboorte van Theo aangemeld door Bert, van beroep "aannemer" in tegenwoordigheid van alweer Hendrik Herman de Haan, stukadoor en van Hendrikus Martinus Hendriks, timmerman, beiden wonende te Nijmegen.

Bart en Theo konden het samen goed vinden. Toch waren hun interesses verschillend. Bart was nogal filosofisch ingesteld, terwijl Theo graag met zijn handen werkte en eindeloos veel knutselde. Ze konden allebei goed leren en haalden goede resultaten op school. Al vroeg toonde Bart belangstelling voor godsdienst. En zoals dat toen gebruikelijk was, werd er meteen gesproken over een roeping, zeker als het de oudste zoon betrof. Een gesprekje met de pastoor en de aanmelding voor het klein seminarie was al spoedig een feit.
Theo bleef alleen thuis, hoorde veel over de aannemerij maar had daarvoor slechts matige belangstelling. Vader Bert had wel alle hoop gezet op een carrière van Theo in het aannemersvak, ook al had hij daar wel enige twijfels bij.
Bart ging vlot verder met zijn priesteropleiding. Hij was de trots van het gezin en als hij thuis kwam werd hij met zeer veel égards ontvangen. Het beste was maar net goed genoeg voor de priester in spe. Zo kreeg hij bij zijn ouders het avondeten opgediend aan een aparte tafel in de salon.
Theo ging vlot door de klassen van de lagere school en vervolgens naar het Pensionaat St.Louis te Roermond. Hij haalde daar mooie cijfers voor de verschillende vakken, behalve orde waarvoor hij het laagst scoorde. Aansluitend ging hij naar de Handelsschool te Nijmegen.

Al die jaren was het rustig in het gezin. Er werd hard gewerkt, Bert maakte vele uren, van vakantie was geen sprake, hooguit een uitstapje naar Kleef of een bezoekje aan Lobith. Het bedrijf groeide naar wens. Dina hield een oogje in het zeil en zorgde voor koffie en brood voor de mensen op kantoor.

De nieuwe eeuw

Het was 1900. De eeuwwisseling was een grote gebeurtenis. Feest, vuurwerk, blijdschap, de intrede van een nieuw eeuw. Wat zou de nieuwe eeuw brengen?
Al heel spoedig en nogal onverwacht werd Dina weer zwanger. Veertien jaar na de geboorte van Theo weer in verwachting, dat gaf wel enige beroering in het gezin. Maar ook blijdschap en een dankbaar gevoel. Op 19 0ktober 1900 werd tot grote vreugde van ouders en broertjes een zoon geboren, genaamd Johannes Petrus Maria. Een knap kind, dat ook altijd een markante kop zou hebben.
Jan groeide op in de schaduw van zijn twee oudere broers. Hij wist dat hij het niet makkelijk zou hebben vanwege het leeftijdsverschil en hij hield zich daarom gedeisd.
Bart studeerde inmiddels in Zwolle en ging enkele jaren later naar Rijsenburg waar hij op zondag 1 december 1907 tot priester werd gewijd. De daaropvolgende zondag las hij zijn eerste H.Mis in de St. Dominicuskerk te Nijmegen. Voor zijn ouders en zijn broers waren dit zeer bijzondere momenten en hoogtijdagen, want niemand kon zich herinneren ooit een priester in de Van Benthem-familie te hebben gehad.
Jan ging als 12-jarige naar het klein-seminarie te Huissen. Hij volgde daar het gymnasium en droeg al snel de witte pij. Theo zag dat Jan niet in de wieg was gelegd voor het kloosterleven, maar hield zijn mening voorlopig nog voor zich.

Bart deed het heel goed bij de Orde van de Dominicanen. Hij studeerde verder in Fribourg (Ch) en bekwaamde zich op het gebied van de wijsbegeerte tot een bekendheid. Hij promoveerde summa cum laude tot Doctor in de Wijsbegeerte en publiceerde veel artikelen en geschriften. [5] Niet lang daarna werd Bart tot hoogleraar benoemd. Bart zelf was daar zelf heel kalm onder, maar voor zijn ouders was deze benoeming een grote eer.

Toen Theo voor het eindexamen van de Handelsschool slaagde, ging hij aan de slag in de aannemerij van vader Bert. Het werk beviel hem maar matig en wellicht boterde het ook niet al te goed tussen die twee. Bert zou het leuk vinden als een zoon zijn bedrijf overnam en stimuleerde Theo aan alle kanten.

Het leek hem goed als zijn zoon eens onder vreemde ogen ging werken en hij organiseerde een baan bij een collega in Eindhoven. De aannemerij en het architectenwerk waren in die tijd voor kleine en middelgrote opdrachten vaak in dezelfde hand. Een gecombineerde opdracht voor Theo in Eindhoven was daardoor extra boeiend, zo dacht Bert. Het betrof de bouw van een Heerenhuis, woonhuis en winkelverbouwing voor rekening van de Weled. Heer H. van de Loo aan de Emmasingel te Eindhoven, aanbesteed op 14 augustus 1908. Theo werd aangesteld als opzichter ingaande 12 september 1908. [6] Het werk werd conform de opdracht, op tijd en naar tevredenheid van de opdrachgever opgeleverd. De Heer van de Loo was zelfs zo tevreden over de uitvoering ven het projekt dat hij Theo een kostbaar boek over architectuur schonk.

Terug in Nijmegen bleef het beeld van industriële aanpak Theo vervolgen. Voor de productie van bouwelementen had Bert een werkplaats ingericht. Theo vond dat daar te veel handwerk werd verricht en installeerde een centrale gasmotor met aandrijfassen, poulies en lederen riemen, waarmee de machines in de werkplaats werden aangedreven. Het was wel het begin van mechanisering, maar echt veel voldoening gaf deze timmerfabriek Theo niet. Helaas voor Bert.
Theo vond de bouw wel interessant, maar zag zijn toekomst elders.

Tijdens zijn verblijf in Eindhoven had hij gezien dat de "N.V. Philips' Metaalgloeilampenfabriek" (de nieuwe naam van het bedrijf) een fabriek bouwde met een capaciteit van maar liefst 10.000 lampen per dag. Dat maakte veel indruk en inspireerde Theo. Hij zag toekomst in de industrie en dacht dat kan ik ook en minstens net zo goed. Hij kon het beeld van fabrikant te zijn niet uit zijn hoofd zetten en besloot zijn plannen uit te werken en met zijn vader te bespreken.
Bert was teleurgesteld toen Theo te kennen gaf niet in de aannemerij te willen blijven. Maar in feite was ook Bert een ondernemer en hij wilde het enthousiasme van zijn zoon niet torpederen. Als iemand zo graag iets wil, dan moet hij dat maar proberen en zich er geheel voor inzetten.

De intrede van de elektriciteit

In die tijd werd voor verlichting in de huizen, maar ook voor de straatverlichting, gas gebruikt. Dat was omslachtig, primitief, het maakte een suizend geluid, de kousjes waren erg kwetsbaar, en het geheel was niet zonder gevaar.
Rond 1880 deed de opwekking van elektriciteit (en dit voornamelijk voor elektrische verlichting) zijn intrede. De ontwikkeling kwam in een stroomversnelling toen in 1881 in Parijs aan de Champs-Elysées de 'Internationale Tentoon-stelling Voor Electriciteit' werd gehouden. De gloeilamp, uitvinding van Edison, stond in het centrum van de belangstelling. De grote zaal van het Palais de l'Industrie werd prachtig verlicht door maar liefst 2000 gloeilampen. Een booglamp, opgesteld boven op het dak van het Palais, verlichtte de Place de la Concorde. Het publiek verdrong zich om dit ongekende fenomeen te bewonderen.
In 1884 werden het restaurant en de wintertuin van Krasnapolsky in Amsterdam voorzien van een sfeervolle verlichting met 500 Edison gloeilampen en de Amsterdammers liepen uit om dit wonder te aanschouwen.
De productie van gloeilampen ontwikkelde zich stormenderhand.
General Electric beschikte over de patenten van de Edison lamp. G.E. zat als een bok op de haverkist en beschermde zijn positie met harde hand en verhinderde daarmee in feite een snelle verbreiding van het nieuwe medium in Amerika.
In Europa trachtte iedere fabriek een eigen product te ontwikkelen met gebruikmaking van diverse technieken en soorten lampen.
In 1890 telde Europa al een dertig-tal fabrikanten, onder wie Roothaan & Alewijnse in een pand aan de Berg en Dalscheweg te Nijmegen. Dit bedrijf was een voortzetting van de eerder opgeheven Electriciteitsmaatschappij Phaëton, eveneens te Nijmegen.

Hoe meer huizen er werden gebouwd hoe groter de markt voor lampen zou worden. Electrische verlichting was de toekomst, daarover was bij Theo geen twijfel mogelijk. Hij zag zich zelf best in staat om aansluiting te vinden bij deze snelle ontwikkelingen. Zijn besluit stond vast.

Leerproces

Theo kreeg een "lumineus" idee. Samen met zijn vriend Henri (Han) de Haan [7] werden plannen gesmeed die moesten leiden tot de oprichting van een lampenfabriek. Maar eerst moest de techniek worden aangeleerd en was praktijkervaring een vereiste.


Dagboek van Theo.

In Duitsland ging van oudsher het leren van een vak via het Meister-systeem. De leerling begon onderaan op de werkvloer en moest zich bekwamen voor het eerstvolgend hoger niveau, net zolang tot de meestertitel werd verkregen. In fabrieken en werkplaatsen was men in Duitsland gewend om jonge mensen aan te nemen, die een vak wilde leren. Bij dit leerproces hoorde ook het enige malen wisselen van werkgever.
Op 1 februari 1910 kregen Theo en Han ieder wat zakgeld van hun ouders en zij reisden af naar Keulen. Na aankomst aldaar meldden zij zich bij de Phoebus fabriek. Helaas, Phoebus had geen plaats voor ongeschoolde lieden en de portier adviseerde hen te gaan naar de Regina Werke in dezelfde stad.
Ook de portier van Regina Elektricitäts-Werke G.m.b.H wimpelde de jongelui meteen af. Echter zij waren dit maal niet zo snel uit het veld te slaan en besloten diezelfde avond aan te bellen bij het huis van de Herr Direktor aan de Lindenstrasze. De man was gevoelig voor het doorzettingsvermogen van de jongelui en zei hun de volgende dag naar de fabriek te komen voor een gesprek.
Regina was geen grote fabriek. De dagproductie was 2000 stuks metaaldraadlampen, voor die tijd wel een respectabel aantal. Theo en Han gingen aan de slag. Theo keek goed om zich heen en absorbeerde alles wat hem van belang leek bij het productie-proces van gloeilampen, zoals glas, pompstengels, montage van gloeidraad, en vacuümpompen. Waarschijnlijk heeft Theo alle stadia van de productie doorgemaakt. Zijn dagboek geeft zeer gedetailleerde informatie over de productielijn van Regina. [8]
Toen hij tot de conclusie kwam dat hij alles had geleerd wat er te leren viel melde hij zijn superieuren dat hij vertrekken wilde. Het was inmiddels 18 maart 1911 toen de beide jongelui weggingen met een prima getuigschrift in de hand. In zijn dagboek schrijft Theo niets over de verrichtingen van Han.

Het leerproces was niet voltooid. Na in Keulen de stage te hebben beëindigd verlegden Theo en Han hun werkterrein naar Berlijn en huurden een kamer bij de familie Klein. De tijden waren moeilijker geworden door de groeiende werkeloosheid, de slechter wordende economische toestand en ook door de invloed van het beginnende zomerseizoen. Het kostte hen veel inspanning om in een lampenfabriek aan de slag te komen, maar uiteindelijk lukte het bij Hugo Schneider A.G. Van 17 augustus 1911 tot 16 december daarop volgend werd Theo ingezet als "Vicemeister in der Pumpstation".

Vermoedelijk wist Theo niet dat het Schneider-bedrijf in 1903 grote bekendheid had verworven met een octrooi-conflict betreffende een procédé voor het opdampen van wolfram op kooldraad waarop de twee in die tijd zeer bekende chemici Just en Hanaman aanspraak maakten. Zeker is dat Schneider een vooraanstaande positie innam op het gebied van gloeidraad ontwikkeling. Voorts is vermeldenswaard dat Just en Hanaman hun diensten hebben aangeboden bij Siemens & Halske. De onderhandelingen duurden echter veel te lang en de beide heren besloten niet te blijven wachten. Zij vertrokken naar Oostenrijk, begonnen voor zich zelf en werden uiteindelijk de grondleggers voor de gloeilampen-industrie in Hongarije.

Theo verliet het bedrijf met een goed getuigschrift en keerde met Han net voor Kerstmis 1911 terug naar Nijmegen. Wel was er enige teleurstelling omdat de sollicitaties bij de Compagnie Générale des Lampes en bij La Lampe Osram beide te Parijs niets hadden opgeleverd. En daar hadden zij juist zo graag hun kennis op het gebied van glasblazen willen bijspijkeren.

Het verblijf in Duitsland was uiterst leerzaam geweest. Uit de geschriften [9] van Theo blijkt dat hij een duidelijk beeld had hoe de machines en vooral de vacuümpompen moesten worden geconstrueerd en opgesteld en op welke wijze deze bediend moesten worden om een zo goed mogelijk resultaat te verkrijgen. Ook had Theo nauwkeurig de receptuur genoteerd voor het bereiden van de pasta op basis van Wolfram, die dient als grondstof voor het spuiten van de gloeidraad, en de verdere bewerking daarvan. Naar eigen inzicht had hij hierin een groot aantal verbeteringen aangebracht.

Kooldraad

In het begin van de 20e eeuw groeide de productie van elektriciteit en ook van gloeilampen snel, en niet alleen in Nederland. De grote fabrikanten in Europa waren Siemens & Halske, AEG, Compagnie Générale en later ook Tungsram in Hongarije. In Nederland waren de bekendsten Splendor in Nijmegen, Philips in Eindhoven, Pope in Venlo. En temidden van dit geweld moest Serena zijn plaats vinden.
Rusland was de grootste groeimarkt. Daar sloeg men de gas-fase over en ging van olielampen in een stap over op elektrische verlichting. Maar ook West-Europa was belangrijk, alhoewel zeer versnipperd omdat de productie en levering van elektriciteit stadsgewijs werd verzorgd en de voltages varieerden van 75 tot 220 volt.

De omzet van de europese lampenfabrieken was niet gering. Philips met een marktaandeel van ruim 10% had in 1910 een jaarproductie van ruim 3 miljoen lampen met 500 werknemers.

De opbouw van elektriciteitsnetwerken vorderde snel en ook woonhuizen werden in rap tempo op het elektriciteitsnet aangesloten. Om een prijzenslag te voorkomen hadden de 12 grootste producenten in Europa afspraken gemaakt over zowel prijzen als marktaandelen, het zogenaamde VVG-kartel. De verkoop van lampen namens de 12 aangesloten producenten was eveneens onder beheer van dit kartel. Daartoe was een verkoopmaatschappij opgericht, de VVG GmbH, met als bedrijfsleider, u leest het goed, Wilhelm Bentheim. Het gaat hier over de periode 1903 tot 1913; de jaarlijkse verkopen varieerden van 11 tot 30 miljoen kooldraadlampen!

De hiergenoemde afspraken golden zoals gezegd uitsluitend voor kooldraadlampen. Of de ondertekenaars in 1902 op het moment van aangaan van deze afspraak deze beperking willens en wetens hebben ingebouwd zal men nooit te weten komen. Maar de looptijd van de afspraak was in elk geval aanmerkelijk korter dan men toen had verwacht.

Gespoten draad

Niet alleen de uitval tijdens de productie maar vooral de levensduur van de lamp was in hoge mate afhankelijk van de kwaliteit van het filament. Bij kooldraad was het moeilijk om zwakke plekken in de draad te voorkomen. Juist deze zwakke plekken begaven het het eerst en waren daarmee bepalend voor het aantal branduren van de lamp. Enige verbetering werd wel bereikt met het opdampen van wolfram op de kooldraad, maar echt bevredigend was deze oplossing niet.
Door de industrie werd ijverig gezocht naar methoden en middelen om tot een meer homogene en betrouwbare gloeidraad te komen. Dit gelukte toen de metaaldraad werd uitgevonden.
Een wolframverbinding werd met sterk zwavelzuur omgezet in wolframzuur. Dit zuur werd vervolgens gereduceerd tot wolframpoeder, gemengd en gebonden met stoffen die als drager dienden. Het mengsel werd in een metalen buis geperst. De buis werd verhit tot circa 1200 ░C, eerst met gasvlammen en later (ge´soleerd met asbest) door er een elektrische stroom van hoog amperage door te sturen. Dit alles in een omgeving van zuivere waterstof. Er hoefde in dit systeem maar een klein lek te zijn waardoor zuurstof toe kon treden of er ontstond een enorme knal. Of zich dat ooit in Nijmegen heeft voorgedaan is niet bekend.
Wel is het zeker dat bij Philips in Maarheeze tot twee maal toe een zware ontploffing heeft plaats gehad, waarbij zelfs een deel van het dak van de fabriek werd weggeslagen.

Het aldus gesinterde product werd vervolgens verhit en gespoten tot een draad, die verder bewerkt kon worden tot gloeidraad. Het metale filament verdroeg een veel hogere temperatuur en had mede daardoor een 3-maal hogere lichtopbrengst.
Hulzen en ballons werden bij gespecialiseerde bedrijven ingekocht, maar het filament werd door de lampenfabrieken in eigen beheer gemaakt. Daarin zat nu juist het vakmanschap. Zo waren de verschillende lampenfabrieken druk doende om kennis te verwerven op het gebied van de fabricage van de metalen gloeidraad en er werden ook licenties genomen, zoals door Siemens van General Electric.
Met de intrede van de metaaldraadlamp werden de eerder genoemde kartelafspraken voor kooldraadlampen in een klap achterhaald, en begon de strijd voor het bestaan opnieuw.
En wederom werd een kartel gevormd en ditmaal werd tot voorzitter gekozen de president-directeur van Tungsram uit Boedapest.

Serena

Dit was het beeld op het moment waarop de gloeilampenfabriek Serena zich op de markt begaf. De vraag of Theo en Han zich geheel bewust waren van de situatie op het gebied van de techniek, de positie van de groten in de wereldmarkt en de prijsvorming binnen de kartels zal nooit beantwoord worden. Vermoedelijk niet, anders hadden zij zich wellicht niet in dit avontuur gestort. In elk geval had Serena weinig last van het VVG-kartel, dat zich beperkte tot kooldraadlampen.

Eindelijk was het dan zo ver. Begonnen werd met het maken van filamenten. Dat was geen eenvoudige opgave voor lieden die geen kennis hadden van chemische noch van metallurgische technologie. Voorbewerking, verhitten van de pasta tot de juiste temperatuur, spuiten en nabewerking vereisten een hoge mate van precisie om betrouwbare filamenten te verkrijgen. En juist het filament was het onderdeel van de gloeilamp dat zo belangrijk was voor de kwaliteit van het eindproduct.

Vele lampenfabrieken waren in die periode ijverig bezig om de overstap te maken van kooldraad naar gespoten metaaldraad en verschillende technieken en methodes werden daartoe uitgeprobeerd. Dat het Han en Theo lukte om met hun kennis en middelen de productie van metalen filamenten van de grond te krijgen is meer dan bewonderingswaardig.
Toen de filamenten beschikbaar kwamen konden ook de volgende stappen genomen worden en al spoedig was de eerste serie lampen gereed voor testen op de proefbank. Dat moet een heerlijk moment zijn geweest voor de jonge ondernemers.
Toen de productie begon te lopen werd het tijd om de verkoop op gang te brengen. Potentiële klanten in Nederland, Frankrijk, Engeland en ook in Rusland werden benaderd door Theo. Hij wist ze te overtuigen van de kwaliteit van de Serena-metaaldraadlamp.

Met recht mag gesteld worden dat Serena een innovatief bedrijf was. Serena zal eind 1912 met haar metaaldraadlampen op de markt gekomen zijn, terwijl bijvoorbeeld Philips in 1914 nog 1,4 miljoen kooldraadlampen produceerde.

Relatie met Hunink

De zaken kwamen goed van de grond en ontwikkelden zich voorspoedig, zo goed zelfs dat Theo tijd kreeg om te gaan denken aan een huwelijk.
Han bezocht nogal eens de familie Hunink in Deventer. Hij kon het heel goed vinden met oudste dochter Bets en al spoedig kwam het tot een verloving. Theo ging wel eens met hem mee en liet zijn oog vallen op de beeldschone tweede dochter uit het gezin.
Anton Hunink had een prachtig vleesconservenbedrijf opgebouwd, uitgaande van de slagerij die hij van zijn vader had geërfd. Fijne vleeswaren en de worst met het loodje waren Hunink's sterke producten met grote bekendheid in Nederland waar ook Zwanenberg, Stegeman en Linthorst een goede naam hadden. Ook de contracten voor de levering van bacon met Engelse afnemers waren niet te versmaden. De fabriek was aan de rand van Deventer gebouwd met daarvoor een prachtig gelegen monumentale villa genaamd De Heuvel. Twee levensgrote leeuwen sierden de entree.
Han trad in het huwelijk met Elisabeth (Bets) Hunink en ging wonen aan de Oranjesingel in Nijmegen. Het echtpaar kreeg geen kinderen; zij hadden daarom extra veel aandacht voor hun beide petekinderen (Liesbeth, dochter van Gerrit Hunink uit Wijhe en Elly, de derde dochter van Theo).

De relatie tussen Theo en Annie werd serieus en op 22 mei 1917 werd het huwelijk in Deventer voltrokken. Het jonge echtpaar betrok een woning aan de Gerard Noodtstraat 1, voor die tijd een ruim en goed ingericht huis. Anton Hunink liet zich niet onbetuigd bij het huwelijk van zijn dochters en zorgde ervoor dat de salon mooi was gemeubileerd en er stond een vleugel in de erker (waar niemand op kon spelen ?).
Binnen de familie Hunink bestond een hechte band. Met Pasen en met Kerstmis waren alle kinderen en aangetrouwden present op de Heuvel en werd daar gezamenlijk koffie gedronken en van een goed glas wijn genoten. Al was hij dan zelf jarig op 1ste Kerstdag, Theo was steeds present.

Het was een tijd van hard werken voor Theo met zijn lampenfabriek en voor Annie die al snel zwanger werd. Op 2 april 1918 werd haar eerste dochter geboren. Zwangerschappen en geboortes volgden met grote regelmaat. Acht kinderen zagen het leven.

Getrokken draad

De lampenfabriek bleef veel aandacht vragen. Vooral de techniek ontwikkelde zich in snel tempo. De bouw van de lamp onderging een totale wijziging. De pompstengel werd gemonteerd aan de onderzijde. Daarmee verviel het kwetsbare smeltpunt aan de bovenzijde van de ballon. Het assortiment werd uitgebreid en de capaciteit die voorheen in "kaars" werd uitgedrukt werd voortaan in Watt opgegeven.

In de wereld werd alom naarstig gezocht naar verbetering van de kwaliteit van de gloeidraad. Wolfram was het basismateriaal bij uitstek, daarover bestond geen twijfel. Er werd veel gesproken over de specialisten in Amerika die heel ver waren met een nieuw procédé waarbij de draad niet meer werd gespoten maar getrokken. Uitgegaan werd van een gesinterd mengsel in de vorm van een broodje. In een hamermachine werd het broodje tot een millimeter dikke ductiele draad geklopt om vervolgens met behulp van een trekbank op een kleinere diameter te worden gebracht. Deze laatste bewerking werd zo vaak herhaald tot een dunne draad was verkregen.

In 1911, toen Anton Philips een bezoek bracht aan Amerika met de bedoeling om machines voor het trekken van draad te kopen, ontmoette hij bij toeval een man, die beweerde hem de gewenste machines te kunnen leveren. Bij aankomst in Eindhoven bleken de machines alleen geschikt te zijn voor het trekken van dun koperdraad. Toch was dit voor Philips de basis voor de ontwikkeling van trekbanken voor Wolframdraad.

Maar ook elders in Europa werden inspanningen verricht die gericht waren op verbetering van de kwaliteit van de gespoten gloeidraad. De in 1909 in Berlijn opgerichte Deutsche Glühfadenfabrik maakte molybdeendraad o.a. voor de gloeilampen-industrie.
In het gedenkboek "40 jahre Metallwerk Plansee 1921-1961" staat vermeld dat het Dr. Schwarzkopf, Tsjech van geboorte, in 1912 gelukte gehamerde wolfram staven te maken, die vervolgens door middel van trekmachines tot dunne, buigzame, ductiele draad verwerkt konden worden. Schwarzkopf, die een uitgesproken voorkeur voor wolframdraad had, was zeer trots op dit resultaat. Er was echter een probleem. Vanwege patenten kon hij in Berlijn die draad niet produceren, maar daar wel de half-fabrikaten maken. Schwarzkopf heeft veel betekend voor het bedrijf en werd later (1918) in de directie opgenomen.

V.D.F.

Het was in deze periode dat Paul Schwarzkopf, later Prof.Dr. Paul Schwarzkopf, een bezoek bracht aan de N.V. Serena Metaalgloeilampenfabriek. Hij was daarbij vergezeld van zijn collega Richard Kurz. Tijdens een gesprek met de directie opperde Schwarzkopf het idee om in Nederland een wolframdraadfabriek te beginnen. De fabricage van wolframdraad zou zeer winstgevend kunnen zijn en de patenten op dit fabricageproces waren door Philips, die op grote schaal draad produceerde, niet in Nederland aangemeld. Dat kon ook niet omdat de octrooiwetgeving pas in 1912 in Nederland van kracht werd.
Tegen deze achtergrond werd met Schwarzkopf en Kurz van gedachten gewisseld. De directie van Serena toonde meteen belangstelling voor de voorstellen van Schwarzkopf en al snel werd gedacht aan de oprichting van een draadfabriek in Nijmegen. Op de vraag wie de leiding op zich kon nemen wees Schwarzkopf naar Jan, die ook bij de gesprekken aanwezig was.
De gesprekken resulteerden in het besluit tot oprichting van de "N.V.Vereenigde Draad Fabrieken", (V.D.F.) gevestigd te Nijmegen aan de van Goorstraat. Op 6 december 1920 was de oprichting een feit.

Jan werd directeur, Theo en Han werden commissaris, zo vermelden de statuten. Vader Bert, die de nieuwe fabriek financieel steunde, werd op 27 december 1922 in de raad van commissarissen opgenomen.
Jan kon gezien zijn jeugdige leeftijd van 20 jaar geen rechtsgeldige handelingen verrichten. Ten behoeve van zelfstandige bedrijfsuitoefening heeft hij bij de kantonrechter "handlichting" verzocht en gekregen.


Bestuursvergadering V.D.F.: van links naar rechts Schwarzkopf, Han, Kurz, Theo, Jan, Arndt

De V.D.F. begon als draadtrekkerij, de wolframstaven kwamen van de Glüfadenfabrik in Berlijn. Toen later besloten werd ook de staven bij de V.D.F. te gaan maken kwam Milo Arndt naar Nijmegen.
Arndt verfijnde de fabricagemethode voor wolframdraad. Ook zijn methode bestond uit het maken van gesinterd materiaal dat vervolgens in hamermachines zolang werd bewerkt tot een draad van enkele millimeters doorsnee was gevormd. Hierbij was het de kunst om gebruik te maken van de gerekte structuur van het wolfram molecuul ten gunste van de homogeniteit van het eindproduct.
De draad werd daarna door een nauwe opening in staal en vervolgens door een nog nauwere opening in een industriële diamant getrokken tot een dunnere draad ontstond. Deze bewerking werd zovaak herhaald tot draad met een diameter van tienden van millimeters werd verkregen. De techniek van het trekken van zeer dunne draad werd reeds toegepast bij het maken van gouden borduurdraad. Die kennis kwam goed van pas bij de ontwikkeling van de nieuwe fabricagetechniek. De draad werd gespiraliseerd, later zelfs dubbel gespiraliseerd en de nieuwe gloeidraad was een feit. De nieuwe gloeidraad was veel beter van kwaliteit en kon zwaarder worden belast met als gevolg een hogere lichtopbrengst bij een lager stroomverbruik.

Veel van de machines werden noodgedwongen door V.D.F. zelf gebouwd, vandaar een relatief grote bankwerkerij. Hier werden trekbanken, gloeiovens, draadsnijmachines, spiraliseer-machines en veel later ook een volautomatische dubbelspiraalmachine voor TL-lampen gemaakt. Deze machines werden ook aan derden verkocht, waarvoor een machine-catalogus werd samengesteld.

Aangezien het maken van getrokken wolframdraad een hoge specialistische kennis vereiste gingen vele lampenfabrieken over om de eigen productie van gespoten draad te stoppen ten faveure van de inkoop van getrokken draad. Zo kwamen de eerste leveranties van draad aan derden tot stand. En er werd een zeer aantrekkelijke prijs voor gevraagd en verkregen...
Als dank voor zijn voortreffelijke bijdrage aan de kennisverruiming van het bedrijf werd Milo Arndt in 1926 benoemd tot directeur van de V.D.F.
Schwarzkopf en Kurz, die tezamen in 1921 Metallwerk Plansee (M.P.) hadden opgericht, zaten niet stil. In 1929 werd door hen in de V.S. de American-Electrometal-Corporation (A.E.C.) opgericht. Nog in hetzelfde jaar trekt Kurz zich geheel terug uit het bedrijfsleven. Hij verkoopt zijn aandelen A.E.C. aan M.P. en zijn aandelen in de andere mede door hem opgerichte firma's, waaronder ook V.D.F., aan "Verein Haus Wettin" vertegenwoordigd door Prins Ernst Heinrich zu Sachsen. Verein Haus Wettin was de investeringsonderneming van het koninklijk huis van Sachsen, dat een positie wilde verwerven in het bedrijfsleven.
Zo gebeurde het dat de Prins tot commissaris van V.D.F. werd benoemd en uit dien hoofde de vergaderingen bijwoonde. Hij wenste te worden aangesproken met "Königliche Hoheit". Na afloop van de vergaderingen ging het gezelschap naar het Oranje Hotel tegenover het station in Nijmegen, waar de Prins logeerde. Er werd geborreld en gedineerd. Al spoedig na de tweede borrel mochten de aanwezigen de prins aanspreken met "Ernst Heinrich". Maar de volgende ochtend bij het ontbijt was het weer "Königliche Hoheit".

Octrooi problemen

Intussen groeide de wereldmarkt voor gloeilampen, zeker na het einde van de Eerste Wereldoorlog, onstuimig door. De grote fabrikanten deden er alles aan om niet alleen deze ontwikkeling bij te houden maar ook nog om hun marktaandeel te vergroten. Philips keek met lede ogen naar de vele kleine fabrieken vooral in Nederland. Men vond dat maar lastposten, die het met de octrooien niet serieus namen. Dat kon, want Nederland was een van de laatste landen in de westerse wereld die de octrooiwetgeving ratificeerde.

Philips was toen al goed in het vastleggen van patenten en octrooien en had daarmee een sterke juridische positie opgebouwd. Zo besloot Philips de lastposten te gaan aanpakken. De kleintjes werden tot sluiting gedwongen, de groten (Pope, Splendor) werden overgenomen en de merknamen in de marketing door Philips als tweede merk gebruikt. Ook Serena werd aangesproken.


Brief van Anton Philips.

Op 24 april 1924 schreef Anton Philips een "Streng Vertrouwelijke brief aan de directeur der N.V.Serena Metaal-gloeilampenfabriek Th.L.W. van Benthem", waarin hij hem uitnodigde voor een gesprek in Eindhoven op zaterdag a.s. in de voormiddag.
Theo ging naar Eindhoven voor de ontmoeting met Anton Philips. Hij nam zich voor zich niet te laten intimideren en stapte met rechte rug het hoofdkantoor aan de Emmasingel binnen. Daar werd hij ontvangen door de portier, die hem verwees naar de kamer van Anton zelf. Hoe dit gesprek precies is verlopen blijft onbekend, maar het resultaat was ongeveer als volgt. Serena stopt de lampenfabricage en de productie-middelen worden, als compensatie, door Philips op gunstige voorwaarden overgenomen. Technici van Philips kwamen kijken naar de in Nijmegen aanwezige lampenmachines en constateerden dat het ging om zeer moderne apparatuur, in sommige gevallen zelfs moderner en beter dan wat Philips zelf had. Het geavanceerde machinepark werd door Philips overgenomen en naar Eindhoven overgebracht. Serena werd nog in hetzelfde jaar 1924 geliquideerd.

Alles wat met de productie van gloeidraad te maken had bleef uiteraard buiten de overname. Immers de productie van gloeidraad was al in 1920 van Serena overgebracht naar de "Vereenigde Draadfabrieken" (V.D.F.).

Van Serena tot Ford

Het pand van Serena kwam vrij. Misschien was verhuur in die tijd van malaise niet zo gemakkelijk, in elk geval besloten Theo en Han om in het pand een andere activiteit te starten. Het besluit viel ten gunste van het agentschap van Ford voor Nijmegen en omstreken.


De Ford Special gebouwd door Karosseriewerke Hebmüller.

Het bedrijf "N.V. De Haan en Van Benthem's Handelmaatschappij" werd opgericht en de nieuwe uitdaging was daar. Opmerkelijk is overigens dat de naam De Haan als eerste wordt genoemd, terwijl "Van Benthem en De Haan" veel beter klinkt door de klemtoon die op de laatste lettergreep valt. Komt dat omdat De Haan een groter financieel belang in het bedrijf had dan Van Benthem?

De Ford-modellen hadden een goede reputatie. De A-Ford was een begrip in de wereld. De auto was voorzien van een 4-cylinder motor, die goed liep maar wel weinig PK's leverde. Chevrolet wilde haar positie versterken en bouwde haar 4-cylinder motor uit tot een krachtige 6-cylinder lijnmotor. Dat vond men bij Ford niet leuk. Men wilde zo graag Chevrolet van haar 1ste positie verdringen en ging aan het werk.
Eind twintiger jaren bouwden enkele dure merken zoals Cadillac en Lincoln al V8 motoren in hun modellen. Het waren kleine series met de hand geproduceerde motoren die in feite bestonden uit twee onder een hoek van 90░ aan elkaar geschroefde 4-cylinderblokken, duur in productie en ongeschikt voor grote series.
Om Chevrolet af te troeven wilde Ford massaproductie van scherp geprijsde V8 motoren, uitgaande van een uit één stuk gegoten motorblok. En Ford eiste van haar ingenieurs een "breakthrough" op het gebied van giet-techniek en motorbouw. In 1922 kwamen de eerste motoren uit de proeffabriek, maar het kostte de ingenieurs bijna 10 jaar ontwikkelen en aanpassen voordat het zover was dat massafabricage een feit was.
Er werd een grote ijzergieterij gebouwd, die via een lopende band was verbonden met de fabriek waar de assemblage en de inbouw van de motoren plaats vond.
Zo werd Ford de uitvinder van de monoblok V8-zijklepmotor, twee groepen van 4-cylinders, geplaatst onder een hoek van 90░. In 1932 introduceerde Ford het eerste model, stuur links en uitgerust met de drie-liter V8 met een vermogen van 65 pk. De essentie van de motor was zijn onregelmatige loop waardoor interne resonanties werden vermeden. Of deze filosofie waar was is nooit bewezen. De motor liep mooi, was krachtig, maakte een stereotiep geluid en had voor die tijd een ongekend lange levensduur. Een zijklepmotor met een lage compressieverhouding is per definitie onzuinig, het benzine-verbruik was gemiddeld 1:6. Ford bedacht van alles om dit nadeel op te heffen door modificaties van de cylinderkoppen en hogere compressieverhoudingen. Het vermogen steeg tot 90 pk, maar het benzineverbruik werd nauwelijks gunstiger. Daarom introduceerde Ford de veel zuinigere 2 liter 60 pk versie, die de bijnaam "thrifty sixty" kreeg, maar het motorvermogen was eigenlijk te gering voor deze zware automobiel.
Chevrolet maakte handig gebruik van deze situatie, streefde Ford opnieuw voorbij, kwam terug op plaats 1 en handhaafde zich op die positie. Wat Ford ook probeerde met sterkere motoren en vele andere verbeteringen, helaas Ford bleef op de 2e plaats.


Auto's, produceerd in Detroit, werden per schip getransporteerd naar de dealers in Europa. De auto's die in Nijmegen werden verkocht kwamen aan in Rotterdam. Theo, Han en een monteur gingen dan met de trein naar Rotterdam om daar bij de haven 3 auto's op te halen en naar Nijmegen te rijden. Ze bleven bij elkaar voor het geval zich pech voor mocht doen. Vooral lekke banden waren in die tijd zeer gebruikelijk.
Ford V8 deed het prima en "De Haan en Van Benthem" maakte er een goede omzet mee.
Nog leuker werd het toen Ford uitkwam met het zwaardere Lincochassis waarop de Duitse Karosseriewerke Hebmüller een 4-deurs cabriolet construeerde. Zowel Theo als Jan bestelden een exemplaar en reden er vol trots mee door de straten van Nijmegen. Omdat de wagen extreem laag gebouwd was en de bestuurder een slecht zicht had op de weg, ruilde Theo de wagen al snel in voor een Ford V8 2-deurs Convertible Club Coupé met dickyseat. Jan kocht een BMW twoseater cabrio en bromde er sonoor mee over de St.Annastraat naar zijn werk.
Behalve auto's verkocht de handelsmaatschppij De Haan en Van Benthem ook de diensten van een bestelauto. De auto droeg met grote letters de naam van de garage (nu zou op de auto gestaan hebben: www.logistic services de haan & van benthem.nl).


Ford auto.


Ford auto.

Maar eigenlijk vond Theo dit soort bedrijvigheid maar niks. Op dat moment had hij wel 3 zoons, maar het bedrijf werd in 1936 verkocht aan Terwindt & Hekking [10] en de beide partners maakten een mooie winst op deze affaire.

V.D.F. (vervolg)

Inmiddels was vader Bert in 1924 overleden en bleef zijn vrouw zeker niet onbemiddeld achter. Bernardina, door haar zoons "Moes" genoemd, bleef fijn wonen in het huis waar zij al zolang had gewoond en zovele gelukkige jaren had geteld. De beide jongste zoons woonden in de buurt en Bart was vaak in Nijmegen bij de Dominicanen. Zo beleefde zij nog enkele gelukkige jaren. Zij overleed bijna 72 jaren oud op 4 januari 1929 te Nijmegen, vermoedelijk bijgestaan door Bart, die haar ook wel de laatste sacramenten zal hebben toegediend.
Met een deel van de inboedel die zijn moeder naliet kreeg Theo ook het veel te dikke en door zijn moeder grondig verwende hondje Himpy in huis. Het was een mormel, daarover was in het gezin geen verschil van mening. Maar Himpy werd met alle mogelijke zorg behandeld en bleef in het gezin tot het einde van zijn dagen.


Sinterklaas bij V.D.F.: van links naar rechts Fokkinga, Jan, Mans.

De boedelverdeling was niet al te ingewikkeld. Bart had de belofte van armoede afgelegd en Theo vond het zonde dat zoveel geld, waar zo hard voor was gewerkt, zomaar naar de orde der Dominicanen ging. Hoe een en ander precies is geregeld is niet bekend. Wel is het zo dat de aandelen V.D.F. die Bart krachtens het legaat toekwamen niet bij de orde zijn gekomen. Nog in hetzelfde jaar toonde het Königliche Haus Sachsen grote belangstelling om dit pakket aandelen V.D.F. te verwerven. Er zijn dienaangaande correspondentie en gesprekken gevoerd in München en in Nijmegen met Prinz Ernst Heinrich Herzog Zu Sachsen als gevolmachtigde van het Königliche Haus Sachsen (Verein Haus Wettin). Als indicatie werd een prijs van HFl 15.000 geboden per aandeel van HFl 1.000 nominaal. Uiteindelijk heeft Theo het aanbod van de hand gewezen. Ook een gesprek met de gedelegeerde van de American-Electrometal-Corporation heeft niet geleid tot verkoop van dit pakket aandelen van V.D.F.
Eind 1933 besluit Verein Haus Wettin haar bezit V.D.F. af te stoten. De betrekkelijk kleine Amsterdamse bank Rhodius Königs Maatschappij neemt het aandelenpakket V.D.F. van Wettin over en de Prins treedt terug als commissaris bij V.D.F. Zijn plaats wordt ingenomen door Königs als vertegenwoordiger van de bank. Na diens overlijden worden R.E. Duin en A. Flesche benoemd tot commissaris bij V.D.F.
V.D.F. bleef in Nederlandse handen, ook toen na 1945 de Nederlandse overheid het pakket aandelen van Arndt als vijandelijk vermogen confisceerde. Namens de Nederlandse overheid heeft Mr. Sorgdrager een aantal malen de aandeelhoudersvergadering van V.D.F. bijgewoond. Daarna is dit vermogen "vernederlandst" en waarschijnlijk hebben de overige aandeelhouders deze aandelen van de Staat kunnen overnemen.

V.D.F. wilde niet langer van draad alleen afhankelijk zijn en zocht naar verbreding van haar activiteiten. Een belangrijk product was een door de V.D.F. ontwikkelde uiterst nauwkeurige torsiebalans, waarmee door weging de diameter van draad bepaald kon worden. De balansen werden over de hele wereld verkocht aan gloeilampenfabrieken, maar evenzeer aan textielfabrieken en later ook aan diverse laboratoria. De balans werd in de 50-er jaren gerestyled, kreeg een prijs voor goed industrieel ontwerp en werd getoond in het nederlands pavillioen op de Wereldtentoonstelling te Brussel in 1958. Een ander product dat een aantal jaren vooral in Nederland heel goed verkocht werd was Rodia (roterende diamant). Het ging om een assortiment van circa 15 diamantboren speciaal gemaakt voor tandartsen, en nadien ook gebruikt door huidartsen.

De belangrijkste producten bleven evenwel draad en spiralen doorgaans verkocht via vertegenwoordigende firma's, die ook de producten van Metallwerk Plansee verkochten. De verkoop van draad en spiralen was van begin af aan succesvol. Vele gloeilampenfabrieken, die liefst zo weinig mogelijk te maken wilden hebben met hun grote concurrenten zoals Philips, Osram, Sylvania, General Electric, Westinghouse, die eveneens draad en spiralen verkochten, verkozen V.D.F. als onafhankelijke en betrouwbare leverancier.
De fabriek werd regelmatig uitgebreid en er werd goed verdiend. Jan beklaagde zich erover dat te veel dividend werd uitgekeerd en er te weinig werd gereserveerd. Zeker is dat de aandeelhouders zelf in ondernemingen actief waren en het geld hard nodig hadden.

Op het moment dat in 1940 de oorlog uitbrak waren Jan en Arndt in Brussel en logeerden in Hotel Metropole. Arndt werd nog dezelfde dag ge´nterneerd. Na korte tijd kon hij naar Nijmegen terugkeren. Schwarzkopf verging het heel anders. Nadat hij in 1929 in de V.S. de American-Electro-Metal-Corporation had opgericht is hij in 1936 naar de V.S. verhuisd en startte in Yonkers, New York een research laboratorium. Toen Amerika op 7 december 1941 met Duitsland in oorlog kwam werd hij geïnterneerd op verdenking van industriële spionage. Hij werd 2 jaar vastgehouden. In die oorlogsperiode heeft hij de American-Electro-Metal-Corporation aan North American Philips verkocht. Sindsdien is niets meer van hem vernomen.

Terug naar de V.D.F. De laatste oorlogsjaren waren moeilijk vooral door groot gebrek aan grondstoffen. Jan wilde geen mensen ontslaan omdat die dan in aanmerking zouden komen voor de Duitse arbeidsinzet. Arndt was het hier gelukkig mee eens. Voor zover bekend heeft Arndt zich tijdens de oorlog nooit vijandig gedragen, maar hij vluchtte wel vlak voor de bevrijding naar Duitsland. Ook van hem is nooit meer iets vernomen. Vooral direct na de oorlog heerste er in Nederland een uitgesproken anti-Duitse stemming. Daarom zal er weinig animo geweest zijn het contact te herstellen, dit ondanks de zeer vriendschappelijke relaties voor de oorlog met Jan, Han, Theo en hunne respectievelijke dames, zoals blijkt uit foto's van feesten bij de betrokkenen thuis.


De Gelderlander 28-01-1947


De Gelderlander 30-12-1949

In 1945 is de productie bij V.D.F. langzaam weer op gang gekomen. Een groot probleem was het vinden van een opvolger voor Arndt. De taak was uitermate gespecialiseerd en het vak werd in Nederland nauwelijks beoefend. De enige persoon die in aanmerking kwam was Ir. J.D. Fokkinga, werkzaam op het Research laboratorium van de Staatsmijnen in Limburg. Hij hield zich daar o.a. bezig met poedermetallurgie. Fokkinga kwam in 1946 in dienst van de V.D.F. en werkte zich snel in. Het bedrijf begon weer aardig te draaien maar de grote winsten van voor de oorlog werden niet meer gemaakt. Toen Jan's tweede zoon Mans in 1957, na zijn studie economie, bij de V.D.F. kwam werken werd al een aantal jaren een bescheiden winst gemaakt, vooral als gevolg van veel concurrentie en het feit dat Philips diverse gloeilampenfabrieken, die klant van V.D.F. waren, overnam. Mogelijk is dit de reden geweest dat Theo begin 1957 zijn aandelen verkocht aan de overige 3 aandeelhouders Jan, Han en Duin.
Een half jaar later schreef Theo aan genoemde aandeelhouders dat hij een veel te lage prijs voor zijn aandelen gekregen had, hetgeen zou moeten blijken uit een bijgevoegd accountantsrapport. De reacties van Jan, Han en Duin waren kort gezegd: na moeizame onderhandelingen zijn we het eens geworden over een prijs, we voelen er nu niets voor om opnieuw te gaan praten, gedane zaken nemen geen keer en waarschijnlijk zal elke accountant met weer een andere waardering komen. Helaas is door dit voorval de relatie tussen Theo en Jan flink verstoord en eigenlijk nooit meer goed gekomen.
In juli 1957 werden Jan en Mans uitgenodigd naar Oostenrijk te komen. Na een aantal gesprekken resulteerde dit in de overname van ca. 30% van het aandelenkapitaal V.D.F. door Metallwerk Plansee. In 1959 kwam het hele aandelenpakket in handen van Metallwerk Plansee. In juli 1960 werden Mans en Fokkinga tot directeuren benoemd. De markt kende een duidelijke opleving en M.P. was bereid flink te investeren in de V.D.F., waardoor zowel omzet als winst aanzienlijk stegen. Deze opleving was echter van korte duur. Philips en Osram ontwikkelden zich zeer agressief op de markt, hetgeen er toe leidde dat Philips belangstelling kreeg om V.D.F. te kopen vanwege de productiecapaciteit. Achteraf bleek dat de capaciteit van de V.D.F. gelijk was aan 35% van die van Philips. In 1963 komt de verkoop van V.D.F. door M.P. aan Philips tot stand. V.D.F. wordt geleidelijk omgebouwd tot een productie-unit van Philips en Mans verlaat het bedrijf in 1965.
In 1970 wordt het 50-jarig bestaan van de V.D.F. op gepaste wijze gevierd. Enkele jaren later wordt de productie in Nijmegen definitief gestopt en de inventaris overgebracht naar Eindhoven. Het pand aan de Van Goorstraat wordt afgebroken en in de plaats daarvan komen flatgebouwen. De inschrijving van de Vereenigde Draadfabrieken in het handelsregister wordt doorgehaald op 17 december 1991 en daarmee wordt het V.D.F.-tijdperk definitief afgesloten.

Einde verhaal !

Slotwoord

Jan heeft de laatste fase helaas niet meer meegemaakt. In 1959 wordt hij getroffen door een beroerte, waardoor op veel te jonge leeftijd een abrupt einde kwam aan zijn actief bestaan. Jan heeft een prima verzorging gehad en overleed in 1968.
Nettie blijft achter. Ze wil erg graag verhuizen van de Kwakkenbergerweg naar de Oranjesingel. Haar grote wens wordt eindelijk hiermee vervuld. Als dan de verhuizing plaats vindt zijn zowel Han als Bets overleden. Daarna heeft ze nog enkele jaren in Groot Berg en Dal gewoond en daar nog een fijne oude dag gehad. Toen haar gezondheid minder werd verhuisde Netty naar De Braacken in Vught. Zij kreeg daar een prima verzorging. Op 5 Mei 1990 overleed zij aldaar. Kenmerkend voor Netty was de spreuk op haar bidprentje:

Schoonheid zit van buiten
Liefde binnen in
Zonder schoonheid kan men leven
Zonder liefde heeft geen zin

Afsluiting

Het gaat hier over een periode, waarin ongelooflijk veel gebeurd is.
De ontwikkeling van het industriële tijdperk is niet ongemerkt aan de Van Benthem's voorbij gegaan.
Bedrijven zijn opgericht, opgebouwd en tot bloei gebracht.
Bert begon een aannemersbedrijf en maakte daar een succes van.
Theo richtte een bedrijf op, bouwde er iets moois van, deed er weer afstand van en begon onvermoeibaar aan iets nieuws.
Zijn inzet bij de start van het sportfondsenbad en van de Nijmeegse Manege zijn niet vermeld, omdat er niet zoveel over bekend en te vertellen is.
De huidige generatie Van Benthem kan zeker met een goed gevoel terugblikken op wat de voorouders hebben gepresteerd in de afgelopen 150 jaar. Ze hebben zich onderscheiden door inzet, karakter en doorzettingsvermogen.


Geraadpleegde bronnen

Dagboek van Theo van Benthem, 1911
Brieven van Theo van Benthem aan zijn ouders en aan Bart, 1911
Streekarchief Deurne
Gemeentearchievaris Janzens te Deurne
Gemeentearchief Nijmegen
Gemeentearchief Eindhoven
Genealogisch onderzoek door Guido van Benthem
Homepage van Guido: http://members.chello.nl/~g.vbenthem
P.J.Bouwman: "Anton Philips", 1958
A.Heerding: Geschiedenis van de N.V.Philips' Gloeilampenfabrieken, 1986
Archief N.V.Philips Gloeilampenfabrieken, Eindhoven
Ir. Paul Havas, destijds stafmedewerker bij Tungsram, Boedapest
E.P.Francis, c.s.: The early Ford V-8 as Henry built it, 1983
R.Miller: The V-8 Affair, 1972
Dr.N.Japikse: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden, 1938
V.D.F.-verhaal door Drs.A.W. van Benthem
Archief T.B.M. van Benthem

Versie 2016 B. Een eerdere versie uit 2002 is verschenen als boekje in een oplage van 75.

Noten

[1] Zie streekarchief te Deurne.

[2] Familie van de Pastoors uit Deurne?

[3] ter inzage in het archief van de gemeente Nijmegen.

[4] de vader van Han de Haan.

[5] Goed en kwaad; Inleiding op de metafysica; e.v.a.

[6] Zie dagboek van Theo.

[7] Henri, doorgaans Han genoemd, was de zoon van Hendrik Herman de Haan, de stukadoor.

[8] Dagboek van Henri de Haan en Theo van Benthem.

[9] Dagboek van Theo met gegevens over productie van lampen en gloeidraad; tevens enkele brieven aan broer Bart met details over productie en productiecijfers.

[10] Ford dealer Terwindt & Hekking bestaat nog steeds en is nu gehuisvest aan de Tarweweg te Nijmegen.

terug naar Gastredactie-overzicht

Reactiepagina
Reactie 0:

T.B.M. van Benthem, 09-11-2016: Kroniek van ene familie Van Benthem
Reactie 1:

Leo Verhees, 01-12-2016: AANVULLING OP HET SLOTWOORD :
Voor zover ik mij herinner woonde de familie van Benthem in de jaren 40/50 in de villa op de hoek van de St. Annastraat/Hatertseweg. Het koetshuis is daarvan overgebleven waar nog jaren de Rabobank een filiaal had.
Reactie 2:

Olga van Schie, 31-12-2016: In het koetshuis woonden de familie Bongers, pa en ma Bongers met 2 dochters. Pa Bongers werkten in de villa ik weet niet precies maar ik dacht dat hij chauffeur (driver) voor de familie van Benthem was. Pa Bongers had altijd een gestreept colbert jasje aan, ik geloof in rode strepen. Mijn ouders waren bevriend met familie Bongers, de 2 dochters waren zeker 10 jaar ouder dan ik was. De dochters (ik ben hun namen vergeten, ik was ongeveer 4 of 5 jaar oud) namen mij vaak mee naar hun huis, het koetshuisje. Al dit was ongeveer begin jaren 1940. Nice memories.

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: