gruijthuijsen

© Foppe van Gruijthuijsen, Digitale bewerking; Henk Kersten/Stichting Noviomagus.nl

Nijmeegse vestingwerken in verleden en heden

 

Deel I, het verleden

Inleiding

Ulpia Noviomagus

Numaga

De Tachtigjarige oorlog

Het Rampjaar

De Franse tijd

De ontmanteling

De uitleg

Conclusie

Deel II, het heden

Inleiding

Het Kronenburgerpark en het Hunnerpark

De forten Boven Lent en Beneden Lent

Vondsten

Knodsenburg

Conclusie

 

Slotbeschouwing

Begrippenlijst

Noten

Literatuurlijst

Bronnen

Internetadressen


Inleiding

Anderhalve eeuw geleden was Nijmegen nog een ommuurd vestingstadje. Op zondagen gingen de inwoners wel eens een rondje wandelen over de muur. Dit ‘rondje om’ duurde vijfenveertig minuten. Aan de ene kant zagen ze dan de volgebouwde stad en aan de andere kant een leeg niemandsland. Wie tegenwoordig de route probeert na te lopen zal tot de conclusie komen dat er veel is veranderd. De muur is grotendeels verdwenen en het kale niemandsland is volgebouwd met huizen. Alleen als onderdeel van het Kronenburgerpark en het Hunnerpark zijn nog stukken vesting bewaard gebleven. Wie hier naar toe gaat kan het verleden haast aanraken. Of zoals de Nederlandse historicus Johan Huizinga het noemde de ‘historische sensatie’ voelen. 1)

De aandacht voor vestingwerken lijkt toe te nemen. Oude vestingstadjes als Huizen worden opgeknapt, in Rotterdam is op de plaats van de oude Delftse poort een moderne versie verrezen en er zijn zelfs architecten die hun nieuwbouwwijken voorzien van grachten, bruggen, torens en poorten. Ook in de vroegere vestingstad Nijmegen neemt de belangstelling de laatste jaren toe. Zo zijn er plannen om een oud fort Knodsenburg genaamd, te herbouwen. Daarom word in dit artikel, dat uit twee delen bestaat, aandacht besteed aan de veranderende functie van de vestingwerken van Nijmegen. In deel I komt de oorspronkelijke functie van de vestingwerken aan bod. Deel II zal gaan over de huidige functie. In de slotbeschouwing wordt uiteengezet wanneer en hoe de functie is veranderd.

Deel I , het verleden

Inleiding

In deel I wordt gekeken naar de oorspronkelijke functie van de vestingwerken. Dit wordt gedaan via een beschrijving van het verleden van de vesting Nijmegen. Een geschiedenis die begint met de bouw van de eerste muren in de Romeinse tijd en eindigt in 1874 met de afschaffing van de vestingstatus. Gedurende deze periode veranderde er veel. Vooral de periode na 1591 is belangrijk, omdat Nijmegen vanaf dat moment ging behoren tot de grensverdedigingssteden van de Republiek. Dit had op tal van terreinen, sociaal, militair, economisch en politiek, grote gevolgen.

Ulpia Noviomagus

Op de plek waar nu Nijmegen ligt wonen al heel lang mensen. Dit komt door het terrein, dat heel gunstig is. Een grote rivier, de Waal, stroomt vlakbij en biedt de mogelijkheid tot handel. Dit was vroeger extra belangrijk, omdat de wegen toen slecht begaanbaar waren. Ze waren vaak niet meer dan modderpaden. Ook kon op een schip veel meer vervoerd worden dan in een kar. Een ander voordeel was de aanwezigheid van een heuvel. Deze was ontstaan tijdens de laatste IJstijd toen het ijs, dat zand en stenen voor zich uitduwde, bij Nijmegen stopte. Hierdoor hoefden de Nijmegenaren niet, zoals elders in Nederland, terpen en dijken te bouwen tegen overstromingen van de rivier. Rivier en heuvel hadden nog een ander voordeel: vijanden uit het Noorden konden de plaats moeilijk aanvallen, want eerst moesten ze de rivier over en dan moesten ze nog eens de heuvel op. Dit gold echter alleen voor de Noordzijde want de andere zijden moesten wel goed verdedigd worden, omdat hier het hoogteverschil gering is.

Toen de Romeinen rond 12 voor Christus in deze contreien kwamen zagen ook zij de voordelen van de plek. Eerst bouwden ze er alleen een grensverdedigingspost. Deze was gelegen bij een Bataafs dorp. Maar later, na de Bataafse opstand onder Julius Civilus, een Bataaf die in het Romeins leger diende, werd er een groot legerkamp gebouwd waar het tiende legioen ongeveer twintig jaar heeft gezeten. Bij archeologisch onderzoek in het huidige Nijmegen Oost worden nog regelmatig overblijfselen van dit kamp gevonden. Zo zijn er onder andere resten van een klein Romeins Amfi-theater blootgelegd. De komst van de soldaten zorgde voor veel bedrijvigheid en ten Westen van het kamp ontwikkelde zich een stadje dat van keizer Trajanus in 105 stadsrechten kreeg en de naam Ulpia Noviomagus. De recente vondst van een honderd meter lange, anderhalve meter dikke tufstenen muur op de plek waar nu aan de Waalkade het Nijmeegs Casino staat, doet vermoeden dat dit stadje geheel of gedeeltelijk voorzien was van een ommuring. Deze zal na het verdwijnen van het legioen en de toename van invallen vanuit het Noorden zeker van pas zijn gekomen.

Hoe het Ulpia Noviomagus tijdens de periode die ook wel de tijd van de volksverhuizingen genoemd wordt verging, is niet helemaal duidelijk. Er zijn uit deze periode niet alleen geen geschreven bronnen, maar ook weinig ongeschreven bronnen. Wel zijn in de buurt van Nijmegen, bijvoorbeeld aan de overkant van de Waal in Lent, grafvelden uit deze periode ontdekt. Vermoed wordt dat het stadje zich zeker tot 459 heeft gehandhaafd. Rond dit tijdstip viel in ieder geval de oude Romeinse hoofdstad van de regio, Keulen.

Numaga

Nijmegen word ook wel de keizersstad genoemd. Dit omdat de keizers van het heilige Roomse rijk op het Valkhof in Nijmegen een vesting bouwden, de Valkhofburcht genaamd. Al in de tijd van Karel de Grote, 768 - 814, stond er een houten palts op het Valkhof die Karel, als hij op inspectiereis was door zijn rijk, aandeed. Zijn opvolgers bouwden later een stenen burcht. Met name Frederick Barbarossa, 1152 -1190, maakte er veel werk van. Ten westen van de burcht kwamen steeds meer mensen wonen. Het plaatsje dat hier ontstond kreeg de naam Numaga. Rond 1300 mochten de inwoners van de graaf van Gelre een omwalling bouwen. Vermoed wordt dat deze van aarde is geweest, omdat er nooit resten van stenen gevonden zijn. Wel bevonden zich op verschillende plekken stenen torens en poorten. Buiten de muren werden droge grachten, omdat Nijmegen op een heuvel lag waren natte grachten alleen vlak bij de Waal mogelijk, gegraven. Hierin werden doornstruiken en palissaden geplaatst. De muur diende niet alleen ter verdediging. Zij vormde ook een grens. Namelijk tussen de burgers, stadsrecht konden geërfd of gekocht worden, en de plattelanders. Wie de stad binnen wou werd bij de poort gecontroleerd en moest tol betalen. 


Nijmegen rond 1450. 2)

Net als andere steden in het Oosten van Nederland, zoals Kampen, die aan een grote rivier lagen ging het Nijmegen voor de wind. Deze periode staat daarom ook wel te boek als Gelre’s Gouden eeuw. In Nijmegen kwamen verschillende landwegen bijeen , waar ze stopten om aan de overkant van de Waal weer verder te gaan. Omdat er geen brug was onderhielden bootjes de oeververbinding. Hierdoor ontstond een bedrijvige handel. Om de snelle bevolkingsgroei, die de voorspoed met zich meebracht, op te kunnen vangen waren nieuwe huizen nodig. Ook kwam er in 1456 een nieuwe muur met nieuwe poorten. De nieuwe muur werd hoger en van steen. Twee oude poorten, de Wiemel- en de Burchtpoort, uit de eerste omwalling bleven tot in de negentiende eeuw staan. Zij lagen nu binnen de stad en kregen een andere functie. Zo werd de Wiemelpoort gevangenispoort. In 1473 werd de muur voor het eerst getest toen troepen van de hertog van Bourgondië met hulp van de troepen van de hertog van Kleef de stad met zwaar geschut begonnen te beschieten. De stad hield het 3 weken vol, waarna ze zich moest overgeven doordat er te veel bressen in de muur waren gekomen.

De verdediging van de welvarende stad werd steeds belangrijker. Een poging van de hertog van Gelre in 1527 om van het Valkhof een dwangburcht te maken werd verijdeld. Het Valkhof bleef, maar andere burchten in de buurt werden verwoest, zodat zij geen onderdak aan eventuele vijanden konden bieden. Ook werd de muur dikker en veranderden de stadspoorten van sierlijke torens in lage donkere tunnels, omdat een nieuw wapen, het kanon, zijn intrede had gedaan. Hierdoor bood de muur een betere bescherming en konden kanonnen op de muur gemakkelijker verplaatst worden. Bovendien werden de poorten voorzien van bastions. Na 1540 veranderde er aan deze hoofdomwalling niet meer zo veel.


Nijmegen rond 1550.

De 80-jarige oorlog

Tijdens de 80-jarige oorlog was Nijmegen lang een Spaanse stad. Rond en om de stad werd herhaaldelijk gevochten. Heel bekend is de slag op de Mokerheide, in 1574, die vlak bij Nijmegen plaatsvond en waarbij twee broers van Willem van Oranje het leven lieten. Deze gevechtshandelingen hadden grote gevolgen voor de stad. Zo moest regelmatig onderdak worden geboden aan grote legers. In 1568 bijvoorbeeld werden 3500 Spanjaarden in de stad gehuisvest. Ook moesten de verdedigingswerken verbeterd worden. De Spaanse vestingbouwer Orologe liet extra bastions en enkele 3-hoekige bolwerken aanleggen. 3) Deze uitspringende gedeelten dienden om de tegenstander in de flank te kunnen beschieten als deze de muur en/of poorten bestormde. Eerst werden ze van aarde, maar later van steen gebouwd. Dit ondanks tegenstand van het stadsbestuur, dat grote moeite had met alle extra kosten die de oorlog met zich meebracht.

Verschillende keren veranderde de stad van kamp. Bij een poging in 1589 om de stad te veroveren overleed een Staatse bevelhebber, Maarten Schenk genaamd. Hij probeerde stiekem via de Waalkade de stad binnen te dringen. Aan de kade was geen muur, hier vormden huizen met tralies voor de ramen de enige hindernis. Zijn poging werd echter afgeslagen en tijdens zijn vlucht verdronk hij. De Nijmeegse burgers, blij met hun overwinning, visten zijn lijk uit de Waal en hingen bij elke stadspoort een ledemaat en zijn hoofd aan de kade bij de St. Athonispoort. Dit als afschrikwekkend voorbeeld.

Dit hielp echter niet want in 1591 viel Nijmegen definitief. Dat dit gebeurde hadden de Nijmegenaren voor een groot deel aan zichzelf te wijten. Want al in 1580, toen de stad voor even Staats was, adviseerde Johan van Nassau het Nijmeegs gemeentebestuur om tegenover Nijmegen een versterking te bouwen. 4) Dit advies werd echter in de wind geslagen. Zodat Maurits in 1585 niets in de weg stond om hier een schans te bouwen van waaruit hij de waterzijde van Nijmegen kon beschieten. Dit was zeer gevaarlijk omdat de walmuur aan de kade uit de achterkant van huizen bestond en dus niet dik was en de stad gedeeltelijk tegen een heuvel was gebouwd waardoor veel gebouwen vanaf de overkant goed zichtbaar waren. Om dit te voorkomen waagden de Nijmegenaren een uitval om de in aanbouw zijnde schans te verwoesten, maar ze moesten zich met zware verliezen terugtrekken. Het verhaal gaat dat de Nijmegenaren knotsen droegen en dat daarom de Staatse soldaten de schans spottend Knodsenburg noemde. 5)

Gelukkig voor Nijmegen stuurde de hertog van Parma generaal Haultepenne met 6000 soldaten naar de overkant. Hierop vluchtten de verdedigers, waarna de schans geslecht werd. Dit hielp echter niet. Enkele jaren later, in 1590, liet prins Maurits, na een vergeefse poging om Nijmegen in te nemen, aan de overkant van de Waal weer een schans bouwen. Die had de vorm van een vierkant, met op elke hoek een bastion. Bovendien was aan de stadszijde een aparte uitbouw gemaakt waarvandaan de rivier en stad gemakkelijk bestookt konden worden. Het geheel was omgeven door een natte gracht. In en rondom de schans legerde hij ter verdediging 400 tot 500 man onder commando van Gerard de Jonge. 6)

Elke dag daalden er gloeiende kogels, waardoor huizen in brand vlogen, op de stad en onder andere de spits van de St. Stephenskerk werd er afgeschoten. De hertog van Parma kwam nu zelf in actie en stak op 13 Juli 1591 met een groot leger via een scheepsbrug de Waal over. De schans was echter niet alleen gebouwd om Nijmegen te beschieten, maar diende ook, samen met andere schansen langs de grote rivieren om een eventuele Spaanse aanval te stuiten. 7) Maurits die Steenwijk aan het belegeren was vond de situatie klaarblijkelijk zo bedreigend, dat hij gelijk met een leger van 9000 man naar Nijmegen trok. In de Betuwe wist hij vijf vaandels cavalerie van Parma in een hinderlaag te lokken. Hierop trok Parma, die bang was dat Maurits de scheepsbrug zou vernielen waardoor hij vast zou komen te zitten, zich terug. De stad die nu onophoudelijk werd bestookt gaf zich vervolgens snel gewonnen. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen verscheen een gedenkpenning en werden verschillende liedjes gemaakt. Hieronder staat een couplet. 

Een tyding quam, dat Parma gram,
Knodsenburgh wou verslinden,
Graef Maurits nam de ganck niet stram,
Om Ghelderlant te vinden;
Voor Arnhem ras sloegh hy int gras,
Paep-Jan quam ons bekijcken,
Maer zijn ghebras, viel meest in d'as,
Hy moest met schande wijcken.
8)

De overgang in 1591 van Spaanse naar Staatse kant had grote gevolgen voor de stad. Voortaan werd het een vestingstad aan de grens van de Republiek. De verdediging van de stad, een burgerplicht, was nu niet alleen meer een zaak van de burgers. Voortaan werden steeds wisselende regimenten in de stad gelegerd. Dit konden Nederlandse regimenten zijn, maar ook buitenlandse huurtroepen. Het stadsbestuur was verantwoordelijk voor onderdak en, in tijd van oorlog, voedselvoorziening en soldij. Maar, dat was nog niet alles, want regelmatig verzamelde Maurits in Nijmegen zijn troepen voor campagnes in Limburg en Brabant. Kazernes voor al deze soldaten waren er niet, dus werden ze ingekwartierd bij burgers en in Katholieke kloosters en kerken, die doordat het Katholieke geloof was verboden, hun functie hadden verloren. Al die legers brachten ook ziekten mee. Zo brachten rond 1636 soldaten de pest mee. Hieraan stierf 40% van de stadsbevolking.

Er kwamen ook extra verdedigingswerken. Dit waren buitenwerken, die de eerste klappen op moesten vangen. Ze kwamen onder meer voor de poorten, die zo niet meer met een goed geplaatst schot aan stukken konden worden geschoten. Ook werd de schans Knodsenburg omgebouwd tot een fort, dat de waterzijde van de stad moest beschermen. Al deze nieuwe werken werden door de Staten-Generaal gefinancierd en onderhouden. Voor de oude stadsmuur moest de stad zelf zorgen. Het onderhoud werd echter door beiden op zijn beloop gelaten. Zo schreef de stadswerkmeester in 1606 over de heggen om de schans Knodsenburg; “alszoo selve soo vol gaten waren, dat men daerdoor wel een koei ende peerden door zou jagen. “.9) Overigens liet hij ze vervolgens wel dichtmaken.


Nijmegen rond 1600.

Het Rampjaar

Van bloeiende handelsstad veranderde Nijmegen nu in een slaperige vestingstad. De economische bloeiperiode van de Gouden eeuw ging dan ook goeddeels aan haar voorbij. In het Rampjaar 1672 werd zij echter hardhandig wakker geschut. De Franse troepen van Lodewijk de Veertiende die de Republiek waren binnengetrokken en bij Lobith de Rijn waren overgestoken wisten het fort Knodsenburg te veroveren en begonnen van daaruit hun beschietingen op de stad. 295 Bommen en 7223 zware ijzeren kogels werden op de stad afgeschoten. Een kanonskogel in de muur van de Commanderie van St. Jan herinnerd hier nog aan. De stad moest zich al na een week overgeven mede doordat de verdedigingswerken in slechte staat waren. De onduidelijkheid over wie waar verantwoordelijk voor was en het feit dat de Staten-Generaal zich in de voorafgaande periode voornamelijk met de oorlogsvoering op het water had beziggehouden waren hier de redenen voor. 10) De Franse overheersing duurde echter niet lang want in 1678 werd de vrede van Nijmegen getekend. Als uitvloeisel hiervan ging Nijmegen weer tot de Republiek behoren. 

De opmerkelijke rol die Knodsenburg bij dit alles speelde werd in 1733 in Oude hoofdstad der Batavieren van Arkstee op pagina 142 nog eens vermeld in een rijmpje.

’t Is Knodsenburg, dat kunstig werk,
Dat meer dan voor een Eeuw van jaaren
Gebouwd, hernieuwd, onwinbaar sterk
De Stad kon dekken voor gevaaren,
Een vesting die weleer door kragt
Haar heeft veel nadeel toegebracht

Al snel werd besloten dat de vestingwerken verbeterd moesten worden. Onder leiding van de bekende vestingbouwer Menno van Coehoorn werd dit in twee fasen, 1700-1702 en 1726-1732 gedaan. In totaal koste het plan dat al in 1698 was uitgedacht 2 miljoen gulden. 11) Een gigantisch bedrag voor die tijd. De oude stadsmuur, die in deze periode in trek kwam als wandelgebied werd langzaam minder belangrijk. Tegen de steeds zwaarder wordende kanonnen was de muur niet bestand. Als laatste lapmiddel werd ze nog van de binnenkant verstevigd, maar de nadruk kwam steeds meer te liggen op de buitenwerken rond de stad. Hier werden de lunetten Bottendaal, Steenen Kruis, Kijk in de Pot en Hunnerberg gebouwd. Later in 1726 kwamen hier nog de lunet Nieuwwerk, het bastion Utrecht en aan de overkant van de Waal, op een zandbank, de lunet Hollandia bij. Door een overstroming van de Waal spoelde dit laatste in 1747 alweer weg. Dat de verbeteringen niet voor niets waren geweest bleek in 1702 toen een Franse aanval kon worden afgeslagen. In 1730 word tijdens een rondleiding het volgende over deze aanval verteld:

...Twee jaar lang werden we door het paapse gespuis bezet en uitgekleed. Een enkele oude Nijmegenaar kan zich deze tijd nog herinneren. Nog geen vijfentwintig jaar nadat hier de vrede (1678) werd getekend probeerden ze het opnieuw. Toen zijn ze gelukkig niet verder gekomen dan de lunet Kijk-in-de-Pot aan de andere kant van de stad. U zult begrijpen dat de Fransoos zich in Nijmegen nooit echt populair heeft weten te maken. 12)

Waarschijnlijk heeft het verhaal niet zo veel indruk gemaakt op de luisteraars uit 1730, want na 1732 word er weinig meer gedaan aan de verdedigingswerken rond de stad.


Nijmegen rond 1730.

De Franse tijd

Een volgend wapenfeit vond plaats in het jaar 1794. Alweer Franse troepen trokken Nederland binnen. Dit keer was het niet eens nodig om het fort Knodsenburg in te nemen om zo de Nijmegenaren tot overgave te dwingen. Want van het fort was weinig meer over. De grond werd in 1808 verkocht waarna de resten gesloopt werden en alleen nog de gracht over bleef. 13) Bovendien waren de vestingwerken van Nijmegen sterk verouderd en vluchtten de Engelse verdedigingstroepen die in Nijmegen gelegerd waren de Waal over, toen zij de overmacht van de Fransen zagen. Jammerlijk genoeg voor hen werd de gierpont, waarmee ze naar de overkant vluchten, tot zinken gebracht.

In 1806 werd Lodewijk Napoleon de broer van de Keizer Napoleon koning van Nederland. Hij besloot dat de vesting Nijmegen ontmanteld mocht worden. Redenen hiervoor waren dat Nijmegen midden in Frans gebied lag en het heel veel geld zou kosten om de vesting weer te laten voldoen aan de eisen van de tijd. Napoleon, die niet tevreden was met het beleid van Lodewijk, plaatste in 1810 het koninkrijk Holland onder zijn eigen gezag. Hij draaide het besluit tot ontmanteling van de vestiging Nijmegen terug. Zodoende was Nijmegen nog steeds een vestingstad toen na het congres van Wenen Willem I in 1815 koning werd. Hij achtte de vestingstatus van Nijmegen van groot belang en liet nieuwe vestingwerken rond de stad aanleggen en oude herstellen. Vanwege de toegenomen kracht van de artillerie was het belangrijk dat op enige afstand van de stad goede forten kwamen. Zo werden in de periode 1820-1824 de forten Sterrenschans en Kraijenhoff gebouwd. Ook werd begonnen met de bouw van kazernes in de stad. Zij vervingen de houten barakken die er in de Franse tijd waren neergezet. In 1820 werd midden in de stad begonnen met de bouw van een groot arsenaal.

De plannen voor deze nieuwe forten werden bedacht door de Nijmeegse Luitenant-Generaal Baron C.R.T. Kraijenhoff. Hij was tijdens de regering van Lodewijk Napoleon minister van oorlog geweest en overleefde, merkwaardig genoeg, de machtswisseling. Want tijdens het koningsschap van Willem I was hij een belangrijke autoriteit, hij was inspecteur generaal fortificatiën op het gebied van de landsverdediging. Zijn relatie met Willem I was zelfs zo goed dat toen deze in 1824 Nijmegen bezocht, om het garnizoen, de schutterij en de vestingwerken te inspecteren, hij logeerde bij de Baron. 14) Ook kreeg de Baron toestemming om na zijn dood begraven te worden in het door de koning naar hem vernoemde fort. In 1840 werd hij hier inderdaad, in een al bij de bouw aangebrachte tombe, begraven. Erg lang heeft hij hier niet kunnen rusten, want 64 jaar later, toen het fort al gesloopt was, werd zijn gebeenten overgebracht naar de begraafplaats Rustoord. 15)

Tijdens de Belgische oorlog, de afscheiding van België 1830 – 1839, werd de vesting in staat van paraatheid gebracht. Dit hield onder andere in dat de stadspoorten minder lang open waren. Tot oorlogshandelingen kwam het echter niet. In de tweede helft van de negentiende eeuw namen de internationale spanningen weer toe. Als reactie hierop werden nog de forten In de Ooij, Verbrande Molen, Kwakkenberg en aan de overkant van de Waal Sprokkelenburg en Nieuw Knodsenburg, die ook wel bekent staan als boven Lent en beneden Lent, gebouwd. Ook werd het lunet Kijk in de Pot tot een fort omgebouwd. Nijmegen was nu van alle kanten omgeven door forten.

Om een beeld te krijgen van de vesting en zijn omgeving staat hieronder een tekst van Mr. J.J.L. van der Brugghen uit 1852.

Van mijn vroegste kindsheid af herinner ik mij mijne geliefde geboortestad niet anders dan omgeven met een’ breeden gordel van hooge, dreigende vestingwerken. Eerst een kapitale wal: daarbuiten, een doolhof van trapsgwijze afdalende ravelijnen, bastions of bolwerken, doorweven met een net van diepe, drooge grachten, overvloedig gelegenheid aanbiedende om op zijn gemak viooltjes te plukken, te duelleren en te smokkelen; voorts eene uitgestrekte, woeste zonnige vlakte, wier eenzaamheid slechts nu en dan, hier en daar wordt afgebroken door een troep exercerende soldaten, of grazende koeijen. 16)


Nijmegen rond 1870.

De ontmanteling

In de zelfde periode dat rond Nijmegen allemaal nieuwe forten verschenen, breidde Arnhem zich uit. De vestingstatus van Arnhem was namelijk al in het begin van de negentiende eeuw opgeheven. Nijmegenaren zagen jaloers toe hoe Arnhem kon groeien. Zo schreef de heer van Brugghen dat Nijmegen

... de laatste jaren wel, in bevolking en vooral in broodelooze bevolking maar geenszins in bloei is toegenomen, zulks niet allerminst aan de persende en knellende werking van de vestingwerken is toe te schrijven. ... zij (de inwoners van Nijmegen) zoude ook hare huizen kunnen bouwen als paleizen, even als men dat te Arnhem verstaat...in plaats van al die grimmige bastions en eenzame hooilanden, singels en wandelingen kunnen aanleggen, ...in elk geval vreemde bezoekers, en met hen, vertier en kapitalen en nieuwe handelsondernemingen zouden op deze wijze naar haar kunnen toestromen, maar nu komt er niemand: en Nijmegen gaat hard achteruit. 17)

Voor moderne industrie of nieuwe huizen was binnen de muren geen plaats en buiten de muren mocht niet gebouwd worden omdat volgens de Kringenwet van 1853 er een vrij schootsveld rond de stad moest zijn. Dit was ook de reden dat Nijmegen geen toestemming kreeg voor een verbinding met de rest van het land via het nationale spoorwegnet. Wel werd er een spoorlijntje naar Kleef aangelegd. Het houten stationnetje hiervan was het enige gebouw dat buiten de muur mocht worden gebouwd. Binnen de muur leefde de snel groeiende bevolking steeds dichter op elkaar, waardoor epidemieën snel de kop konden opsteken. Ruimte was schaars en oude gebouwen die overbodig waren, zoals de Burchtpoort in 1826 en de Wiemelpoort in 1860, werden afgebroken. 18)

Het zal dan ook niet verwonderen dat binnen de stad veel oppositie was tegen de vestingstatus. Vooral liberale ondernemers waren de drijvende kracht hierachter. Regelmatig verschenen er pamfletten waarin gepleit werd om de vestingstatus op te heffen. Bekende pamfletten waren; ‘Troostrede aan het oude Nijmegen’ van de president van de rechtbank J.J.L. van der Brugghen , ‘De noodzakelijkheid van de sloping van de vestingwerken van Nijmegen’ van oud tweede kamerlid T.J. Stieltjens en ‘Nijmegen als vesting of bruggenhoofd’ van tweede kamerlid C.J.A. Heydenrijck. Hieronder staat uit dit laatste een fragment.

...Zal de vijand niet gelijk naar Amsterdam trekken in plaats van nog even langs Nijmegen te gaan. Wat is de functie van de oude muur ? Kan niet volstaan worden met enige forten ? of ... is het behoud van Nijmegen als bruggehoofd, ter verdediging van Waal, van over de Betuwe, van de IJssellinie, of van wart ook, noodzakelijk... 19)

Er waren echter ook velen die voor behoud waren. Vooral de middenstand, die inkomstenverlies vreesden. 20) Zij waren soms direct afhankelijk van het leger. Maar vaak ook indirect, doordat de soldaten hun soldij in de stad uitgaven. Met een garnizoen dat soms een vijfde van de bevolking bedroeg, was dit een belangrijke inkomstenbron. 21) Volgens de heer van Brughhen zouden echter de voordelen veel groter zijn dan de nadelen. 22) In 1852 was echter nog niet iedereen hiervan overtuigd, zie onderstaande.

.. In de maand April werd door eenige ingezetenen dezer gemeente een verzoekschrift opgesteld aan Z.M. den Koning, om opheffing der vesting Nijmegen. Dit voorstel lag van 13-17 October ter teekening in den Schouwburg, doch vond geen algemeenen bijval. Men misvatte nog geheel het belang van zulk een maatregel. 23)

Uiteindelijk besloot de Staten-Generaal in 1874 de vestingstatus van Nijmegen op te heffen. Dit gold ook voor onder meer die van Den Bosch en Maastricht. Groot feest volgde. Het waren echter niet de petities van de Nijmegenaren geweest, die de doorslag hadden gegeven, maar de kosten in onderhoud en de veranderende manier van oorlogvoering. Zo was in de Frans Duitse oorlog van 1870 gebleken dat de rol van vestingsteden was uitgespeeld. Grote vestingsteden waren moeilijk te verdedigen en als ze niet ingenomen hoefde te worden trokken legers er gewoon langsop. De nadruk kwam meer te liggen op het beschermen van strategische plekken, zoals rivierovergangen en riviermonden. Dit was gemakkelijker, goedkoper en leverde de vijand meer problemen op.


Vijf stedenmaagden van vestingsteden smeken minister van oorlog, generaal M. D. de graaf van Limburg Stirum hen te ontmantelen. 24)

De uitleg

Een industriestad zou Nijmegen nooit worden, daarvoor was de opgelopen achterstand te groot. Daarom werd besloten zich bij de stadsuitleg te richten op het binnenhalen van rijke burgers, bijvoorbeeld oud-indiëgangers. Deze hadden hun fortuin gemaakt in Indonesië en kwamen naar Nederland terug om van hun oude dag te genieten. Een driemanschap bestaande uit gemeenteraadslid J.H. Graadt van Rogge en de wethouders H.L. Terwindt en W. Francken werd aangesteld om de ontmanteling in goede banen te leiden. Ook waren zij verantwoordelijk voor de aansluiting van Nijmegen op het nationale spoorwegnet. Deze vond al in 1879 plaats. De uitleg werd pas in 1910 voltooid. Vergeleken met 1878 was de totale bebouwde oppervlakte van de stad toen verdrievoudigd.


Nijmegen rond 1910.

Nijmegen was een van de weinige steden in Nederland waarbij de stadsuitleg geheel gepland werd. De stad kreeg een brede halve ringweg die tot op heden functioneert. Door de komst van de auto is het beeld wat verloren gegaan. Maar nog steeds kun je de statige huizen en brede singels, de negentiende eeuwse schil, zien, die toen zijn gebouwd. Van de oude vestingwerken bleef echter weinig over. In 1876 werd de Hezelpoort als eerste gesloopt en als laatst werd het fort Kijk in de Pot in 1894 afgebroken. Want de eindelijk uit hun beklemmende keurslijf bevrijdde Nijmegenaren rekenden maar wat graag voor eens en altijd met de vestingwerken af.

Conclusie

Tot 1591 was de belangrijkste functie van de vestingmuur het beschermen van de inwoners van de stad. Daarnaast had zij een symbolische waarde. De min of meer onafhankelijke positie van de stad werd er door ondersteund. Na 1591 veranderde dit. De stad werd minder onafhankelijk. Zij ging immers tot de Republiek behoren en de vestingwerken dienden in de eerste plaats om de Republiek te verdedigen en niet om de inwoners van de stad te beschermen. Dit bleek onder andere uit het gegeven dat vanaf dat moment de Staten Generaal verantwoordelijk was voor nieuwe vestingwerken. Het valt op dat het onderhoud aan en de vernieuwing van de vestingwerken vaak te wensen overliet. Waardoor tegen de steeds betere artillerie weinig kon worden uitgericht. Hierdoor verliest de vestingstad uiteindelijk zijn functie.

Deel II

Inleiding

Deel II gaat over de functie van de overgebleven vestingwerken. In de eerste plaats over de muurfragmenten in de parken. Maar ook over twee forten aan de overkant van de Waal, de vernietiging van een muur uit de Romeinse tijd en de merkwaardige ontdekking van een deel van een Middeleeuwse toren. De meeste aandacht zal echter uitgaan naar een plan om aan de overkant van de Waal het oude fort Knodsenburg te herbouwen.

Het Kronenburger- en Hunnerpark

Ondanks de sloopwoede van de Nijmegenaren werd niet alles gesloopt. Delen bleven bewaard als onderdeel van twee parken: het Hunner- en het Kronenburgerpark. Zij ontstonden omdat Nijmegen, in navolging van Parijs, ruim opgezet. Naast brede singels en statige huizen moest er ook ruimte komen voor recreatie.

Het mooiste voorbeeld is het in Engelse landschapsstijl aangelegde Kronenburgpark, dat ontworpen is door de Leuvense tuinarchitect Liévin Rosseels. In het park zijn kunstmatige hoogteverschillenen en een grote vijver aangelegd. Ook is er een hertenkamp en een volière. In plaats van ruines aan te leggen, wat in die tijd gebruikelijk was, werden op aandringen van de Rijksadviseur voor de monumentenzorg een stuk muur, een bastion, een rondeel en de imposante Kronenburgertoren uit 1425 in het ontwerp opgenomen. 25)  Wel kreeg de muur een romantischer, meer vervallen uiterlijk. In het bastion zit nu een paddestoelenkwekerij en in de Kronenburgertoren, was tot voor kort een keukenmuseum gevestigd.

Het meer geometrisch aangelegde Hunnerpark is een ander voorbeeld, dat ook door Liévin Rosseels is ontworpen. Oorspronkelijk was het park veel groter, maar door de aanleg van de Waalbrug en het Keizer Lodewijk plein, dat later Trajanusplein is gaan heten, in de jaren veertig, is een groot deel verloren gegaan. Ook hier is een stuk muur bewaard gebleven. Deze is niet helemaal oorspronkelijk. Een deel is eerst gesloopt en daarna weer opgebouwd, alleen nu voorzien van enkele romantische elementen zoals bogen. Verder staat in het park nog de statige Belvedère. Een niet te missen toren voor iedereen die Nijmegen per auto uit het noorden nadert. Over de Belvedère doet het verhaal de ronde dat zij haar naam aan de hertog van Parma te danken heeft. Die, toen hij vanuit deze toren het uitzicht zag, zou hebben uitgeroepen Bel vedere, dat “mooi uitzicht” betekent. In ieder geval verloor de toren al snel zijn oorspronkelijke functie van uitkijktoren en werd zij door de Nijmeegse notabelen gebruikt als sociëteit. Tegenwoordig is er een restaurant in gevestigd.

De forten Sprokkelenburg en Nieuw Knodsenburg

Ook de forten Sprokkelenburg en Nieuw Knodsenburg bestaan nog. Zij zijn inmiddels monument en liggen aan de overkant van de Waal. In 1832 waren de plannen voor de bouw er al maar pas in 1862 werden ze gebouwd. Oorspronkelijk was hun voornaamste functie de bescherming van Nijmegen tegen aanvallen uit het noorden. Na de ontmanteling veranderde dit. Nu moesten ze de rivier bewaken. De grote rivieren in Nederland vormden namelijk natuurlijke verdedigingslinies, die, zo dacht men tenminste nog aan het begin van de twintigste eeuw, elke tegenstander de nodige problemen zouden geven. Tijdens de Eerste wereldoorlog waren hier gedurende vier jaar troepen gelegerd. Aan het begin van de Tweede zaten er dienstplichtige soldaten en politietroepen.

Fort Sprokkelenburg was oorspronkelijk een bomvrije kazemat met natte gracht er omheen en daarvoor een aarden wal. Na de tweede wereldoorlog werden hier zinkstukken en munitie opgeslagen. Deze was bedoeld om dijken op te blazen zodat grote gebieden onder water gezet zouden kunnen worden. Hierdoor zou de zogenaamde IJssellinie ontstaan. Door de Rijn bij Arnhem tegen te houden zou zich tussen Nijmegen en Zwolle een watervlakte vormen van 20 km breed. Die bedoeld was om een eventuele Russische aanval af te remmen. Het fort werd al in 1959 ontmanteld, alhoewel het plan voor de IJssellinie pas in 1968 de prullenbak in ging. Tegenwoordig is fort Sprokkelenburg beter bekend als het Wijnfort. Dit komt omdat in de jaren tachtig een wijnimporteur zijn activiteiten vanuit het fort ging ontplooien. Hij bracht een overkapping aan zodat er een grote binnenruimte ontstond. Inmiddels worden hier onder andere bruiloftsfeesten gehouden.

Nieuw Knodsenburg was een nagenoeg vierkante aarden redoute met een natte gracht en op de open binnen plaats een bomvrij magazijn. Een tunnel in de wal en een ophaalbrug vormden de verbinding met de buitenwereld. Het ligt verscholen achter hoge bomen. De twee bunkers die op het terrein staan zijn al sinds 1963 gekraakt en worden door twee gezinnen bewoond. Op het terrein komen veel bijzondere planten en dieren voor. Daarom is het sinds kort eigendom van staatsbosbeheer.

Vondsten

Op de bovengenoemde vestingwerken na is er weinig meer over dat aan de vestingstad herinnert. Alleen straatnamen, zoals Eerste en Tweede Walstraat en Fort Kijk in de Potstraat herinneren nu nog aan de muren en forten die er ooit hebben gestaan. Alles werd gesloopt op twee kleine in onbruik geraakte poortjes onder huizen aan de Waalkade na. Vroeger hadden deze gediend om spullen van de kade de stad in te brengen. Een van de twee, de Besienderpoort is dichtgemetseld. Het andere, het St. Anthoniuspoortje, dat door de ophoging van de Waalkade in onbruik was geraakt en op de plek zou liggen waar Maarten Schenk had geprobeerd de stad binnen te komen, is uitgegraven en opgeknapt en voorzien van een plakkaat dat herinnert aan de aanslag van Maarten Schenk.

De poortjes ontsnapten waarschijnlijk aan de sloopwoede doordat ze onderdeel van huizen zijn. Recent bleek dat dit niet de enige vestingwerken zijn geweest die op deze manier aan de sloopwoede ontsnapt zijn. Tot grote verbazing van velen kwam in 1987 bij de sloop van een huis aan de Waalkade de voet van een verdedigingstoren uit de veertiende eeuw, de Stratemakerstoren, te voorschijn. Dit was oorspronkelijk een bij de Veerpoort, de belangrijkste poort van de kade naar de stad, gelegen hoge toren, die na de komst van het kanon werd afgevlakt om dienst te doen als bastion. Dit bastion was vanaf de Franse tijd verborgen geweest omdat er een huis omheen was gebouwd. Inmiddels is zij opgeknapt en is er een museum gevestigd.

Een andere vondst aan de Waalkade is die van een muur van vijftig meter lang en twee meter hoog, uit de Romeinse tijd. Historisch gezien is dit een belangrijke vondst omdat hiermee bewezen is dat Nijmegen in de Romeinse tijd helemaal of gedeeltelijk ommuurd was. De muur kon echter niet bewaard worden en moest wijken voor een nieuw Casino. Alleen een klein stukje is nog te zien. Dit ligt onder het Casino en via ramen aan de voor- en achterzijde van het gebouw kan hier naar gekeken worden.

Fort Knodsenburg

In het kader van de Waalsprong, een nieuwbouwproject aan de overkant van de Waal tegenover Nijmegen, bestaat er een plan, zie hieronder, om op de plek waar vroeger, ongeveer 200 jaar geleden, het fort Knodsenburg stond, een moderne versie te bouwen. Dit zou dan symbool kunnen staan voor de onderlinge band, die er altijd al is geweest, tussen het dorp Lent, dat aan de overkant van de Waal ligt, en de stad Nijmegen. Het gedeelte van Lent dat het dichtst bij Nijmegen lag, Veur Lent, maakte lang, tot de gemeentewet van 1851, deel uit van Nijmegen. Voordat de Waalbrug in 1936 gebouwd werd vertrokken van hier veren en later de gierpont naar de overkant. Ook begon hier een kanaal dat naar Arnhem liep. Later is dit dichtgegooid en is er een snelweg overheen gelegd. Misschien omdat er geen vaste oeververbinding was bleef Lent altijd een dorp en werd nooit een voorstad, zoals bijvoorbeeld Wyck bij Maastricht wel werd.

Waalsprong nieuws Nummer 1 december 2000

Fort Knodsenburg ...In de Waalsprong werd het idee opgenomen om met deze historische plek iets te doen. Het fort dient nu als inspiratiebron voor nog te realiseren bebouwing. Naar de manier waarop de bebouwing zal worden vormgegeven is een uitgebreide studie verricht. Een begeleidingsgroep met daarin vertegenwoordigers van een aantal historische verenigingen, de stichting Lent 800, de Grond Exploitatie maatschappij Waalsprong en deskundigen van de gemeente Nijmegen kwamen uiteindelijk met een gezamenlijk plan. ... De kern van het fort, de zogenaamde binnenschans, zal worden bebouwd, waarbij een aantal varianten mogelijk zijn. ... de bedoeling is dat het nieuw ‘fort’ niet alleen een woonfunctie krijgt, maar dat er ook ruimte is voor bijvoorbeeld ateliers, werkruimtes, horeca en cultuur. ....

Het plan heeft enige kritiek gekregen van de historische vereniging Lent die stelt dat het fort zo veel mogelijk gereconstrueerd moet worden. Oorspronkelijke bouwtekeningen bestaan er echter niet. Wel zijn in het rijksarchief in Den Haag enkele bovenaanzichten te vinden. 26) Samen met bouwtekeningen van vergelijkbare forten moet daarmee een redelijke historische reconstructie mogelijk zijn. Voor projectontwikkelaars en de gemeente lijkt dit echter geen aantrekkelijke optie omdat een dergelijk fort vrij functieloos is. Zij willen liever een modern fort waarin allemaal kleine winkeltjes en woningen een plek krijgen. 

Het bovenstaande probleem is interessant omdat het telkens terugkomt wanneer er sprake is van herbouw van gebouwen uit het verleden. Zo heeft in Nijmegen enkele jaren geleden een heftige discussie gespeeld over herbouw van de Valkhofburcht. Waar zelfs de toenmalige staatssecretaris van cultuur, Aad Nuis zich via een open brief mee bemoeide. 27) Of het in dit geval ooit tot een echte discussie komt is nog maar de vraag. Er is namelijk een derde partij die moeite heeft met het plan. Niet op grond van historische, maar op grond van praktische argumenten.

Deze derde partij is Rijkswaterstaat. Om de kans op overstromingen te verkleinen willen zij de grote rivieren verbreden. Bij Nijmegen, waar de rivier toch al smal is, is daarom geen plaats voor een nieuw fort dat, als het op de oorspronkelijke plaats komt, de doorgang juist versmalt. Inmiddels heeft de gemeente al toegezegd dat ze akkoord zullen gaan met de plannen van Rijkswaterstaat. 28) Dit hoeft echter nog niet het einde van de discussie te betekenen want om het fort toch te kunnen bouwen is al een alternatief plan met een zogenaamd stadseiland ontwikkeld. Dit zou dan midden in de Waal komen te liggen en alleen de binnenkant, dus niet de buitenzijde met de aarde wallen, zou in dit geval gebouwd worden.

Conclusie

De huidige functie van de vestingwerken is gevarieerd. Samenvattend kan gesteld worden dat de meeste werken een recreatieve functie hebben. Als decor in de parken en als onderdak voor twee musea, een restaurant en een feestruimte. Voor de St. Athoniuspoort en de resten van de Romeinse muur gaat dit niet op. Hun functie is toch vooral het levend houden van het verleden. Ook het fort Nieuw Knodsenburg heeft een andere functie, namelijk die van woon- en natuurgebied. Wat de functie van een eventueel herbouwd fort Knodsenburg wordt is nog niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk word het een commerciële functie, in de vorm van winkels, maar een woonfunctie is ook mogelijk.

Slotbeschouwing

In dit artikel is geprobeerd om duidelijk te maken hoe de functie van de vestingwerken in de loop van de tijd is veranderd. Was zij vroeger vooral bedoeld ter verdediging, tegenwoordig lijkt zij steeds meer de recreatie te dienen. Omslagpunt lijkt het jaar 1874 te zijn, toen de ontmanteling van Nijmegen plaatsvond. Toch is dit niet helemaal waar. Immers al in de zeventiende eeuw liepen veel Nijmegenaren een rondje over de stadsmuur. Ook bleven de forten Sprokkelenburg en Nieuw Knodsenburg tot in de twintigste eeuw actief.

Het herbouwplan van Fort Knodsenburg is een volgende stap. Verdedigingswerken worden in dit geval niet herbruikt, maar opnieuw ontworpen. Voor het verdedigingswerk betekend dit een nieuw hoofdstuk, maar of de historische sensatie zo ook behouden blijft is de vraag.

Begrippenlijst 29)

Bastion (Bolwerk): Vijfhoekige gemetselde of aarde uitbouw van een verdedigingsmuur of wal.

Buitenwerken: Verschillende soorten verdedigingswerken los van de hoofdwal, doch wel omsloten door een met een aarde wal of borstwering bedekte weg die de vesting omgeeft.

Fort: Naar alle zijden verdedigbaar, gesloten vestingwerk, waarvan de verdediging zelfstandig kan worden uitgevoerd.

Kringenwet: Deze hield in, dat buiten de wallen en grachten - tot een zekere afstand - niet mocht worden gebouwd en geen zware begroeiing mocht worden geplant: zg. verboden kringen.

Lunet: Een afzonderlijk, breed, ondiep werk met twee facen, die naar binnen gebroken zijn, waardoor twee flanken ontstaan; in de keel open, dan wel op eenvoudige wijze beveiligd.

Schans: Een zelfstandig, aarden verdedigingswerk, dat van zeer uiteenlopende vorm kan zijn.

Vesting: Versterkte stad of versterkte legerplaats met permanente militaire bezetting.

Noten

1) Jo Tollebeek en Tom Verschaffel gebruiken dit begrip in hun boek, De vreugden van Houssaye, Apologie van de historische interesse, Wereldbibliotheek, 1992 Amsterdam. Op pagina 18 citeren zij Huizinge die stelde dat historische sensatie kon worden opgewekt door ... een direct, een haast zintuiglijk contact met het verleden ... .

2) Alle kaarten zijn afkomstig uit de Stede-atlas van Nijmegen. Pagina 78, 84, 91, 142, 143 en 145.

3) Het ontwerpen van verdedigingswerken wordt vanaf deze tijd steeds meer een ‘wetenschap’ uitgevoerd door ingenieurs.

4) Uit: Lentse bekoring. Pagina 102.

5) Dit is de uitleg die de vroegere stadsarchivaris Van Schevichaven in Lentse bekoring geeft. Pagina 103. Er zijn echter ook andere versies in omloop. Zo staat in de Waalsprong special, pagina 11, dat de Katholieke burgers die de protestanten enkele jaren eerder de stad uitgegooid hadden knotsen droegen. En in Een oude vechtjas , pagina 21, dat op de oorlogsbanier van Nijmegen twee knotsen stonden.

6 ) De getallen met betrekking tot Knodsenburg komen uit Lentse bekoringen. Alle andere getallen in deel I komen uit Een oude vechtjas. Tenzij anders vermeld. Meestal komen de getallen, in de bestudeerde boeken overeen, alleen in dit geval staat in Een oude vechtjas, op pagina 22, 500/600 man. Omdat er geen bronnen worden vermeld en ook een klein onderzoekje in het stadsarchief niets opleverde heb ik voor de aantallen van de vroeger stadsarchivaris gekozen.

7) Bij de verdediging van de Republiek werd gebruik gemaakt van het water. De rivieren waren natuurlijke obstakels. Bovendien kon land onder water worden gezet.

8 ) Uit: Vloten J. van. Nederlandsche geschiedzangen, II, Pagina 314-318.

9) Uit: Lentse bekoring. Pagina 108.

10) Naar verluid was Nijmegen vergeleken met andere vestingsteden nog redelijk op peil.

11) Uit: Stede atlas van Nijmegen. Pagina 139.

12) Sightseeing Nijmegen ca. 1730. Uit: Nijmeegs Katern 14, april 2000. Pagina 14-17.

13 ) Het is niet helemaal duidelijk wanneer het fort definitief zijn functie verloor en in verval raakte. In Lentse bekoring staat, op pagina 11-12, dat het fort in 1740 al helemaal vervallen was maar in 1794 nog eenmaal in staat van verdediging werd gebracht.

14) Uit: Nijmegen Kroniek van de 19e eeuw. Pagina 14.

15) Uit: Nijmegen Kroniek van de 19e eeuw. Pagina 26.

16) Uit: Iets over Nijmegen als vesting. Pagina 1.

17) Uit: Iets over Nijmegen als vesting. Pagina 7.

18) De Valkhofburcht was al in 1796 om financiële redenen gesloopt.

19) Uit: Nijmegen als vesting of bruggehoofd. Pagina 6.

20) Maar.... dat schrikbeeld is het mogelijk verlies van het garnizoen ! Als Nijmegen geen vesting meer is, dan gaat het garnizoen weg, en dan ja, dan zijn wij geheel verloren ! ... ... Wee dan uwe slagters, uwe bakkers, uwe wijnkoopers, uwe winkeliers, en bovenal, uwe arme stadskas, en hare accijnsen !” Uit: Iets over Nijmegen als vesting Pagina 19.

21) Uit: Binnen de vesting Nijmegen. Pagina .41-43.

22) Uit: Iets over Nijmegen als vesting. Pagina 19.

23) Uit: Nijmegen Kroniek van de 19e eeuw. Pagina 39.

24) Uit: Vesting, vier eeuwen vestingbouw in Nederland. Pagina 182. Oorspronkelijk stond de afbeelding in de Nederlandse Spectator nummer 50 uit 1872.

25) Uit: Stad aan de Waal, Nijmegen van Romeinse tijd tot moderne tijd 1984. Pagina 107.

26) Algemeen rijksarchief, Den Haag. Microfiche N117 (4,OPV) 1748.

27) Advies herbouw. KNOB ISBN o166-0470 jaargang 96-97 no.3/4. Pagina’s 84-102, 126-129, 135-136.

28) Februari 2000... Desondanks heeft het gemeentebestuur aangegeven dat ze zich bij beide besluiten van de staatssecretaris zal neerleggen. Belangrijkste redenen hiervoor zijn: het nationale belang dat met de aanpak van de flessenhals bij Nijmegen wordt gerealiseerd. Daarnaast is het van enorm belang dat op deze manier de onzekerheid rond het totale Waalspronggebied verdwijnt...

Uit: www.nijmegen.nl/nieuws/dijkverlegging/index.html (de officiële site van de gemeente Nijmegen)

29) De gehanteerde omschrijvingen zijn afkomstig uit: Vesting, vier eeuwen vestingbouw in Nederland.

Literatuurlijst

Abma, R (red.). Stad aan de Waal Nijmegen van Romeinse tijd tot moderne tijd. Dwarsstap, Nijmegen, 1984

Brok, CJF (e.a. red.). Waalsprong special. Nijmeegs katern, Nieuwsbrief 5, 12.12.1998.

Bosma, K. Waalsprong. Archis. No 9, September 1990. Pagina 17 - 23. ISSN 0921-804.

Burg, K. Fort Lent is de redding voor dijkflora, monumentaal eiland krijgt aandacht die het verdient. De Gelderlander 15.3.1990.

Gorissen, F. Stede-atlas van Nijmegen. Quint, Gouda, 1956.

Lemmens, G. en Eliens, F. ... Een oude vechtjas ... Nijmegen tweeduizend jaar vestingstad en garnizoensstad. Gem. Nijmegen, afdeling bouwkunde, 1998.

Renaud, J. Dossier Valkhof. KNOB. No.6, 1987-1988. Pagina 244 – 246. ISSN 0166-0470.

Schenkels, M. Niet goochelen met Knodsenburg, De Gelderlander 21.8.1999.

Jaspers, R. Nieuw Lent uitdaging voor stedenbouwers. De Gelderlander 29.12.2000

Schevichaven, H.D.J. Lentse bekoring, in Bijdragen en mededelingen Gelre, deel XXI, 1918. Pagina 102 – 112.

Sneep, J., Treu, H.A., en Tydeman, M. (red.) Vesting, vier eeuwen vestingbouw in Nederland. Stichting Menno van Coehoorn, De Haag, 1982.

Tummers, T. Lustverblijven zijn verrezen, schuilend in een bloemengaard. Gem. Nijmegen, afdeling beplanting, 1995.

Voorden, F. W. van, Schakels in de stedenbouw. De Walburg Pers, Zutphen, 1983.

Bronnen

Brughhen, J.J.L. van, Iets over Nijmegen als vesting. C. ten Hoet, Nijmegen, 1852.

Heydenrijck C.J.A. Nijmegen als vesting of bruggehoofd. C.ten Hoet, Nijmegen, 1867

Schevichaven, H.D.J. (Samenstelling heruitgave: Giesbertz, H.) Nijmegen Kroniek van de 19e eeuw. Stichting Historisch Huis- en Veldnamen Onderzoek Kwartier Van Nijmegen, Nijmegen, 1999. (Oorspronkelijke druk: Firma Ten Hoet, Nijmegen, 1901.)

Stieltjes, T.J., De noodzakelijkheid van de slooping der vestingwerken van Nijmegen nader aangetoond, door T.J. Stieltjes. Gebr. J. & H. van Langenhuysen, Den Haag, 1968.

Stieltjes, T.J., Is het slechten der vestingwerken van Nijmegen in het belang van ‘slands verdediging noodig ? Toestemmend beantwoord door T.J. Stieltjes. H.C.A. Thieme, Nijmegen 1868.

Internetadressen

www.gelderlander.nl

https://www.onroerenderfgoed.be/ voorheen www.monument.vlaanderen.be

www.noviomagus.nl

www.numaga.nl

www.nijmegen.nl

https://www.debastei.nl/nl voorheen www.stratemakerstoren.nl

© copyright Foppe van Gruijthuijsen

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.