Nieuwe pagina 2

© copyright Yana van Tienen, Internetbewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

Roman over Donjon op komst

Als het aan Yana van Tienen ligt, dan verschijnt binnen een jaar de publicatie “Inwisselbaar verleden”. Een roman over de donjon en het Valkhofpark, over archeologie en landschapsarchitectuur, maar ook over liefde, woede, emotie en maatschappijkritiek. Een veelzijdige roman die raakt aan de waarheid en er af en toe een loopje mee neemt. 

Yana liet zich inspireren door de jarenlang gekoesterde wens van Nijmegenaren om de donjon weer op te bouwen. Tegelijkertijd putte ze ook inspiratie uit het verzet tegen die plannen van een ander deel van de Nijmeegse bevolking.

Yana werkte een kleine vijf jaar bij de gemeente Nijmegen en maakte de discussies van dichtbij mee. De auteur kent Nijmegen op haar duimpje en houdt van de stad met z’n bijzondere geschiedenis. 
Yana heeft al de nodige schrijverservaring want eerder verscheen van haar hand het boek “Nijmegen ontwikkelt, cultuurhistorie aan de Waal”. Veel eerder nog schreef ze de boeken “Dressuurfavorieten”, “De Shetlandpony”, “De New Forest pony” en haar laatste werk is de wetenschappelijke uitgave “MoMo en de mens”. 

Inwisselbaar verleden” is haar eerste roman en ze hoopt van ganser harte dat deze inderdaad op korte termijn kan verschijnen. Ú kunt haar daarbij helpen door één of meer aandelen van de roman te kopen. Op deze plek maakt u kennis met het boek, maar op de website http://www.tenpages.com kunt u nog meer lezen uit het manuscript. Daar kunt u ook zien hoe u een bijdrage kunt leveren. Voor € 5,00 heeft u al een aandeel en als het benodigde aantal aandelen niet binnen de gestelde termijn zijn verkocht, dan krijgt u daar weer gegarandeerd € 4,00 van terug. Uw risico is dus uiterst gering. Neem een kijkje en steun het initiatief!

Roman “Inwisselbaar verleden”

Hoofdstuk 1 – DE VONDST 

“Het is er toch nog van gekomen, hè. Had jij dat ooit gedacht?” 
De jonge man bukt zich en pakt een voorwerp van een centimeter of tien van de grond. 

“Ach Mark, de mensen weten van gekkigheid niet wat ze moeten doen”, antwoordt de ander. “Ik verbaas me nergens meer over. Dat moet jij ook niet al teveel doen.”

Mark legt zijn vondst voorzichtig op de binnenkant van zijn hand en wiegt ‘m heen en weer als om de waarde van het kleinood te schatten. Zijn aandacht gaat uit naar de man naast hem. 

Paul, rond de zestig en gesierd met een flinke baard, kijkt niet op of om. Zijn gezicht toont de sporen van een leven lang werken in de buitenlucht. Mager is hij allerminst, maar de groeven staan bij de mond en langs de neus. Hier en daar zit een geelgrauwe leemkorrel die schijnbaar vastbesloten is zich tot in lengte van dagen aan zijn gezicht te hechten en mee te reizen waar hij gaat en staat. 

“Vertel nu eens eerlijk hoe het zit”, dringt Mark aan. “Had jij echt verwacht dat die toren er ooit zou komen? Je doet nu wel zo laconiek, maar het heeft er toch heel lang om gespannen?” 

Paul geeft geen antwoord en gaat onverstoorbaar door met zijn werk. Voortdurend knijpt hij zijn ogen dicht alsof hij het zonlicht niet verdraagt. Bij iedere oneffenheid onder zijn troffel wijken de wimpers en komen de pupillen even tevoorschijn. Met een flinke dosis beroepsnieuwsgierigheid speurt hij dan naar kleurafwijkingen en materiaalverschillen. Aanwijzingen die hem op een spoor kunnen zetten van iets wat hem meer kan vertellen over de zeden en gewoonten van de mensen die hier eeuwen geleden vertoefden. 
Soms lijkt hij iets te herkennen en dan worden zijn ogen weer piepklein. Hij neemt de tijd om dat wat hij ziet goed in zich op te nemen. De oogleden schijnbaar dichtgedrukt door de weelderige wenkbrauwen. De klep van zijn pet als hulpmiddel om de laatste lichtinval buiten te sluiten. Onder de rand nog wat piekerig grijs haar. 

Zijn jonge stagiair wrijft ondertussen zachtjes met de duim over het gevonden voorwerp in zijn hand. Daarna duwt hij harder en harder en het voorwerp wordt steeds kleiner. Aan alle kanten vallen de korreltjes zand en leem eraf. De contouren verschijnen van iets wat ooit onderdeel van een glas moet zijn geweest. Voordat het in deze kuil terecht kwam zal het hebben gefonkeld door zijn kleurenpracht. De glans is er nu af, maar Mark glundert des te meer. Het is zijn tweede scherf van betekenis. 

“Alweer één …”, roept hij net iets te hard. “En alweer zo’n prachtexemplaar... Het waren rijke Bataven, de mannen die uit dit glas hebben gedronken.” 

Zijn baas kijkt op en wijst hem terecht. “Reken er maar niet teveel op dat het Bataven waren. Wat dacht je van Karel de Grote? Mag het zijn glas ook zijn? Qua datering zit je dan in elk geval meer in de goede richting. ”

Mark kijkt even beteuterd, maar heeft snel de grijns op zijn gezicht terug. Hij respecteert de oude archeoloog.
“Was Karel de Grote hier dan ook? Willen ze daarom die toren met alle macht weer opbouwen?”

Paul zwijgt. Mark dringt aan. 

“Kom op, vertel me iets meer. Voor mij kwam het besluit van de minister echt als een donderslag bij heldere hemel. Ik had nooit verwacht dat Nijmegen toestemming zou krijgen voor deze reconstructie. Boven op een archeologisch monument, midden in een historisch park…”

“Het oudste stadspark van Nederland”, bromt Paul, “maar daar hebben ze in Den Haag kennelijk maling aan.” 

Paul klinkt bitser dan hij tegen de jongen wil zijn, maar hij is al het gevraag over de donjon spuugzat. Hij wordt er thuis mee lastig gevallen, heeft het met zijn collega’s over niets anders, moet af en toe nog journalisten en politici te woord staan en nu begint Mark ook al te zeuren over dat ding. 

Mark laat zich niet afschepen en gooit het over een andere boeg. 

“Er wordt al tientallen jaren over de herbouw van de donjon gesproken, maar het aantal tegenstanders is ook gegroeid. Dat weet jij toch ook Paul ? Op deze plek hebben minstens twintig verschillende torens gestaan en niemand weet welke van die twintig herbouwd moet worden, wil je het resultaat een historisch verantwoorde reconstructie kunnen noemen.” 
“Ik loop nog niet zo lang mee, maar ik heb de negatieve pers gezien. Net als jij. Geen bouwhistoricus is voorstander van de herbouw en andere deskundigen denken er al net zo over. Ze zijn allemaal bang dat het Valkhofpark een soort pretpark wordt met de donjon als Nijmeegse Disneytoren. Het hele land praat schande over het project. Alleen de projectontwikkelaars zijn enthousiast en zij hebben kennelijk genoeg mensen achter zich weten te scharen. Òf ze hebben vals spel gespeeld…“ 

Net van plan om niet langer te luisteren, schrikt Paul op door deze laatste woorden. 

“Hoe bedoel je, vals spel gespeeld? Je luistert toch niet naar al die roddels? Als er iets van die onzin waar is, dan betekent het dat ik al mijn medewerkers moet verdenken van het schenden van de integriteitcodes. Ondanks de korte tijd dat je hier bent, moet je toch ook weten dat niemand hier de tijd heeft voor dat soort streken. Mijn mensen werken keihard. Het zijn de meest gewetensvolle werknemers die er bestaan”. 

Paul weet dat er gekletst wordt, maar weigert zich zelfs af te vragen of de geruchten waar zouden kunnen zijn. Hij rilt alleen al bij de gedachte, gedreven door een onnavolgbare trouw aan zijn werkgever, de gemeente.

Mark schrikt van de felle reactie van zijn leermeester. In zijn opwinding heeft hij zomaar iets geroepen, maar het was kennelijk raak.
Een beetje angstig kijkt hij schuin opzij naar Paul, nog onder de indruk van de toon waarmee die hem van repliek heeft gediend. Scherp en beslist. 

De oude man is al weer aan het werk alsof er geen woordenwisseling is geweest.

Behoedzaam legt Mark zijn glasscherf in één van de houten kistjes die bestemd zijn voor de vondsten. Hij vult het label in zoals hij dat van Paul heeft geleerd en schuift de strip weer terug in het plastic hoesje. Trots bekijkt hij het pakketje. 

Vondstnummer tweehonderd drieëndertig, 17 maart 2010, Nijmegen.

Het aantal sporen en voorwerpen van deze opgraving is niet gering voor anderhalve week werk en hij kijkt er naar uit om ze straks verder te mogen bestuderen. Hij is razend benieuwd of zijn vondst echt een glas van Karel de Grote betreft. Samen met Paul zal hij stukje bij beetje reconstrueren wat er precies op deze bijzondere plek is gebeurd. Wie er heeft gegeten, geslapen, gevreeën, geleefd. 

“Blijf je daar lang dromen of kom je me nog helpen?” De boodschap klinkt plagerig. Paul heeft zijn irritaties kennelijk weggeslikt. Mark laat de gespannen schouders zakken. Opgelucht. 

“Ik kom zo, maar ik breng mijn glasscherf nog even naar de tent”, roept hij. 

Wie er ook uit het glas heeft gedronken, het kostbare kleinood is hem al dierbaar geworden. Kordaat zet hij beide handen op de rand van de werkput en drukt zich op. Eén voet steunt op een uitbolling langs de lemige wand en daar zwaait hij het andere been al omhoog om resoluut het park in te stappen en de vondst weg te bergen. 
Eenmaal boven op het maaiveld strekt hij de benen en loopt wat heen en weer tussen de tent, de kuil en de forse eiken langs de rand van het park. “Eeuwig zonde”, denkt hij. “Die bomen staan er al minstens honderd en vijftig jaar en straks moeten ze het veld ruimen voor zo’n stinktoren. En als ze al niet weg moeten, dan delven ze het onderspit alsnog als hordes toeristen hier komen om dat ding te bekijken.” 
De jongeman snuift de lucht op van ontluikend groen en zucht. Hij kijkt over de rand van de heuvel naar de rivier, de uiterwaarden, het vee. 
Koeien met de voeten in het water.

“Kom je nou nog”, hoort hij Paul uit de kuil roepen. “Ik geloof dat ik iets gevonden heb.”

Mark draait zich om en zet het kistje met de scherf van het glas snel in de tent. Hij maakt een paar huppelpassen in de richting van de kuil en vergeet de toren. “Een mooier leven dan het werken aan een opgraving in het vrije veld bestaat niet,” denkt hij.

“Kijk”, zegt Paul met een donkere stem. “De grondkleur verandert hier plotseling alsof dit deel van de kuil flink verstoord is. Alles ligt door elkaar en het grijs heeft de overhand. Daar is geen fatsoenlijk verhaal meer van te maken. Veel gekker nog is de enorme weerstand die ik hier voel. Leg je hand er maar plat op en probeer eens te knijpen. Er zit geen beweging in. Alsof er een hard voorwerp achter deze grondwal ligt. Wat zeggen de tekeningen van de grondradar (*1) over deze plek?” 

Mark grijpt naar de harde klapper op het maaiveld en vindt de bewuste plek snel. Hij wijst met de vinger naar een donkerrode kring op de tekening. De kleur voor fundamenten en vermeende resten van de donjon. “Wacht even, ik heb er iets bijgeschreven. Ik kan mijn eigen handschrift nauwelijks meer lezen, de inkt is een beetje uitgevloeid.” 

Kan ook een rioolbuis of ander inferieur materiaal zijn.

“De grondradar kon er kennelijk ook al geen chocola van maken”, zegt Paul. “We zullen er zelf achter moeten komen waar het hier om gaat”.
Hij grijpt in zijn baard en beweegt de lange vingers van de kaken naar de kin. 
Mark weet dat de archeoloog deze beweging alleen maakt als hij ergens op zit te broeden. Hij wacht geduldig tot het routineuze gebaar stopt. 

“We hebben slechts een vergunning om binnen deze kuil te graven”, zegt Paul, “maar daar trek ik me voor één keer niets van aan. 
Als we meer over deze plek willen weten, moeten we de bult te lijf. Het duurt me te lang om de officiële weg te volgen.”

Als afgesproken, duiken de twee mannen tegelijk naar beneden en grijpen links en rechts om zich heen. Met spatels in de broek, krabbers tussen de tanden en mesjes op de borst beginnen ze gretig, maar voorzichtig aan de klus. Ze zwijgen en werken. Met handen, voeten en ogen. Heel het lichaam doet mee terwijl ze zich centimeter voor centimeter verplaatsen. De één ligt op de knieën en de ander staat met een gebogen rug. Zo bewegen ze zich door de kuil, van links naar rechts en weer terug. 
Voorzichtig krabben ze de aarde en zandresten van een rij stenen, iedere keer weer toewerkend naar die vreemde grauwe harde plek. Restanten van muurtjes worden blootgelegd en stukje bij beetje tekenen de randen van het harde onbekende zich steeds beter af. Uren later zien ze wat het is. 

Te midden van de steenverbanden is een rond gat uitgespaard van een meter doorsnede. Het gat is gevuld met een grote zwerfkei, het begin van een hunebed, zo lijkt het. Een hunebed bovenop de Valkhofheuvel. Het kan haast niet, maar de zwerfkei is echt. 

Paul rekt zich en komt nog net met zijn krullen boven de rand van de kuil uit. “Theoretisch is dit onmogelijk,” zegt hij, ijzig kalm, bedachtzaam en streng. 
Mark kijkt hem afwachtend aan, maar zegt niets. Hij is veel te bang om dit schijnbaar magische moment te verbreken. Het is duidelijk dat ze iets bijzonders hebben gevonden en dat zijn leermeester het met hem wil delen, ook al heeft hij geen idee waar het om gaat. De afstand tussen baas en stagiair is verdwenen. Paul en Mark zijn op dit bijzondere moment maatjes. 

Op het voorhoofd van Paul verschijnen zweetdruppels. Van het gestage werk of van de zenuwen. Ineens weer de meester tegenover de leerling zegt hij: 

“Jij denkt vast dat dit soort stenen alleen in Drenthe voorkomen, maar dan heb je het mis. Die keien zijn in de ijstijd deze kant opgerold. Ze horen wel veel dieper te liggen. In elk geval dieper dan de bovenste grondlaag van een heuvel van dit formaat. 
Iemand moet deze steen dus meters lager hebben opgegraven of ergens anders vandaan hebben gehaald om hier neer te leggen. Hij moet een reden gehad hebben om het gevaarte hier achter te laten. Zo merkwaardig ingesloten tussen deze twee muurtjes, de fundamenten van onze donjon.”

Ineens weer energiek pakt hij zijn stagiair met beide handen bij de schouders. “We moeten hem van de plaats zien te krijgen. Achter deze kei ligt een onderaardse gang”.

Mark voelt de krachtige handen en zwijgt. Hij lijkt zich nergens over te verbazen. 
Hij zuigt ieder woord en ieder gebaar van Paul op alsof hij er recht op heeft en er al heel lang op heeft zitten wachten. Hij voelt zich het kind dat voor het eerst alleen mag oversteken. De jongeman die zijn eerste kus krijgt. Hij houdt z’n adem in en volgt de bewegingen van Paul die een houweel pakt en aan het muurtje begint te trekken. Het ligt strak tegen de kei. Er valt een steen naar voren waardoor de grond achter het muurtje zichtbaar wordt. Hier is de grond zacht en weg is de behoedzaamheid van de achterliggende uren, weg zijn professionele zorgzaamheid en weg de vastbeslotenheid niets te willen beschadigen. 

“Help me dan verdomme. Ik moet het nu weten,”roept hij en Mark komt in beweging.

Het duurt nog geen tien minuten of de mannen zijn door de kuilwand heen. Rondom de kei hebben ze zo’n veertig centimeter muur los kunnen maken en de grond is daar verwijderd. Daarachter ligt een donkere holte met grijzig gele wanden. Een vlechtwerk van boomtakken volgt de bocht van de gang. 
Een deel van het park moet op dit bouwsel hangen, hier en daar gestut door muurtjes en wellicht op sommige plekken rustend op nog zo’n reuzenkei. Knoesten en wortels prikken door het gegroeide netwerk en rijgen zich een weg. De gang moet er al jaren, zo niet eeuwen liggen. De geur doet bossig aan. Het klimaat dauwig koel. 
Paul stoot een rauw geluid uit en Mark weet niet of hij hem na moet doen of z’n mond moet houden. De oude archeoloog valt op z’n knieën. 

“Eindelijk, eindelijk, eindelijk… Ze zullen me nu moeten geloven”.

1 De grondradar (groundtracer) brengt ondergrondse objecten en structuren in beeld zonder het bodemarchief aan te tasten. Graven is niet nodig omdat de gegevens worden verzameld via elektromagnetische golven en daarna met toegepaste software worden geanalyseerd. 

Wilt u weten hoe het verder gaat?

Lees verder op http://www.tenpages.com

Reactiepagina

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: