Kapokfabriek

© Huib de Groot; digitale bewerking 04-08-2018 Mark van Loon/Stichting Noviomagus.nl

Bommen op Bottendaal1

De ramp in de kapokfabriek te Nijmegen van 2 oktober 1944

door Huib de Groot (Dalmsholte)


bedrijf · gebouw · verhuurd · schuilkelder · ramp · reddingswerk · rapport · verder · conclusie · noten · bronnen · reacties

Inleiding

Radiotoestellen, die kunnen worden teruggehaald
Een groot aantal personen, die vorigen jare hun radio-toestellen hebben ingeleverd, zijn thans niet meer aanwezig op het adres dat op deze toestellen was vermeld. De post kan hun de uitnoodigingen om hun toestel af te halen dientengevolge niet uitreiken. Dit is het geval van ondergenoemde personen, die dringend worden uitgenoodigd, onder overlegging van het indertijd ontvangen reçu, hun toestel af te halen aan de loods, gelegen Groesbeeksche dwarsweg 189.

Aldus een bericht in De Gelderlander van 12 oktober 1944. Het vervolgt met een alfabetische naamlijst met adressen erbij en ik lees "De Groot, Ruyterstraat 127". Op het aangegeven adres in Nijmegen waren mijn grootouders woonachtig, Huub en Sophie de Groot-Hallebeek. Wat was er gebeurd waardoor zij kennelijk in de dagen voorafgaand aan 12 oktober niet meer konden worden getraceerd?

Op 20 september 1944 werd Nijmegen bevrijd van de Duitse bezetter. Amerikaanse troepen slaagden erin de twee bruggen over de Waal te bezetten. Dat betekende echter niet dat het oorlogsgeweld was geweken. Vanaf nu begonnen de Duitsers vanuit de Betuwe de stad te bestoken. Ook trachtten zij de bruggen te vernietigen om daarmee de opmars van geallieerde strijdkrachten richting Arnhem zoveel mogelijk te bemoeilijken. Een dergelijke aanval deed zich ook voor in de eerste dagen van oktober. Daarbij werd, op de late avond van 2 oktober, de kapokfabriek, die was gelegen in de de Ruyterstraat, getroffen door één of meer bommen, waardoor het gebouw grotendeels instortte. In de kelder van het gebouw hadden meer dan 150 personen een schuilplaats gezocht tegen de luchtaanvallen. Een groot aantal van hen, onder wie mijn grootouders en één van hun kinderen met gezin, kwam bij de instorting van het gebouw om het leven. Geen wonder dat de postbode in de dagen voorafgaand aan 12 oktober veel bewoners uit de omgeving van de kapokfabriek niet meer op hun woonadres had aangetroffen.

Op 2 oktober 2012 hield Bart Janssen in het Huis van de Nijmeegse Geschiedenis een voordracht over deze ramp. Twintig nabestaanden van slachtoffers en enkele overlevenden waren daarbij aanwezig. Voor mij vormde deze bijeenkomst de aanleiding voor een speurtocht naar het hoe en waarom van de ramp. Ik had mij niet eerder verdiept in deze gebeurtenis, omdat ik lang had gedacht dat mijn grootouders bij het bombardement van 22 februari 1944 waren gedood. In mijn jeugdjaren werd weinig gesproken over de oorlogsjaren of over de familieleden die waren omgekomen.2 Dit artikel is de uitkomst van mijn zoektocht. Ik zal ingaan op de kapokfabriek als onderneming, het fabrieksgebouw, zijn functie als toevluchtsoord, de ramp van 2 oktober, de reddingswerkzaamheden en de gebeurtenissen gedurende de weken direct volgend op de ramp. Aan de slachtoffers zal ik geen of weinig aandacht besteden. Zij worden, vaak voorzien van een foto, beschreven op de website "Oorlogsdoden Nijmegen, 1940-1945".3 Bovendien bereidt Bart Janssen een boek voor, waarin hij de persoonlijke verhalen zal beschrijven van oorlogsslachtoffers uit Nijmegen uit de periode na februari 1944, onder wie ook de slachtoffers van het bombardement op de kapokfabriek, net zoals hij dat in zijn boek 'De pijn die blijft' heeft gedaan voor de slachtoffers van het bombardement van 22 februari.4

In tegenstelling tot het laatstgenoemde bombardement, is er over de ramp in het oude Bottendaal nauwelijks iets geschreven. Dat de pers van die tijd - De Gelderlander verscheen weer sinds een paar weken - de ramp totaal verzweeg, is verklaarbaar. In 1944 mocht er geen aandacht aan worden besteed. Dat de vermoedelijk twee brandbommen zoveel slachtoffers hadden gemaakt was namelijk strategische informatie. Vandaar dat er in rouwadvertenties ook bewoordingen werden gebruikt als "Door oorlogsgeweld is (...) overleden" of "(...) is door ruw oorlogsgeweld overleden". Ruim tien jaar later, toen dezelfde krant verslag deed van een raadsdebat betreffende het verlenen van krediet om het terrein van de voormalige kapokfabriek opnieuw in te richten, werd nog steeds met geen woord gerept over de geschiedenis van de plek.5 Wellicht waren de wonden toen nog niet geheeld.


Afbeelding 1. De wijk Bottendaal ligt ten zuidwesten van het Keizer Karelplein (centraal op de afbeelding). De fabriek stond ter plaatse van de letter 'e' van het woord Bottendaal op het kaartje. (Bron: www.topotijdreis.nl).

De kapokfabriek als onderneming

Op 23 november 1909 verkreeg W.C.A.H. Nieuwenhuizen, die een winkel in matrassen en beddengoed had aan de Korte Hezelstraat 42-44, een vergunning voor het "oprichten van eene door electriciteit aangedreven kapokfabriek" aan de de Ruyterstraat te Nijmegen.6 Niet lang daarna moet de fabriek zijn gebouwd. Zij was gelegen op een binnenterrein, omzoomd door de de Ruyterstraat, de Piet Heinstraat, de St. Stephanusstraat en de Jan van Galenstraat. Het postadres was de Ruyterstraat 173. De fabriek lag in de nabijheid van het spoorwegemplacement, zodat balen kapok per wagon konden worden aangevoerd. Waarschijnlijk werden in 1910 de eerste matrassen geproduceerd. In 1913 ging de kapokfabriek over in handen van A.L. van Aarssen en C.E. van Gelder.7 Dit bedrijf fuseerde op 21 maart 1916 met de firma Ouweleen & Co. te Amsterdam. De nieuwe onderneming heette 'NV Internationale Kapok Maatschappij' en had een kantoor aan het adres de Ruyterstraat 171. De onderneming had ook vestigingen in een aantal andere steden. In 1919 werd een hoogspanningsruimte gebouwd en in 1920 werd een vergunning aangevraagd voor de bouw van een garage met twee bovenwoningen (de Ruyterstraat 125-127).8 In 1927 vond nog een verbouwing plaats.9 Naast de twee genoemde woningen boven de garage, bezat de fabriek zeven arbeiderswoningen, gelegen aan de Piet Heinstraat 7-19, dus direct ten westen van het fabrieksgebouw.


Afbeelding 2. Situering van de fabriek (geel). In blauw woningen waar een of meer slachtoffers van de ramp woonachtig waren. (Bron: Collectie Bart Janssen).

Aanvankelijk gaf het bedrijf nog veel aandelen uit, maar in 1921 werd een verlies geleden van bijna anderhalf miljoen gulden, hetgeen het bedrag aan uitgegeven aandelen verre overtrof. De vestigingen in Amsterdam en Parijs werden verkocht en over Brussel en Nijmegen werd onderhandeld. Op 7 februari 1923 werd tot liquidatie overgegaan.10 Daarna werd het bedrijf voortgezet door 'Textile et Filature', een Belgische onderneming die gevestigd was in Brussel. In de adresboeken van Nijmegen van 1926 en de daarop volgende jaren stond de fabriek vermeld als 'Textile et Filature soc. an., voorheen Continent'. Na de oorlog werden plannen gemaakt om de fabriek te herbouwen, maar deze werden niet gerealiseerd. Ontwerptekeningen zijn bewaard gebleven. Met de architect, die kennelijk niet werd beloond voor zijn inspanningen, ontstond een conflict, dat juridisch werd uitgevochten.11 Na de liquidatie van 'Textile et Filature' in de jaren '50 kocht de Gemeente Nijmegen het terrein en de inmiddels verwoeste gebouwen voor een bedrag van ƒ 83.000. Het terrein werd nu stadswerkplaats en er werd o.a. bestratingmateriaal opgeslagen. Daartoe werd een klein deel van de fabriek hersteld.12

Het fabrieksgebouw

In de fabriek aan de de Ruyterstraat werd kapok verwerkt. Kapok groeit in de tropen. Het is de zaadpluis van de kapokboom en lijkt wat op katoen. Kapok is geschikt voor het produceren van kussens, matrassen en vanwege het grote drijfvermogen van dit materiaal ook voor reddingsvesten. In de fabriek in Nijmegen werden alleen kussens en matrassen gemaakt. Kapot is brandgevaarlijk en gevoelig voor broei. In kapokfabrieken ontstonden daarom regelmatig branden. Ook van de Nijmeegse fabriek is bekend dat er zeker twee maal een brand is uitgebroken, namelijk in juni 1926 en op 27 juni 1931.

Afbeelding 3. De begane grond van de fabriek. Het noorden is links. (Bron: RAN 1335, Bouwvergunningen, inv. nr. 12685)

Er zijn niet veel bronnen bewaard gebleven die nadere informatie kunnen verschaffen over de constructie en de indeling van het fabrieksgebouw. Voor zover bekend, is er slechts één technische tekening bewaard, namelijk die van de draaistroomleidingen (schaal 1:100). Deze tekening, gemaakt door de firma Piebenga te Nijmegen, bevindt zich in één van de vier dossiers betreffende de kapokfabriek van de Afdeling Bouwvergunningen. De tekening omvat plattegronden van de kelder, de begane grond en de verdieping. Hetzelfde dossier bevat een rapport van het aannemersbedrijf J.Th. Thunnissen, gedateerd 28 november 1941, betreffende het draagvermogen van de vloeren. Het moet toentertijd zijn opgesteld in verband met het voornemen om de fabriek te verhuren voor de opslag van goederen.13 Nadere gegevens betreffende het dak kunnen worden ontleend aan het rapport betreffende de ramp dat werd opgesteld door brandstoffenhandelaar J.C. (Jan) Biessels, die fungeerde als blokhoofd van de Luchtbeschermingsdienst voor blok 43, waaronder de kapokfabriek viel.14


Afbeelding 4. Binnenkant van de fabriek. Merk op dat de kolom op de achtergrond wel wat dun lijkt. (Bron: particuliere collectie).

Voor het overige is er alleen nog het verslag van de brand van 1926, gepubliceerd in De Gelderlander van 11 juni, en zijn er enkele foto's uit particulier bezit. Ondanks de beperkte informatie is het mogelijk een beeld te vormen van de constructie en indeling van het gebouw, dat over de begane grond gemeten een lengte van 53,5 en een breedte van 38 meter had. Onder de begane grond bevond zich de ruimte die als kelder werd aangeduid en boven de bebouwing op de begane grond, althans het grootste gedeelte ervan, bevond zich de eerste verdieping. Alleen bij het deel van het gebouw aan de westkant, dat wil zeggen aan de zijde van de Piet Heinstraat, ontbrak deze verdieping. Alle bouwlagen waren voorzien van ramen. Zowel in de kelder als op de begane grond, niet ver van de westelijke muur, was nog een zestal extra kolommen aangebracht. Daarmee leek de constructie van het gebouw op de begane grond aan de westzijde sterker te zijn dan op andere plaatsen.15

Afbeelding 5. De kelder van de fabriek. Het noorden is links. Bovenlangs zijn de droge gracht en de kelderramen zichtbaar. (Bron: RAN 1335 Bouwvergunningen Nijmegen, inv. nr. 12685).

De benaming 'kelder' is eigenlijk onjuist. Aan de oostzijde van deze ruimte bevonden zich ramen, 26 in totaal, die de ruimte volop van daglicht voorzagen. Die ramen keken uit op een droge gracht van 1,8 meter breed. De keermuur van deze gracht werd gesteund door betonnen balken die met het fabrieksgebouw waren verbonden (zie afbeelding 6). 'Souterrain' was waarschijnlijk een betere benaming geweest voor de kelder, die een oppervlak had van ongeveer 37 bij 30 meter en uit verschillende gedeelten bestond. Centraal in de kelder was een grote ruimte met daarin de reeds genoemde kolommen. Deze kolommen van 30 bij 30 cm waren van gewapend beton. Op de kolommen lagen balken, eveneens van gewapend beton, die de vloer van de begane grond droegen. Waar de balken waren opgelegd in de gemetselde muren waren die muren wat dikker. Aan de westzijde van deze grote, centrale ruimte bevond zich een smallere ruimte van 34 bij 8,5 meter, die door een muur van de grotere ruimte was afgescheiden. Aan de zuidzijde lagen twee kleinere ruimtes, die vanuit het centrale keldergedeelte wel bereikbaar waren. De kelder was van buitenaf toegankelijk met een trap die zich onder de grote uitbouw aan de voorzijde van het gebouw bevond. Dat was de laad- en losplaats. Inpandig was er een toegang vanuit de lange gang op de begane grond die de grootste fabrieksruimte in tweeën verdeelde. De grote, centrale ruimte van de kelder werd tijdens de Tweede Wereldoorlog als schuilplaats gebruikt.


Afbeelding 6. De fabriek omstreeks 1935. De oostgevel met de 'droge gracht'. Enkele kelderramen zijn nog juist zichtbaar. Rechts op de achtergrond het huis van mijn grootouders (de Ruyterstraat 127). (Bron: particuliere collectie)

Wat het dak betreft, valt uit bovengenoemde tekening op te maken dat er nauwelijks sprake was van een ondersteunende constructie. De kortste overspanning moet 20 meter zijn geweest en de binnenmuren van de verdieping waren geen dragende muren. Dat duidt op een tamelijk licht dak (afbeelding 7), dat waarschijnlijk ook van beton was. Dat lijkt enigszins te worden bevestigd door het bovengenoemde rapport van Jan Biessels, waarin het volgende werd opgemerkt.
De opruimingswerkzaamheden waren zo moeilijk, doordat er 3 tot 4 gewapende betondaken boven op elkaar waren gestort, waartussen slechts kleine openingen waren, gevuld met opgeslagen houtplaten, meubelen, kapok, aardappelen, stroo en andere goederen. ( ) Over eventuele constructie fouten bij de bouw wil ik, als niet bouwkundige, zwijgen. Vele deskundigen hebben mij hierop echter gewezen en verwijs U daarom naar deze personen.16

Biessels sprak over een aantal betondaken, maar wellicht had hij daarbij ook de vloeren van de begane grond en van de eerste verdieping op het oog. De geciteerde passage is om nog een andere reden informatief. Er wordt namelijk verwezen naar een deskundigenoordeel, dat het gebouw constructiefouten had. In geen enkele andere bron wordt dit met zoveel woorden gesteld.

Op grond van het hierboven genoemde rapport van Thunnissen uit 1941 valt ook nog iets te zeggen over het draagvermogen van de vloeren. De rapporteur uitte daarin namelijk zijn twijfels omtrent de draagkracht van een deel van de vloer van de begane grond. Kennelijk waren er openingen geweest in deze vloer, maar was het onduidelijk hoe die waren gedicht. Omdat men voornemens was op de begane grond aardappels op te slaan, adviseerde Thunnissen om de dragende balken van de constructie te stutten. Voorts wees hij nog op de geringe draagkracht van de verdiepingsvloer en adviseerde hij om bij verhuur in het huurcontract vrijwaringen op te nemen. De vloer werd expliciet ongeschikt geacht voor papieropslag.17 Het is onbekend of de aanbevolen verstevigingen ook daadwerkelijk werden aangebracht.18
Op 27 juni 1931 heeft een zeer grote brand gewoed in de hele kelder van de fabriek. De dag daarop hebben diverse kranten daar uitgebreid verslag van gedaan. Het voltallige brandweerkorps van de gemeente Nijmegen is bij de blussing, die ruim vijf uur duurde, ingezet. De hele kelder lag vol met meer dan 400 balen kapok die uiteindelijk brandend in het bluswater rond dreven. Ik acht het goed mogelijk dat deze brand onzichtbare schade aan de constructie van het gebouw heeft veroorzaakt.

Afbeelding 7. Rechts midden is de fabriek te zien, herkenbaar aan de tentvormige lichtstraat op het platte dak. Datering onbekend. (Bron: Collectie Bart Janssen).

De fabriek verhuurd

Vermoedelijk in 1941 kwam de fabriek stil te liggen. Waarschijnlijk was het gebrek aan grondstoffen de oorzaak. Daarop werd besloten de fabriek te verhuren. Uit de aantekeningen in dik potlood op de hiervoor al besproken tekening wordt duidelijk, welke ruimtes werden verhuurd en aan wie. De Kriegsmarine huurde ruimtes links van de ingang op de begane grond en in de gang op de eerste verdieping. Het bedrijf Van den Dungen, waarschijnlijk de chocoladefabriek aan de Groenestraat, huurde drie ruimtes op de eerste verdieping.19 De 'Vereeniging ter Behartiging van den Nederlandschen Aardappelhandel' (VBNA) beschikte over de kelder en het middendeel van de begane grond voor de opslag van aardappels.20 Verder bevond zich op de verdieping nog een meubelopslag van het bedrijf 'De Meubelhal'. Blijkens de genoemde potloodaantekeningen waren twee ruimtes op de begane grond nog in gebruik als machineruimte, terwijl één ruimte op de eerste verdieping in gebruik was 'voor eigen beheer'. Wat met dit laatste precies werd bedoeld, is niet duidelijk. Uit het dagrapport van 19 oktober, opgesteld op de commandopost van de Luchtbeschermingsdienst, blijkt verder dat ook de begane grond, vrijwel zeker in het westelijk deel van de fabriek, meubels waren opgeslagen.21 Het hierboven geciteerde rapport van Jan Biessels sprak ook over aardappels, houtplaten, stro en kapok. Een deel van de fabriek zal ten tijde van de ramp dus nog in gebruik zijn geweest voor opslag. Welk deel is niet duidelijk. Het enige wat met zekerheid vaststaat, is dat de kelder leeg moet zijn geweest.

Een schuilkelder voor Bottendaal

Veel huizen in de wijk Bottendaal konden de bewoners geen afdoende schuilplaats bieden tegen het oorlogsgeweld dat eind september was losgebarsten. De huizen aan de Trompstraat bijvoorbeeld hadden houten vloeren en geen kelder met stenen gewelf. Dat gold zowel voor de oostzijde van de straat waar een rij boven- en benedenwoningen stond, als voor de westzijde waar huizen stonden met boven de begane grond een zolder met mansardekap. Voor een veilig heenkomen bij luchtaanvallen waren de bewoners aangewezen op schuilkelders. Een grote schuilkelder bevond zich onder de Dobbelmanfabriek, gelegen aan de Graafsedwarsstraat. In deze ruimte waren na het bombardement van 22 februari 1944 ook zo'n 60 à 70 gewonden opgevangen.22 De Luchtbeschermingsdienst zou ook toestemming hebben gegeven om de kelder onder de kapokfabriek als schuilkelder te gebruiken,23 maar de kelder was niet officieel daartoe aangewezen, laat staan als zodanig gekeurd. In de rapporten van keuringen van particuliere schuilkelders en de controlerapporten van die kelders, komt de kapokfabriek niet voor24 en in een kort rapport van het 302/A Detachment, gedateerd op 4 oktober 1944, wordt met zoveel woorden gesteld dat de schuilkelder niet officieel als zodanig was goedgekeurd.25

Tot de komst van de geallieerden was het fabrieksterrein overigens verboden gebied geweest voor de omwonenden, hetgeen wellicht verband hield met de verhuur aan de Kriegsmarine en de opslag van een grote hoeveelheid aardappels. Ook tijdens het gebruik als schuilplaats was het de buurtbewoners niet toegestaan de begane grond en de verdieping te betreden. Volgens een getuige van destijds zou de kelder geen ramen hebben gehad,26 maar dat kan niet juist zijn. Waarschijnlijk leek dat maar zo, omdat de ramen met schotten waren verduisterd.27 Dat zou al gebeurd kunnen zijn, toen de aardappels in de kelder werden opgeslagen. Die moesten immers droog, koel en vooral donker worden bewaard. Het feit dat de ramen vanuit de kelder niet zichtbaar waren zal waarschijnlijk het gevoel van veiligheid hebben vergroot.

Volgens de eerder genoemde ooggetuige van destijds moet het een beetje een bende zijn geweest in de kelder, waarin de mensen niet alleen 's nachts maar indien nodig ook overdag verbleven. Van enige organisatie was geen sprake en er werd niet schoongehouden. In het midden van de kelder werd een vrij breed pad vrijgehouden als vluchtroute. Aan weerszijden daarvan bevonden zich de slaapplaatsen. Ieder gezin had zijn eigen plekje, waar met dekens en stro of matrassen een slaapplaats werd ingericht. Toiletten ontbraken. Als het even rustig was, ging men snel even naar huis. Het elektrische licht in de kelder functioneerde veelal niet. De bewoners gebruikten dan hun verduisteringslamp. Ook dit wijst erop dat de ramen met schotten waren afgedicht. Doordat op veel plaatsen in de stad de waterleiding was beschadigd, was er maar af en toe drinkwater in de kelder. Ieder gezin zorgde voor zijn eigen voedsel, waarbij het weinige dat er was met buurtgenoten werd gedeeld.28 De meeste personen die hun toevlucht zochten in de kelder van de kapokfabriek, waren woonachtig in Bottendaal. Soms werden zij vergezeld van familieleden die elders in de stad of buiten Nijmegen woonden. Een enkel gezin was ervoor gewaarschuwd, dat de kelder niet al te veilig zou zijn. Het gezin Staring besloot daarop de kelder te verlaten. De familie Claassens, die ook gewaarschuwd was, verkoos te blijven. Alleen de vader van dit gezin overleefde de ramp.

De ramp van 2 oktober 1944

Afgezien van het bombardement van 22 februari 1944, zijn nooit zo veel inwoners van Nijmegen in één klap om het leven gekomen als bij het bombardement van 2 oktober 1944. Zoals al gezegd, de Duitsers begonnen hun offensief in de eerste dagen van oktober.29 Hun doel was niet enkel de bruggen over de Waal te vernietigen, maar ook de stad zoveel mogelijk schade toe te brengen. Voor het eerst werd de stad ook 's nachts met bommen bestookt.30 Twee oktober - het was een heldere en zonnige dag - werd de stad de gehele dag beschoten. Om een uur of zeven, in de avondschemer, begon de luchtaanval op de stad.

Het verloop van het bombardement laat zich reconstrueren op basis van verschillende bronnen. Enkele daarvan kwamen hierboven al aan de orde, zoals de dagrapporten opgemaakt op de commandopost van de Luchtbeschermingsdienst en het rapport van Jan Biessels. Daarnaast zijn er brieven bewaard gebleven van W.A. Verweij, die woonde in de Leemptstraat,31 en is er een dagboek bewaard dat moet zijn bijgehouden door één van de zusters van de sociëteit van Jezus, Maria en Jozef (afgekort JMJ), die aan de de Ruyterstraat een klooster en een meisjesschool hadden.32 Zeer informatief is ook het dagboek van C.J. (Kees) Rooijens, die hoofdverpleger was bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst en de eerste dagen van de ramp heeft beschreven.33 Uit de periode na het bombardement dateert ten slotte nog het epische verhaal van hoofdbrandmeester C.L. van Mameren, waarvan verschillende versies bestaan die waarschijnlijk tussen 1945 en 1951 tot stand zijn gekomen.34 Een zeer nauwkeurige reconstructie is echter niet mogelijk, omdat een aantal dagrapporten van de Luchtbeschermingsdienst ontbreekt en de bronnen elkaar soms enigszins tegenspreken.

Het was op de avond van 2 oktober onbewolkt en het was volle maan. Waarschijnlijk waren er drie aanvalsgolven, want het afweergeschut trad driemaal in werking, namelijk om 19.05 uur, 20.45 uur en 22.05 uur.35 De Duitsers wierpen bommen af op de stad. Die bommen waren hoogstwaarschijnlijk voornamelijk brandbommen. De zuster van de Zusters JMJ noteerde in ieder geval in haar dagboek: "om ongeveer tien uur vallen er veel brandbommen in 'n lyn over heel de stad".36 Vrijwel alle bronnen bevestigen dat er nauwelijks explosies werden gehoord en er een grote vuurgloed ontstond.37 In het dagboek van de Zusters JMJ is over het bombardement het volgende te lezen.
Maandag 2 oktober
Maandagavond beginnen weer de felle luchtgevechten boven ons hoofd, deze keer bijzonder fel. De lucht is vol van vuur en op sommige plaatsen brandt het alweer in de stad. Dan om ongeveer tien uur vallen er veel brandbommen in 'n lyn over heel de stad, ook vlak bij het klooster, voor ons huis liggen er ook, maar niet ontploft. De fabriek van Thieme recht tegenover ons vliegt in brand en het hoekhuis Jan van Galenstraat-de Ruyterstraat. Ontzettend hoog gaat de vuurgloed en in groote spanning kijken we in welke richting de brand gaat. Zal ons klooster gespaard blyven? (...) Dan wordt er op de deur gebonsd. 'n Jonge man bijna zonder kleeren sleept zyn vader naar binnen. Wat beteekent dat? Tegelyk met de brandbommen viel er een voltreffer op de kapokfabriek by ons in de straat. Heel het gebouw stortte in op de kelders, die het ook niet hielden, slechts een klein gedeelte bleef intact, waaruit zich 'n 25 menschen door een nauwe opening wisten te redden. De overige liggen onder de enorme puinen bedolven. Nog steeds werkt men aan de vrijmaking, maar het is hopeloos.

Het waren dus vooral brandbommen die op Nijmegen vielen en in mindere mate brisantbommen. Het is ook bekend dat zowel de geallieerden als de Duitsers pas tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog tot de ontdekking waren gekomen dat brandbommen meer schade toebrengen dan brisantbommen, met name aan burgerdoelen als steden. Ook omdat brandbommen minder zwaar waren en vliegtuigen er dus meer van konden meenemen, werden deze in de laatste oorlogsjaren in toenemende mate gebruikt.38

De rapporten, dagboeken en andere bronnen stemmen grotendeels overeen omtrent de plaatsen waar de branden ontstonden: het gebouw van drukkerij Thieme op de hoek van de Jan van Galenstraat en de de Ruyterstraat, de Fransestraat ter hoogte van de Pontanusstraat, Groesbeekseweg 6,39 de Leemptstraat, de Graafsedwarsstraat en het pand Burghardt van den Berghstraat 119.40 Jan Biessels noemde in zijn rapport nog de Staringstraat, Hertogstraat (binnenstad) en Eerste Volksbelang (nu Singendonckstraat). Als blokhoofd was hij daar wezen blussen. Verder noemde hij Groesbeekseweg 8, hoek St. Annastraat en van Trieststraat en de kapokfabriek.41 Kees Rooijens noemde nog de meisjes-HBS aan het Julianaplein.42 De branden ontstonden dus vooral in twee gebieden, vlak buiten de binnenstad, namelijk in de omgeving Staringstraat, Eerste Volksbelang en van Nispenstraat en in Bottendaal. In de daartussen gelegen zone waren ook wel wat branden ontstaan, namelijk aan de Groesbeekseweg en de St. Annastraat, maar lang niet zoveel. In de binnenstad, het oude centrum dat al grotendeels was verwoest, ontstonden alleen branden in de Hertogstraat en in het politiebureau en het klooster van de zusters van Hallo, die waren gelegen in de Ridderstraat. Het lijkt haast opzet te zijn geweest om buiten de binnenstad zoveel mogelijk burgerdoelen te treffen. De branden in het oosten van de stad braken al vroeg in de avond uit, die in Bottendaal waren het gevolg van de aanval die omstreeks 22.00 uur in de avond begon.43

Het is tot de dag van vandaag niet geheel zeker waardoor de kapokfabriek werd getroffen. In het dagboek van de Zusters JMJ werd gesproken van 'een voltreffer' en broeder Rooijens schreef over de inslag: "Een hevig gedreun van een zwaren bominslag overtreft al het andere lawaai."44 Waarschijnlijk werd dit gedreun veroorzaakt door het ineenstorten van de fabriek. Dat kan zijn veroorzaakt door een granaatinslag. Het dagrapport van de Luchtbeschermingsdienst maakt immers melding van granaatinslagen in de Ziekerstraat en omgeving, waardoor het bluswerk werd bemoeilijkt.45 Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat het om een brisantbom ging, maar brisantbommen worden enkel genoemd in het commentaar dat A.F. (Ab) Uijen, de verantwoordelijke functionaris die nacht op de commandopost van de Luchtbeschermingdienst, later schreef op het dagboek van Kees Rooijens.46 Het ligt meer voor de hand dat de kapokfabriek was getroffen door één of twee brandbommen, tengevolge waarvan de fabriek gedeeltelijk instortte en dat deze instorting het 'hevige gedreun' had veroorzaakt.


Afbeelding 8. Detail van een luchtfoto van Bottendaal die vermoedelijk in de jaren 20 van de vorige eeuw is gemaakt. Links staat de kapokfabriek , waar de droge gracht aan de oostzijde goed is te zien. Wat ook opvalt is de lichtstraat op het platte dak. Het zou kunnen dat de brandbommen hier doorheen in de fabriek terecht zijn gekomen. (Bron: Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie). Ook te raadplegen op de website Noviomagus.nl.

Jan Biessels meldde aan de commandopost van de Luchtbeschermingsdienst dat de fabriek door een brandbom was getroffen en de volgende dag constateerde hij dat het waarschijnlijk twee bommen waren geweest.47 Zowel in het dagboek van de Zusters JMJ als in de brieven van buurtbewoner Verweij wordt melding gemaakt van niet ontplofte brandbommen die in de straten lagen. Ook is duidelijk dat in een deel van de kapokfabriek brand was ontstaan. Even voor middernacht werd namelijk gemeld dat er lijken uit de kapokfabriek zouden komen en dat deze "als de brand zich uitbreidt" nog naar garagebedrijf Moll aan de St. Annastraat zouden worden gebracht.48 Dat alles wijst erop dat de fabriek naar alle waarschijnlijkheid door brandbommen was getroffen.

Ook de omgeving van de fabriek liep schade op. De navolgende gegevens zijn ontleend aan een rapport dat op 20-21 november 1944 is opgesteld.49 In de Piet Heinstraat, die in de directe omgeving van de fabriek lag, was relatief weinig schade, namelijk wat glasschade en lichte beschadigingen van het huis op nummer 9. Het huis De Ruyterstraat 125 en het aangrenzende huis waar mijn grootouders hadden gewoond, nr. 127, waren echter zwaar beschadigd. In de Jan van Galenstraat, gelegen ten oosten van de fabriek, waren vooral de huizen met even huisnummers, die aan de zijde van de fabriek waren gelegen, beschadigd. De huizen met oneven huisnummers hadden veel minder schade. De huizen op nummer 2 en 4 en 16a waren verwoest, die op 2a en 26a beschadigd en de overige huizen hadden glasschade. Als wij de balans opmaken voor Bottendaal, kunnen wij constateren dat vanaf 17 september 1944 tot in november 1944 13 panden waren verwoest en er 119 min of meer ernstig waren beschadigd. Ruim 110 waren onbeschadigd en meer dan 900 hadden glasschade. Opmerkelijk is dat de verwoeste kapokfabriek in het rapport geheel niet voorkomt.

Bluswerk, redding en berging

Van het bluswerk, de redding van gewonden en de berging van de slachtoffers bestaat geen chronologisch verslag. Voor zover een reconstructie mogelijk is, moet die worden gebaseerd op de bronnen die hiervoor bij de beschrijving van de ramp al ter sprake zijn gekomen.

Ten aanzien van het bluswerk bestaat er een zekere discrepantie tussen het dagrapport van de Luchtbeschermingsdienst en het relaas van hoofdbrandmeester Van Mameren. Het eerstgenoemde wijst erop dat de branden, ook die in Bottendaal, per ordonnans aan de brandweer werden gemeld en dat de bluswerkzaamheden al tegen half elf 's avonds een aanvang hadden genomen.50 Van Mameren maakt slechts melding van bluswerkzaamheden door de brandweer, geassisteerd door de vrijwillige brandweer, aan de Oranjestraat, Volksbelang, Dominicanenstraat, St. Geertruidestraat en de van Nispenstraat. Over branden in Bottendaal spreekt hij niet.51 De branden in Bottendaal blijken dan ook voornamelijk door anderen te zijn geblust, met name door de Engelsen, de blokbrandweer van de Luchtbeschermingsdienst en door burgers. Alleen één van de brieven van Verweij lijkt erop te wijzen dat de reguliere brandweer toch ook in Bottendaal actief is geweest:
Een kwartier daarna toen de brandweer kwam, had deze al niet veel meer te doen. Daarna gingen we naar de drukkerij van Tieme, waar 't ook aardig begon te knetteren. Intusschen was de brandweer een groote brand, Jan van Galenstraat hoek Ruyterstraat zoover meester dat 't niet meer kon uitbreiden ! 't Is een fabrieksgebouw, maar bijna niemand weet wat er in zit. Na geholpen te hebben bij Tieme ('t was intusschen 1 uur geweest) ben ik nog naar de Franschestraat gegaan en heb daar menschen geholpen met meubels uitsjouwen tot goed half twee.

De rapporten van de Luchtbeschermingsdienst maken echter geen melding van inzet van de brandweer in Bottendaal. Twee weken na de ramp meldde blokhoofd Jan Biessels aan zijn commandant De Bruijn dat hij op 2 oktober om 19.30 uur met de blokbrandweerwagen naar de redelijk ver buiten Bottendaal gelegen Staringstraat was gegaan om daar te helpen blussen. Daarna was hij naar de Hertogstraat in de binnenstad geweest en vandaar naar het Eerste Volksbelang. Op dat moment werd pas duidelijk dat ook in de eigen wijk, Bottendaal, branden waren uitgebroken en ging men daar bluswerkzaamheden verrichten, eerst bij Groesbeekseweg 8 en in de St. Annastraat, vervolgens in de Burghardt van den Berghstraat en laat in de avond bij de kapokfabriek.52

Wat de reddingswerkzaamheden en het bergen van de overledenen betreft zijn wij wederom aangewezen op de hierboven genoemde bronnen, met name op de handgeschreven rapporten van een drietal leiders van de commandopost van de Luchtbeschermingsdienst, Uijen, J.J. (Jacques) Bitters en J. van Delden.53 Daarnaast geeft ook het rapport van B.H. Buiting, kapitein bij de gemeentepolitie, nadere informatie.54

Broeder Rooijens arriveerde, samen met zuster Hochtenbach, als eerste bij de ramp. Hij woonde niet ver daar vandaan, aan de Evertsenstraat 25, en zat om 22.00 nog aan de avondmaaltijd. Om 22.25 uur werden de bominslagen in Bottendaal gemeld aan de Luchtbeschermingsdienst, maar voor die tijd was Kees Rooijens al op pad gegaan. Ook pater Vroom was al snel op de rampplek aanwezig en diende aan stervenden het H. Oliesel toe. Rooijens geeft in zijn dagboek een uitvoerig verslag.
De geheele fabriek is als een ruine. Het groote, door zware pijlers gedragen betondak ligt gewelfd op den keldervloer. Hier en daar komen menschen onder 't puin vandaan en kruipen door de keldergaten weer naar buiten. Nog weten wij niet hoe de situatie daar onder den grond is. De toegangen zijn dichtgevallen. Met een lantaarn in de eene hand en mijn verbandtasch in de andere, laten enkele mannen mij aan een touw neer naar beneden. Even later daalt pater Vroom langs hetzelfde touw naar beneden. Met de lantaarn zoeken wij de kelder af. Daar waar het dak den bodem raakt liggen heele rijen menschen bekneld, deels reeds overleden, deels stervende. Tot nu toe konden wij steeds nog iets doen voor de menschen die op straat werden getroffen, al was het alleen maar hen spoedig naar een ziekenhuis vervoeren. Hier echter zijn tientallen menschen - allen in doodstrijd - met hun verbrijzelde lichamen bekneld onder tonnenzware betonblokken en het eenige wat ik er aan kan doen is hen - ter verlichting van hun hevige pijnen - een morphine injectie geven en afwachten. Uit alle hoeken klinkt het gejammer tot ons door. De eene sterft na den ander (...). Ik geloof dat ik de zaak voldoende heb overzien om, althans voorloopig, een verslag uit te brengen en begeef mij naar den Hoofdpost van den L.B.D. alwaar ik den heer Uijen de situatie uiteenzet.

Om 22.40 uur kwam bij de commandopost van de Luchtbeschermingsdienst het verzoek binnen om assistentie bij het vervoer van gewonden. Er werd een Rode Kruis-auto gestuurd.55 Om 23.10 meldde Van Schijndel, medewerker van de Luchtbeschermingsdienst, echter dat er zich weinig persoonlijke ongelukken hadden voorgedaan.56 Deze mededeling bleek al snel onjuist, want even later kwam op de commandopost het verzoek binnen van broeder Jansen van de Geneeskundige Dienst, waarin wederom werd gevraagd om assistentie om gewonden uit de kapokfabriek te transporteren. Rond middernacht werd het beeld dan ook bijgesteld. Men realiseerde zich nu dat er ook doden waren gevallen in de kapokfabriek.57 Volgens het dagboek van Kees Rooijens moeten er in de eerste uren na de ramp acht tot tien gewonden uit het puin zijn gered en werden vijf overledenen geborgen. In de loop van de volgende dag, 3 oktober, werd een groot aantal slachtoffers geborgen, maar het precieze aantal is niet meer te achterhalen.

Bij de reddingswerkzaamheden werden ook gevangenen ingezet. Dat waren onder anderen NSB'ers en collaborateurs. Rooijens noemde op 3 oktober het getal van veertig. In de eerste dagen na de ramp, kwamen ook Engelse militairen nu en dan helpen. Het kostte nogal eens moeite om de gevangenen aan het werk te krijgen. Blokhoofd Biessels meldde daarover aan zijn commandant De Bruijn het volgende.
De volgende morgen 3 oct. hebben wij de werkzaamheden met spoed voortgezet, echter met veel te weinig hulp. 's Middags kwam er een troep geinterneerde N.S.B.'ers helpen. Majoor Blaauw verscheen op het terrein en droeg mij de leiding op. -Jammer genoeg waren wij met veel te weinig personeel. De geinterneerden kwamen steeds onregelmatig en veel te laat. 's Morgens waren ze er nooit voor 9.15 uur, gingen om 11.45 naar de Kazerne "om te schaften" en verschenen daarna bijv. op woensdag 4 Oct om 16.25 uur en op donderdag 5 Oct. om 13.30. Deze middag ben ik ze zelf aan de Kazerne gaan halen en moest daar op de verschillende kamers en gebouwen een ordeloosheid constateren, zoals ik nog nooit ergens heb aangetroffen. Ik kon mij niet voorstellen, dat in een gevangenkamp zulk een chaos, zulk een tuchteloosheid en smeerboel kon heersen (...). Enige malen was ik op het Arbeidsbureau, waar ik de toezegging voor 80 man kreeg. Deze kwamen eerst na verloop van enige dagen successievelijk opdagen. Zaterdagmorgen 7 Oct. hielp ons een opruimingsploeg van de L.B.D., welke om 13.00 uur door een andere zou worden afgelost. Deze verscheen echter niet (...). Enkele malen waren gedurende langere of kortere tijd enige Engelse militairen verschenen, welke met een pneumatische boor de betonplaten open boorden. Na enige dagen bleven ook deze weg. Wij deden aan alle kanten ook bij de geallieerden pogingen om technische hulp te krijgen.58

Jan Biessels ondervond dus grote personele en materiële problemen bij de bergings­werkzaam­heden. In geen enkel ander verslag of rapport is dat zo duidelijk terug te vinden. Onderstaande foto uit de collectie van het Nationaal Bevrijdingsmuseum, die bij mijn weten niet eerder is gepubliceerd, is in dit verband verhelderend. De foto werd gemaakt in noordelijke richting. Op de achtergrond rechts is het huis van mijn grootouders te zien, de Ruyterstraat 127. Daarnaast staan de houten schutting en de poort van het fabrieksterrein. Links op de foto staat een bewaker met karabijn. Overal staan plukjes mensen die met hun blote handen het werk moeten doen. Wij zien mensen in burgerkleding, voor een deel gevangenen, en medewerkers van de Luchtbeschermingsdienst die een helm dragen. Gereedschap, laat staan zwaarder materieel, is nergens te zien. Her en der is men aan het zoeken, maar erg gestructureerd lijkt dat niet te gaan. Het grootste deel van het puin lijkt in het westelijk deel van de kelder terecht te zijn gekomen. Daar zullen waarschijnlijk de meeste slachtoffers zijn gevallen.

Afbeelding 9. De rampplek begin oktober. De medewerkers van de Luchtbeschermingsdienst zijn te herkennen aan hun helmen. De gevangenen dragen burgerkleding. Helemaal links staat een bewaker met een geweer over zijn schouder. Royal Engineers zijn op deze foto niet te zien. (Bron: Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945 Groesbeek).

Kees Rooijens schrijft over de dag van 3 oktober in zijn dagboek verder nog het volgende.
In den loop van den morgen worden een veertig tal gevangenen bij de opruimings­werkzaam­heden aan de kapokfabriek tewerk gesteld, terwijl er later ook de Royal Engeneers te hulp komen (...). Later op den dag is in de kelder een begin van brand ontstaan. Door sterke rookontwikkeling en hevig granaatvuur wordt het reddingswerk zeer bemoelijkt. Een groot aantal lijken werd reeds geborgen.

In een uittreksel van het dagrapport van de Luchtbeschermingsdienst van 4 oktober lezen wij nog:
De heer Leenders van de Commandopost is de opdracht gegeven een onderzoek in te stellen in de Kapok Fabriek. Hij deelt mede dat het volgende personeel aan het werk is: Een ploeg van ongeveer 80 gevangenen, een afdeeling van de A.R.P. een afdeeling van Publieke Werken en een afdeeling van de firma Roelen en Heijnen. De technische ambtenaren Nipius en van de Wetering zijn belast met de leiding van de opruiming. Tot op heden zijn 16-18 lijken geborgen. Er is verzocht om een E.H.B.O. man om de reddingsploeg bij te staan. Commandant Schouten is er heen gestuurd met verband etc.59

Op 6 oktober was er eigenlijk geen hoop meer dat er in de ingestorte kapokfabriek nog overlevenden zouden worden aangetroffen en richtte men zich verder op het ruimen van puin en het bergen van lichamen. Dit blijkt uit het rapport van de Luchtbeschermingsdienst van die dag betreffende de vorderingen van de werkzaamheden bij de ingestorte schuilkelders.60 Het wordt bevestigd door een rapport van dezelfde dag aan het Operations Command Detachment.61 Daarin staat vermeld dat een arts, die ter plaatse was geroepen, had verklaard dat er geen mensen meer in leven zouden zijn. Bij gebrek aan lucht zouden zij om het leven zijn gekomen. Dat laatste staat op gespannen voet met het ooggetuigenverslag van Kees Rooijens en met de bewaard gebleven overlijdensverklaringen, waarin als doodsoorzaak nogal eens bedelving of verbrijzeling staat vermeld.62 Aan het einde van de middag meldde de Luchtbeschermingsdienst per telefoon aan de militaire autoriteiten dat er die dag 100 man aan het werk waren geweest en er geen doden meer waren geborgen. In het genoemde rapport wordt ook de balans opgemaakt van dat moment. Ten gevolge van de ramp in de kapokfabriek waren er nu twaalf dodelijke slachtoffers geborgen. Veertien personen waren op 2 en 3 oktober levend uit het puin vandaan gehaald en 45 personen hadden de rampplek op eigen kracht weten te verlaten.

Maar de berging was daarmee nog niet beëindigd. Op 11 oktober schrijft Rooijens in zijn dagboek dat er dagelijks nog een aantal lijken uit de kapokfabriek wordt geborgen. Dat blijkt ook uit de handgeschreven dagrapporten van Bitters, Van Delden en Uijen. In het dagrapport van 13 oktober, het eerste van de aaneengesloten reeks, is te lezen dat er die dag drie lijken van de rampplek naar Garage Moll aan de St. Annastraat zijn gebracht. Vervoer ging veelal per paard en wagen. Nabestaanden identificeerden de slachtoffers aan de hand van kleding of sieraden. Directe confrontatie met het stoffelijk overschot was vaak te pijnlijk. Uit onderstaande rapporten, opgesteld op de commandopost van de Luchtbeschermingsdienst in de periode van 15 tot en met en 25 oktober, blijkt dat stoffelijke overschotten ook werden afgehaald van het dominicaner klooster Albertinum aan de Driehuizerweg, thans Heyendaalseweg. In de kelders van dit klooster had het Wilhelminaziekenhuis na 19 september 1944 namelijk een onderkomen gevonden.
In het register van dagrapporten63 lezen we:
Rapport van Zondag 15 october 1944:
9.50 uur: Sergeant Delhaas aan de kapokfabriek meldde dat beide ploegen zijn opgekomen (40 man). Nog geen lijken geborgen. Aanwezige kisten: 9 groote en 3 kleine.
11.40: Sergt. Delhaas: werk vordert uitstekend. Tot nu toe geen lijken gevonden. Gevonden levensmiddelen in beslag doen nemen door marechaussee.
15.20: bericht van Kapokfabriek: werkzaamheden hebben goede voortgang. Er is een verkoold lijk van een jonge man gevonden. Hoofd van romp gescheiden. Identiteit nog niet vastgesteld.
15.50: Ploeg uitgezonden om opgedolven lijk bij kapokfabriek te bergen + 2 in Albertinum. Ze worden naar Moll gebracht.

Rapport van 16 october 1944:
11.20: Kapokfabriek: werk vordert prachtig. Er zijn 3 lijken gevonden: man, vrouw en een kind Verzoeke onmiddellijke verwijdering omdat ze in staat van ontbinding verkeren. Ook moet besmet beddegoed weggehaald worden.
11.45: Kapokfabriek: nog 3 lijken geborgen t.w. man vrouw en een kind. In totaal heden 6 lijken64. Verzoeke onmiddellijke verwijdering. Direct opdracht gegeven aan voerman Albers om een en ander op te halen en naar Moll te brengen.

Rapport van 17 october 1944:
11.50: Kapokfabriek: Gister nog een oude vrouw gevonden dus totaal 7; Hedenmorgen 4 lijken: man 2 vrouwen en kind.
15.00: Nog 4 onherkenbare kinderlijkjes geborgen inmiddels naar Moll vervoerd. Totaal vandaag dus 8 tot nu toe.

Rapport van 19 october 1944:
10.50: Sergeant Delhaas: in kapokfabriek een wagen met meubels van fa. Verkroost. Eigendom van mevr. Beynes. Meubels geborgen i.v.m. het omtrekken van een deel van het dak.

Rapport van 20 october 1944:
17.10: Melding Kapokfabriek: 5 lijken geborgen: 3 mannen, 1 vrouw, één kind en een arm. De lijken zijn opgehaald.

Rapport van maandag 23 october 1944:
16.30: Rapport Kapokfabriek: lijk van manspersoon H.F. Jacobs Trompstraat 43. Op 't lichaam werd gevonden f. 1022,50, ingeleverd bij recherche.

Rapport van woensdag 25 october 1944:
9.15: Rapport van Kapokfabriek: Het werk beëindigd. Ploegen worden gezonden naar Ganzenheuvel.

Het rapport van de Public Affairs Detachment

Meer licht op de bergingsoperatie en de organisatie ervan werpt een rapport van de Public Affairs Detachment (PAD), de Britse tegenhanger van de Luchtbeschermingsdienst. Het geeft inzicht in de chaotische situatie in de eerste weken na 17 september en de moeilijke omstandigheden waaronder de Luchtbeschermingsdienst moest opereren. Dit rapport had waarschijnlijk een vertrouwelijk karakter. Het is gedateerd 20 oktober 1944 en er staat 'geheim' op geschreven. Bovendien hebben zowel Bitters als Uijen dit rapport pas vele jaren later van commentaar voorzien. De reactie van Bitters is gedateerd op 5 december 1953. Dat kan een aanwijzing zijn dat het rapport tot kort voor die tijd niet openbaar was. Het rapport was ondertekend met 'Edw. Roe, capt SO PAD'.65

Uit het rapport blijkt dat de Public Affairs Detachment nogal wat kritiek had op de organisatie en de werkwijze van de Luchtbeschermingsdienst, in het rapport herhaaldelijk aangeduid als de 'Civiele Verdediging', "die door verschillende redenen ineengestort was". De verstandhouding met de politie zou niet goed zijn geweest. Er was een gebrek aan materieel en vervoermiddelen. Zware reddingswerkzaamheden en sloop werden overgelaten aan aannemers en het werk werd vaak verricht door werklozen. Het lag daarom op de weg van de Public Affairs Detachment om zorg te dragen voor een reorganisatie van de Luchtbeschermingsdienst. Het rapport prijst de rol van vier sergeants van de Nederlandse Militaire Autoriteit, die in Engeland een opleiding hadden genoten in het verrichten van reddingswerkzaamheden, EHBO, etc. en werden gekwalificeerd als 'zeer intelligent'. Het waren Vos, Delhaas, Vermeulen en Bredschneider, die onder leiding stonden van luitenant van Hassel. Sergeant Delhaas werd na 12 oktober belast met de leiding bij de bergingswerkzaamheden aan de kapokfabriek en kreeg daarbij medewerking van de Royal Engineers. Hij nam op 14 oktober de leiding over van Jan Biessels.66 Verderop in het rapport van de Public Affairs Detachment werd deze Delhaas geprezen vanwege zijn rol bij de bergingswerkzaamheden: "Het enthousiasme voor zijn werk heeft de geestkracht der civiele werkkrachten, die voor zijn komst zeer zeker niet aanwezig was, zeer gestimuleerd." Verder vermeldde het rapport nog dat er vanaf 12 oktober een dagelijks overleg zou plaatsvinden, waaraan naast captain Wood, officier van de Civil Affairs, ook De Bruijn, hoofd van de Luchtbeschermingsdienst, luitenant van Hassel en sergeant Vos zouden deelnemen.

In hun waarschijnlijk pas na 1953 geschreven commentaar hebben Uijen en Bitters een aantal beweringen uit het rapport van de Public Affairs Detachment weersproken.67 De verhouding met de verschillende diensten en functionarissen zou helemaal niet zo slecht zijn geweest. Verder hadden Uijen en Bitters juist kritiek op de Nederlandse militairen. Luitenant van Hassel, bijvoorbeeld, was weinig te vinden in het gevaarlijke Nijmegen. Over het werk van Delhaas bij de kapokfabriek schreef Uijen het volgende.
Delhaas trad pas op, toen er niets meer te redden was. Zijn taak was de doden onder het puin uithalen, wat van LBD-zijde, bij gebrek aan zwaar materiaal slechts langzaam kon geschieden. Delhaas en zijn superieuren hebben hier veel ophef van gemaakt. Het was waarschijnlijk hun eerste optreden. In de oorlogsjaren, in het bijzonder na het bombardement van 22 februari, was dit regelmatig terugkerend werk.68

Bitters wees in zijn commentaar nog op de moeilijke omstandigheden waaronder de Luchtbeschermingsdienst zijn werkzaamheden had moeten verrichten. Vlak na 17 september was één van de drie piketposten van de Luchtbeschermingsdienst, die aan de Hugo de Grootstraat, vernietigd, waardoor veel materieel verloren was gegaan. Bovendien waren de communicatiemogelijkheden uiterst beperkt. Het telefoonnet, ook dat van de Luchtbeschermingsdienst en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst, was om veiligheidsredenen uitgeschakeld. Een noodtelefoonlijn tussen de commandopost van de Luchtbeschermingsdienst en en het hoofdkwartier aan de Kwakkenberg was vaak defect, doordat tanks over de draden hadden gereden: "Alle berichten moesten per ordonnans doorgegeven worden. Niemand rept over deze mensen, welke dikwijls met levensgevaar brand- en ongevalsmeldingen moesten doorgeven aan de betrokken diensten."

En verder

Op de ochtend van 25 oktober was het werk beëindigd en werden alle ploegen naar de Ganzenheuvel gestuurd, waar al op 7 oktober een schuilkelder met 25 personen erin door een bominslag was getroffen en ingestort. Ook daar heeft het dus weken geduurd, voordat de slachtoffers konden worden geborgen. De tot nu bekende foto's van de kapokfabriek na de ramp laten een grotendeels lege kelderruimte zien die is omzoomd met bergen puin. Deze foto's zullen dateren van na 25 oktober 1944. Het opruimen van het terrein zal nog geruime tijd in beslag hebben genomen. Op 20 november zou nog een lichaam zijn gevonden en geïdentificeerd als dat van mevrouw J.P.E. Dankers-Stegers (1897-1944).69 Nog tot in 1945 werd bij de burgerlijke stand aangifte gedaan van het overlijden van slachtoffers en werden overlijdensverklaringen afgegeven. Het hoeft niet te verbazen dat van de ramp ook misbruik werd gemaakt. In twee gevallen werd ten onrechte een overlijdensverklaring aangevraagd. In het ene geval was de betreffende persoon elders overleden en aan een andere doodsoorzaak. In het andere geval was de betreffende persoon in het geheel niet overleden, hetgeen pas decennia later aan het licht kwam.

Na de oorlog werd een klein deel van de fabriek hersteld dan wel opgebouwd. Dit betrof het westelijke deel van het gebouw dat niet was voorzien van een bovenverdieping. Nadat de opstallen in 1957 door de Gemeente Nijmegen waren aangekocht, werden zij gesloopt met uitzondering van de arbeiderswoningen, gelegen aan de Piet Heinstraat 7 tot en met 19. Die bleven staan tot na 1980 en vormden de laatste tastbare herinnering aan de kapokfabriek. De vrijwel identieke huizen met als huisnummer 1 tot en met 5 zijn er nog wel.


Afbeelding 10. Piet Heinstraat 7-19 omstreeks 1980. Dit waren bedrijfswoningen van de kapokfabriek. (Bron RAN F11176).

Het terrein van de voormalige kapokfabriek diende daarna als gemeentewerf voor de opslag van bestratingmateriaal. Nadat de gemeentewerf was verplaatst, had de Dobbelmanfabriek nog jarenlang loodsen op het terrein. Enkele jaren geleden hebben die plaatsgemaakt voor woningbouw, thans gelegen aan een straat die Biesmanstraat heet. Van de fabriek en haar gebouwen is niets meer overgebleven.

Conclusie

Voor zover de overgeleverde bronnen dat toelaten, is getracht de ramp in de kapokfabriek van 2 oktober 1944 en de gebeurtenissen in de daarop volgende weken te reconstrueren. Daarbij is duidelijk geworden dat Nijmegen vanaf september 1944 in de frontlinie was komen te liggen, zonder daar enigszins op te zijn voorbereid. Dit wordt nog eens bevestigd door twee uitspraken van Bitters in zijn eerder genoemde commentaar op het rapport van de Public Affairs Detachment. Zo scheef hij "Het feit dat Nijmegen op en na 17 september 1944 in het eigenlijke front opgenomen zou worden, heeft geen enkele civiele autoriteit of instantie kunnen voorzien" en "Er wordt voorts in het geheel niet gerept over de moeilijkheden welke de oprukkende geallieerden ondervonden hebben door de afsnijdingen van de toevoerwegen. De tanks, welke overdag doordrongen tot in de omgeving van de Waalbrug, werden tegen het donker weder teruggetrokken naar de omgeving van de Groesbeekseweg. De Duitsers trokken dan weder de stad in, zodat de burgerbevolking met de uiterste omzichtigheid te werk moest gaan. Vrijwel iedere burger zocht dekking in de een of andere kelder (goedgekeurd of niet)."70

De laatste opmerking van Bitters wijst erop dat het gebruik van de kapokfabriek gezien de omstandigheden een voor de hand liggende optie was. De kelder van de fabriek was echter niet officieel aangewezen als schuilplaats, laat staan als zodanig gekeurd. De bewaard gebleven plattegrond, de foto van het interieur en het rapport van Thunnissen doen vermoeden dat de constructie van het gebouw te zwak was om weerstand te bieden tegen een bombardement. De kelder was ook geen eigenlijke kelder. Dat leek alleen maar zo, omdat de ramen waren dichtgetimmerd.

De kapokfabriek werd gebombardeerd door Duitse vliegtuigen en dit bombardement maakte deel uit van een langdurig offensief. Het is vrijwel zeker dat het één of twee brandbommen zijn geweest die de fabriek hebben verwoest. Het gebruik van brandbommen was erop gericht zo veel branden te doen ontstaan dat de capaciteit aan blusmiddelen te kort zou schieten. Dat lijkt ook precies wat er gebeurde op 2 oktober 1944. Zowel de reguliere brandweer als de blokbrandweer van de Luchtbeschermingsdienst rukten uit naar het noordoosten van de stad, waar de eerste branden ontstonden. Toen later op de avond brandbommen op Bottendaal vielen, moesten burgers en Engelse militairen bijspringen.

Tot 12 oktober had de Luchtbeschermingsdienst de leiding bij het bergen van de slachtoffers en het ruimen van het puin. In die dagen werd maar beperkt hulp geboden door de geallieerden. Daarna ging de leiding over in handen van Nederlandse militairen en kwam er hulp van de Royal Engineers. Het is overigens maar de vraag of er meer gewonden zouden zijn gered, als er in de eerste twee of drie dagen voldoende goed uitgeruste reddingsploegen aanwezig zouden zijn geweest. De foto van de rampplek die enkele dagen na 2 oktober moet zijn gemaakt (afb. 9), wekt niet de indruk dat er nog veel levenden onder het puin aanwezig kunnen zijn geweest.

Negenennegentig personen die in de 'kelder' van de kapokfabriek een schuilplaats hadden gezocht, lieten het leven, onder wie twee personen die niet konden worden geïdentificeerd. Enkele tientallen mensen kwamen levend onder het puin vandaan. Onder de dodelijke slachtoffers waren mijn grootouders Hubertus Leonardus de Groot (1882-1944) en Sophia Maria de Groot-Hallebeek (1873-1944), mijn tante Sophia Maria Zeewald-de Groot (1913-1944) met haar echtgenoot Johannes Zeewald (1902-1944) alsmede hun drie jonge kinderen Gerda Zeewald (1939-1944), Huub Zeewald (1940-1944) en Jopie Zeewald (1942-1944). Geen wonder dat de postbode kort na 2 oktober 1944 het bericht over het afhalen van ingeleverde radiotoestellen niet kon bestellen. De woning van mijn grootouders, de Ruyterstraat 127, was door het bombardement verwoest en op dat moment was het lichaam van mijn grootmoeder zelfs nog niet onder het puin vandaan gehaald.71

Noten

1 Mijn grote dank gaat uit naar Dr. J. Hallebeek (Utrecht) voor het kritisch doornemen van de tekst en de uitgebreide redactie.
2 In het kader van een initiatief om een gedenkteken op te richten voor de slachtoffers van het bombardement op de kapokfabriek publiceerde ik eerder een kort artikel in wijkblad De Zeeheld. Het was mij toen al duidelijk wat er meer gegevens betreffende de ramp voorhanden waren dan tot dan gedacht. Zie: Huib de Groot, De bominslag op de kapokfabriek. Een ramp in Bottendaal en een gedenkteken waard. De Zeeheld. Wijkblad voor Bottendaal 18-6 (2013), p. 8-11.
3 Zie www.oorlogsdodennijmegen.nl (geraadpleegd op 5 april 2018).
4 B. Janssen, De pijn die blijft. Ooggetuigenverslagen van het bombardement van Nijmegen 22 februari 1944, Amsterdam 2005.
5 De Gelderlander van 13 september 1956.
6 De Gelderlander van 25 november 1909.
7 Adresboek Nijmegen 1913.
8 Regionaal Archief Nijmegen (RAN) 1335 Bouwvergunningen. De aanvragen zijn niet compleet en verspreid te vinden in de inventarisnummers 12668, 12669, 12684 en 12685.
9 De Gelderlander van 9 augustus 1927.
10 Zie www.oude-aandelen.nl (geraadpleegd op 16 september 2017) met bronvermeldingen aldaar.
11 RAN 1335 Bouwvergunningen, inv. nr. 12685.
12 De Gelderlander van 2 maart 1955.
13 RAN 1335 Bouwvergunningen, inv. nr. 12685. Uit de tekening blijkt, dat de fabriek gebruik maakte van zogenaamde driefasenstroom, ook wel krachtstroom genoemd. Het dossier bevat ook een blauwdruk voor de bouw van een hoogspanningsgebouwtje op het fabrieksterrein. Blijkens enkele latere situatietekeningen, is dat gebouwtje daar inderdaad verrezen.
14 Dit rapport is overgeleverd in zowel RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 163 en RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292.
15 Uit het verslag van de brand in de fabriek, gepubliceerd in De Gelderlander van 11 juni 1926, blijkt dat de extra kolommen waarschijnlijk bedoeld waren om de eerste verdieping te ondersteunen. Daar bevonden zich namelijk de machines waarmee de eerste bewerkingen van de kapok werden uitgevoerd en tevens waren er ook kapokbalen opgeslagen.
16 In RAN 64 Luchtbeschermingsdienst (inv. nr. 163) en in RAN 330 Collectie Uijen (inv. nr. 292). Waarschijnlijk verwijst Biessels hier naar medewerkers van de firma Roelen en Heijne die bij de berging hebben geholpen. Zie ook noot 58.
17 RAN 1335 Bouwvergunningen, inv. nr. 12685. Uit het rapport van Thunnissen: Er is dus kans dat de balken naby de opleggingen aan de bovenzyde scheurtjes zullen vertonen wegens overtreding der schuifspanning. Bovendien kunnen wy niet nagaan, daar hiervan de teekeningen ontbreken, welk yzer er in zit boven de kolommen, om het negatieve moment op te nemen. Over het algemeen zyn de balken wel erg slap
18 Mevrouw Engelen-Staring, destijds 16 jaar oud, en haar familie verbleven twee dagen in de kelder, maar vertrokken vandaar enkele uren voor de bominslag, omdat zij de de situatie niet veilig genoeg vonden. Van de bedoelde versterkingen kan zij zich niets herinneren. Vriendelijke mededeling van 15 mei 2015.
19 In het Adresboek Nijmegen van 1940 worden nog twee andere ondernemingen genoemd die de naam Van den Dungen voerden, namelijk E.A.H. van den Dungen, Lange Hezelstraat 75, ijzerhandel en P.A. van den Dungen, Groesbeekscheweg 44, koopman.
20 De VBNA was niet enkel een belangenorganisatie van de aardappelindustrie, maar zorgde ook voor een eerlijke verdeling van de aardappels tijdens de bezetting.
21 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 73 (register van dagrapporten). Op 19 oktober 1944 meldde sergeant Delhaas dat "in de kapokfabriek een wagen met meubels staat van de firma Verkroost. Uit voorzorg voor vernieling bij het omtrekken van het dak heeft hij zoveel mogelijk meubels doen lossen. Ze blijken eigendom te zijn van mevrouw Beijnes, gewoond hebbende Kwakkenberg." Ook op de begane grond werden dus meubels bewaard, die voor een deel intact zijn gebleven. Deze moeten zich dan hebben bevonden in het gedeelte van de fabriek dat niet (geheel) is ingestort en na de oorlog is gerepareerd dan wel weer opgebouwd.
22 J. Rosendaal, Nijmegen '44. Verwoesting verdriet en verwerking, Nijmegen 2009, p. 43.
23 Vriendelijke mededeling van mevrouw Engelen-Staring, waarvoor helaas geen bevestiging kon worden gevonden in het archief van de LBD.
24 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 150 (Rapporten van keuringen van particuliere schuilkelders 1943/1944) en inv. nr. 151 (Schuilkelder controlerapporten 1944/1945).
25 Dit rapport bevindt zich in RAN 64 Luchtbeschermingsdienst (inv. nr. 163) en in RAN 330 Collectie Uijen (inv. nr. 292) en is zowel in het Engels als in het Nederlands opgesteld.
26 Vriendelijke mededeling van mevrouw Engelen-Staring.
27 Het rapport van Biessels (64 Luchtbeschermingsdienst [inv. nr. 163] en RAN 330 Collectie Uijen [inv. nr. 292]) heeft het over houtplaten.
28 Vriendelijke mededelingen mevrouw Engelen-Staring.
29 Een enkele maal is in de literatuur gesuggereerd dat het bombardement van 2 oktober het werk zou zijn geweest van de geallieerden. Dat wordt echter weersproken door het dagrapport van de Luchtbeschermingsdienst waarin werd gemeld: "19:05 Duitsche vliegtuigen boven de stad. Afweer treedt in werking. Bominslag wordt waargenomen in de richting van de rivier. 20:45 Afweer treedt in werking. 22:05 Afweer treedt in werking. Waarschijnlijk nieuwe inslagen". Zie RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 78 (dagrapport van 2 oktober).
30 Rosendaal, Op. cit., p. 134-137; T. Gras, Broeder in een brandende stad. De ervaringen van GGDverpleger C.J. Rooijens op het slagveld van Nijmegen 1944-1945, Nijmegen 2015, p. 59.
31 Deze brieven bevinden zich in het Nationaal Bevrijdingsmuseum te Groesbeek. Een aantal is gepubliceerd op de website www.noviomagus.nl (geraadpleegd op 16 september 2017). In brieven aan familieleden in Zwolle gaf Verweij informatie over de ramp en de branden in de directe omgeving van zijn woning in Bottendaal.
32 RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 253 (Dagboek van de zusters JMJ van 4 september 1944 tot en met 24 februari 1945).
33 Voor dit onderzoek werd geraadpleegd de versie in RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 246. Van het dagboek bestaan verschillende versies. Zie hiervoor Gras, Op. Cit.
34 RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 37 (getypte versie met handgeschreven commentaar van Uijen). Het is later in druk verschenen: Het werk van de Brandweer te Nijmegen tijdens de bevrijding van de Stad door de Geallieerden, vanaf 17 september 1944 en de dagen daaraan volgende. RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 262 is een getypt en ingebonden rapport van W. Fiege met medewerking van C. van Mameren. Zie ook noot 51. Zie over Van Mameren: De Brandweer. Maandblad van de Nederlandsche Vereniging van Brandweercommandanten 14 (1960), p. 49-50.
35 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport van 2 oktober).
36 RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 253.
37 Zie de brieven van Verweij. Het dagboek van de zusters JMJ vermeldt: "Om ongeveer 12 uur gaan de meesten weer naar bed (...). Na 'n poosje komt Pater T. thuis. Hy is er op uit geweest. In de buurt ligt het vol brandbommen, sommige zyn ontploft. Veel huizen branden af, omdat de menschen ze verlaten hebben, zonder 'n wacht achter te laten."
38 Zie verder H. Rumpf, Die Brandbombe des Bombenkrieges 1939-1945 in historischer Sicht, Brandschutz. Zeitschrift für das gesamte Feuerwehr- und Rettungswesen 9 (1955), p. 194-196, ook weergegeven op nationaalbrandweerdocumentatiecentrum.nl (geraadpleegd op 16 september 2017). Hans Rumpf (1888-1965) was aanvankelijk commandant van het Feuerschutzpolizeiregiment Sachsen en werd in de loop van de oorlog de hoogste brandweerinspecteur in Duitsland. Hij schreef later boeken en artikelen over zijn ervaringen met de luchtoorlog.
39 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport 2 oktober) en RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 253 (dagboek zusters JMJ).
40 Brieven van Verweij.
41 Betreffende 17 november 1944, in RAN 64 Luchtbeschermingsdienst (inv. nr. 163) en RAN 330 Collectie Uijen (inv. nr. 292).
42 RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 246.
43 Het station, dat niet ver van Bottendaal lag, was al op 22 februari maar ook op 18 september gebombardeerd.
44 RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 246. In de uitgave van het dagboek door Thijs Gras (zie noot 29) staat 'dreun' in plaats van 'gedreun'.
45 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport van 2 oktober).
46 "2 October. Brandbomaanvallen en brisantbommen tussen 7 en 10 uur. Dit zal in een nader rapport worden uitgewerkt". Zie RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 246. Het genoemde rapport heb ik niet kunnen traceren.
47 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 163 en RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292 (3 oktober). De Luchtbeschermingsdienst wordt hier met de Engelse benaming Air Raid Precautions aangeduid.
48 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport 2 oktober). De kelder van garagebedrijf Moll aan de St. Annastraat werd door de Luchtbeschermingsdienst gebruikt voor de berging en identificatie van slachtoffers. Later in oktober werd voor dat doel de 'Export Papierfabriek' aan de Tollensstraat gebruikt. Gras, Op. cit., p. 126. Uit hetgeen bekend is omtrent de reddingswerkzaamheden blijkt dat de fabriek overigens niet volledige in brand had gestaan.
49 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 172 (lijsten opgemaakt door het LBD-verbindingslid bij Bouwen Woningtoezicht van beschadigde panden 1944/1945).
50 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport van 2 oktober): "22:25 Lid blokploeg 58 Rijmer meldt brand veroorzaakt door brandbommen in de Leemptstraat hoek Burghard van de Berghstraat en de Ruijterstraat, Franschestraat tegenover Pontanusstraat en Groesbeekscheweg nr. 6. Deze laatste brand wordt reeds gebluscht. Branden aan brandweer gemeld per ordonnans".
51 RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 262: "Een brandweer in de vuurlinie" door W. Fiege en C. van Mameren, betreffende de activiteiten van de Brandweer gedurende het laatste oorlogsjaar. In dit rapport wordt de ramp wel genoemd, maar met zulke aantallen geredden, slachtoffers en burgers die bij de redding zouden hebben geholpen dat ik het als bron niet betrouwbaar acht. Ik vermoed dat het indertijd uit niet betrouwbare herinnering is opgeschreven.
52 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport van 2 oktober 1944).
53 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 73 (register van dagrapporten).
54 In RAN 64 Luchtbeschermingsdienst (inv. nr. 163) en RAN 330 Collectie Uijen (inv. nr. 292).
55 Buiting vermeldde in zijn rapport van 3 oktober dat twee ziekenwagens werden ingezet.
56 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport van 2 oktober).
57 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 76 (dagrapport van 2 oktober).
58 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 163 en RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292 (17 november 1944). De genoemde majoor Blaauw was de districtscommandant van het Militair Gezag (DMG).
59 RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 293 (uittreksel van het rapport van woensdag 4 oktober). A.R.P. staat voor Air Raid Precautions, de Engelse term voor de Luchtbeschermingsdienst. 'Roelen en Heijne' (zonder "n") was een bedrijf in gewapend betonconstructies en bouwwerken. Merkwaardig is dat volgens deze passage Nipsius en Van de Wetering de leiding hadden, terwijl Biessels niet wordt genoemd. Uit zijn rapport moet men echter opmaken dat hij op dat moment en ook de volgende dagen de leiding moet hebben gehad.
60 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 163 (ingestorte schuilkelder de Ruijterstraat, rapport over de vorderingen d.d. 6 oktober 1944).
61 Ook in RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 163.
62 Deze overlijdensverklaringen zijn bewaard in het Oud Secretarie Archief van de gemeente Nijmegen (OSAN).
63 RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 73 (register van dagrapporten).
64 In het dagboek van Rooijens wordt gesproken van zes doden en drie kisten met niet te identificeren resten.
65 RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292 (rapport van werkzaamheden nr. 1 - Nijmegen). De titel van het rapport suggereert dat er meer rapporten zijn gevolgd. Ik heb daar geen verder onderzoek naar verricht. Het is mogelijk dat naar aanleiding van het opstellen van dit rapport De Bruijn aan zijn blokhoofd Biessels had gevraagd om hem te rapporteren over de opruimingswerkzaamheden. Biessels begon zijn rapport in ieder geval met de woorden 'op uw verzoek'. Zie RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 163 en RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292.
66 Biessels schreef in zijn rapport aan De Bruijn: "Op zaterdag 14 oktober arriveerde een Engelse rupsauto welke met haar krachtige trekinstallatie de betonplaten en palen van elkaar trok. Een Nederlandse deskundige sergeant uit Engeland overgekomen, Delhaas, nam de leiding over en bedankte mij toen zonder meer." RAN 64 Luchtbeschermingsdienst, inv. nr. 163 en RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292.
67 Ook deze commentaren zijn te vinden in RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 34 en RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292.
68 Zie over de rol van Uijen, Biessels en anderen na het bombardement van 22 februari: A.E. Brinkhuis, De Fatale aanval. 22 februari 1944. De waarheid over de mysterieuze Amerikaanse bombardementen op Nijmegen, Arnhem, Enschede en Deventer, Weesp 1984, p. 93 en107.
69 Zie www.oorlogsdodennijmegen.nl (geraadpleegd op 16 september 2017).
70 RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen, inv. nr. 34 en RAN 330 Collectie Uijen, inv. nr. 292.
71 Dat gebeurde pas een kleine week nadat in De Gelderlander van 12 oktober 1944 de oproep was geplaatst om de ingeleverde radiotoestellen af te halen.

Geraadpleegde bronnen in het Regionaal Archief Nijmegen (RAN)

Toegang 64 Luchtbeschermingsdienst
In 1936 werd in Nederland de 'Wet betreffende Bescherming tegen Luchtaanvallen' van kracht, die voorschreef om maatregelen te treffen tegen luchtaanvallen. Daartoe hadden vele gemeenten, waaronder ook Nijmegen, een Luchtbeschermingsdienst opgericht, die tot doel had door het oefenen van de verschillende hulpdiensten en het treffen van voorbereidingen het aantal slachtoffers bij een eventuele luchtaanval zo klein mogelijk te houden, de schade te beperken en adequate hulp te bieden aan slachtoffers. De Luchtbeschermingsdienst, die naast betaalde krachten ook vrijwilligers in dienst had, kende verschillende afdelingen, zoals de brandweer, de ordedienst, de opruimingsdienst, die onder meer was belast met het vervoer van gewonden en stoffelijke overschotten, en een geneeskundige dienst. De kleinste organisatorische eenheid vormden de blokken, die uit ongeveer twaalf personen bestonden. De commandopost van de Luchtbeschermingsdienst had een belangrijke coördinerende taak ten opzichte van onder andere de brandweer en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst en was dag en nacht bemand. Ten tijde van de ramp was De Bruijn het hoofd van de Luchtbeschermingsdienst. J.C. Biessels was het blokhoofd van blok 43, waaronder de kapokfabriek viel. A.F. Uijen, J.J. Bitters en J. van Delden waren de belangrijkste leiders op de commandopost. Uijen was eigenlijk chef van de administratie, maar sprong in, omdat van de oorspronkelijke vier verantwoordelijke leiders alleen Bitters en Van Delden waren overgebleven. Van de andere twee was er één belast met de voedselvoorziening en was de ander niet meer komen opdagen, aldus later Bitters in zijn commentaar op het rapport van de Public Affairs Detachment (in RAN 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen [inv. nr. 34] en RAN 330 Collectie Uijen [inv. nr. 292]).
Een belangrijke bron van informatie vormen de dagrapporten die op de commandopost werden opgesteld (inv. nr. 76). Deze zijn helaas niet volledig bewaard gebleven. Zij lopen tot 27 september 1944 en worden pas weer voortgezet op 22 november. Van de tussenliggende periode zijn alleen rapporten van 2 en 9 oktober bewaard gebleven. Het dagrapport van 2 oktober is zeer waardevol. Het geeft gedetailleerde informatie en de gegevens stemmen overeen met die uit het dagboek van Kees Rooijens. Inventarisnummer 73 draagt de misleidende titel 'register van dagrapporten'. In werkelijkheid bevat het een cahier met handgeschreven rapporten van Bitters, Uijen en Van Delden betreffende hun achtuurdiensten op de commandopost. Zij lopen aaneengesloten vanaf 13 oktober. Inventarisnummer 163 bevat vele rapporten, waaronder die van Biessels en Buiting, kapitein van de plaatselijke politie, inzake de kapokfabriek, geschreven in het Engels, en een kort rapport van de 302/A Detachment, gedateerd 4 oktober 1944. Deze drie stukken zijn identiek bewaard in toegang 330 Collectie Uijen (inv. nr. 292). Inventarisnummer 163 omvat verder nog een rapport over de vorderingen op 6 oktober, een uitreksel uit het dagrapport van 6 oktober en een tweetalig rapport, ook gedateerd 6 oktober, aan het Operations Command Detachment.
73. Register van dagrapporten 1944-1945.
76. Dagrapporten opgemaakt op de commandopost van de LBD.
82. Dagrapporten van per ambulance vervoerde doden en gewonden.
150. Rapporten van keuringen van particuliere schuilkelders 1943-1944.
151. Schuilkelder controle rapporten 1944-1945.
163. Stukken betreffende het neerkomen van bommen.
167. Lijst met gevallen bommen, slachtoffers en aantallen beschadigde huizen 17 september 1944 tot en met 23 april 1945.
172. Lijsten opgemaakt door het LBD-verbindingslid bij Bouw & Woningtoezicht van beschadigde panden 1944-1945.

Toegang 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen
Toegang 80 omvat onder meer in inventarisnummer 34 het rapport van Captain Roe van de Public Affairs Detachment betreffende het functioneren van de civiele diensten en het commentaar op dit rapport van Bitters en Uijen. Dezelfde stukken zijn te vinden in toegang 330 Collectie Uijen (inv. nr. 292). Verder omvat toegang 80 een rapport van C.L. van Mameren, die later hoofdbrandmeester was bij de gemeentelijke brandweer te Nijmegen. Inventarisnummer 37 is een getypte versie, voorzien van handgeschreven commentaar van Uijen. De tekst werd later in verkorte vorm gedrukt in het Gedenkboek 1951 onder de titel 'Het werk van de Brandweer te Nijmegen tijdens de bevrijding van deze Stad door de geallieerden, vanaf 17 September 1944 en de dagen daaraanvolgende'. Deze tekst is thans ook te raadplegen op het internet, zie nationaalbrandweerdocumentatiecentrum.nl (geraadpleegd op 16 september 2017). Op dezelfde website staat ook een uitgebreid en persoonlijk verslag van Van Mameren dat hij waarschijnlijk in 1945 heeft geschreven. Zie: De brandweer in de vuurlinie. Dit verslag is ook te lezen op www.noviomagus.nl (geraadpleegd op 16 september 2017). Hierin komt de kapokfabriek niet voor. Inventarisnummer 262 is een getypt en ingebonden rapport door W. Fiege en C. van Mameren, betreffende de activiteiten van de Brandweer gedurende het laatste oorlogsjaar. De tekst hierin over de kapokfabriek wijkt duidelijk af, maar lijkt niet betrouwbaar. Toegang 80 omvat ook het dagboek van C.J. Rooijens, die hoofdverpleger was bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (inv. nr. 246). De laatste beschreef de eerste dagen van de ramp. De originele, handgeschreven versie van het dagboek is verloren gegaan. Hetgeen zich in het archief bevindt, is de oudst bewaard gebleven variant, waaraan Uijen twee pagina's met aantekeningen heeft toegevoegd. Het dagboek is ook opgenomen in het boek van Thijs Gras, dat in 2015 is verschenen. Zie T. Gras, Broeder in een brandende stad. De ervaringen van GGD-verpleger C.J. Rooijens op het slagveld van Nijmegen 1944-1945, Nijmegen 2015. Inventarisnummer 253 is het dagboek dat moet zijn bijgehouden door één van de zusters van de sociëteit van Jezus, Maria en Jozef (JMJ), die hun klooster hadden aan de de Ruyterstraat.
25. Excerpt rapport LBD: opgenomen doden in garage Moll en later Export Papierfabriek in de Tollensstraat.
34. PAD progress report 1.
37. Rapport van C.L. van Mameren, adj. hoofdbrandmeester; werk van de brandweer 17 september 1944 tot en met april 1945 met handgeschreven commentaar van A.F. Uijen.
246. Dagboek van C.J. Rooijens van 17 september tot en met 29 oktober met aantekeningen van A.F. Uijen.
253. Dagboek van de zusters JMJ van 4 september 1944 tot en met 24 februari 1945.
262. Rapport van W. Fiege met medewerking van C. van Mameren; werk van de brandweer februari 1944 tot en met april 1945.

Toegang 330 Collectie Uijen
Toegang 330 bevat veel informatie over de periode 1944-1945. Voor dit onderzoek was vooral inventarisnummer 292 van belang, dat een grote hoeveelheid rapporten omvat, waaronder (i) 'ingestorte schuilkelder', gedateerd 4 oktober 1944, een kort tweetalig (Nederlands/Engels) rapport van de 302/A Detachment, (ii) het rapport van Biessels, (iii) het rapport van Buiting, (iv) het rapport (voorzien van nr. 465) van Captain Roe van de Public Affairs Detachment betreffende het functioneren van de civiele diensten (luchtbescherming, brandweer en politie), getiteld 'Rapport van werkzaamheden nr. 1 - Nijmegen', (v) de bemerkingen bij dit rapport van de hand van Bitters, gedateerd 5 december 1953 en (vi) de handgeschreven en ongedateerde bemerkingen van Uijen bij hetzelfde rapport. De nummers (i) tot en met (iii) zijn ook bewaard in toegang 64 Luchtbeschermingsdienst (inv. nr. 163), de nummers (iv) tot en met (vi) ook in toegang 80 Commissie tot documentatie van de bevrijding van Nijmegen (inv. nr. 34).
292. Luchtbeschermingsdienst, rapport over de totaal vernielde Kapokfabriek 1944.
293. Uittreksel van het rapport van woensdag 4 oktober.

Toegang 1335 Bouwvergunningen Nijmegen
In toegang 1335 zijn bouwtekeningen te vinden. Zowel de tekeningen voor de bouw van de garage en twee bovenwoningen aan de Ruyterstraat 125 tot 127 als de verdiepingsplattegronden van de kapokfabriek zijn te vinden in inventarisnummer 12685.
12669. Bouw van een garage en twee bovenwoningen Hatert Sectie A no 4391. Aanvrager: Internationale Kapok Maatschappij. Jaar: 1920.
12684. Verplaatsen van een oprit voor de in aanbouw zijnde fabriek. Jaar 1917
12685. De verbouw van 2 benedenwoningen tot kantoorlokalen. Architect J.D.A. Okhuysen; aannemers J.Th. Thunnissen.

© 2018 H.L. de Groot
All rights reserved. No part of this paper may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, or otherwise, without the prior written consent of the author.

terug naar Gastredactie-overzicht naar Oorlogspagina

Reacties

Reactie 0:

Huib de Groot, 17-09-2018: Bommen op Bottendaal: de ramp in de kapokfabriek
Reactie 1:

Gerard Centen, 14-08-2018: Een goed omvangrijk artikel van de Hr de Groot, er zijn nog altijd heel veel mensen in Nijmegen die heel weinig weten over die rot oorlog in Nijmegen.
In deze reconstructie zit de waarheid over de ramp van de kapokfabriek.
Mijn vrouw heeft het gelezen, zij is geboren 25-08-1944 in de Piet Heinstraat nr 21. Op het moment dat de Duitse bommen vielen achter hun huis was de fam Teuwsen al eerder vertrokken naar familie in Neerbosch. Mijn schoonmoeder vertelde: "Toen we terug kwamen in de Piet Heinstraat en naar ons huis gingen, lagen van voor tot achter alle ruiten eruit, overal dakpannen, in huis alles overhoop. Alleen het Mariabeeld stond nog op zijn plaats op de schoorsteen, dus toch nog een wonder, er was nog hoop!!" Want gelukkig lagen ze die nacht van de Duitse bommen op de kapokfabriek in Neerbosch. In een oorlog moet je ook geluk hebben om te overleven, ook als je pas geboren bent zoals mijn vrouw in de oorlog 25-08-1944.
Minder geluk had mijn opa Dankers. Hij woonde in de de Ruijterstraat en sliep wel in de kapokfabriek met zijn tweede vrouw. Hij is onder het puin er uit gehaald met twee gebroken benen, zijn vrouw is pas gevonden op 20 november J.P.E. Stegers.
Ik woonde in de Wolfskuil Mosstraat nr 1 en op nr 5 fam Alders een broer van Reinier Alders die met zijn vrouw en negen kinderen zijn overleden in de kelder van de kapokfabriek.
Het verdriet in zo'n rot oorlog is niet te beschrijven.
Ik ben benieuwd, in het najaar komt er na 74 jaar toch een gedenksteen of monument, en een nieuw boek van Bart Janssen.
Reactie 2:

JAM.Willems, 15-09-2018: Op 30 september a.s. wordt het gedenkmonument voor de 99 slachtoffers van de kapokfabriek onthuld aan de Biesmanstraat.
Reactie 3:

Truus Verhagen-Rutten, 17-09-2018: Ook ik woonde met ons gezin in de de Ruyterstraat, mijn ouders hadden een melkzaak op de hoek van de van Heemskerckstraat.
Ik vind dit een heel goed en uitgebreid artikel.
Er is een ding wat ik me afvraag en heeft iemand daar antwoord op?
Behalve de schuilkelders genoemd in het artikel, zijn er volgens mij nog twee geweest in de Ruiterstraat tussen de Heemskerkstraat en Trompstraat zo ongeveer aan de kant van de Dobbelman op de stoep (buitenkant hekwerk). Het leken van die opgehoogde langgerekte met gras begroeide bergen, als ik me goed herinner met deuren op de kopse kanten. Of ze ooit gebruikt zijn weet ik niet, ze waren vies van binnen. Als we buiten speelden gingen we er zeker niet in.
Graag een reactie als er iemand is die zich die kelders ook herinnert.
Huib, dank je wel voor deze door jou gedane zoektocht en artikel. Bij mij kwamen er heel veel namen weer terug in mijn memory van slachtoffers, die wij kenden.
Reactie 4:

Mark van Loon, 30-09-2018: De onthulling van het gedenkteken in de Biesmanstraat:

Reactie 5:

Redactie, 15-07-2019: vandaag hoorden we dat de schrijver van dit artikel Huib de Groot is overleden op 13-03-2019, 72 jaar oud. Hij was al geruime tijd ziek maar kon in oktober gelukkig wel bij de onthulling van het gedenkteken zijn. Wij zijn blij met zijn inspanningen om dit oorlogsdrama terug in het geheugen te brengen en wensen zijn nabestaanden sterkte en steun.
Reactie 6:

Gerrit JM Paas, 14-05-2022: Mijn ouders woonden tijdens het bombardement op Nijmegen aan de Bredestraat in Hees. Dat huis werd gedeeltelijk geraakt door een bom, en was dusdanig beschadigd dat het onbewoonbaar was geworden. De ouders van mijn moeder woonden aan de Dorpstraat eveneens in Hees. Mijn ouders konden gelukkig tijdelijk bij mijn Opa en Oma inwonen. Want het huis van mijn ouders moest eerst weer hersteld worden. Tot die tijd zouden mijn ouders dus aan de Dorpstraat wonen.
Maar het herstel duurde te lang, en het werd onzeker of zij nog wel terug konden. En zo geschiedde: mijn ouders kregen een huis aan de Anjelierenweg toegewezen. Waar zij van meet af aan werden gepest door andere bewoners. Mijn ouders hadden daar geen leven! Zij hoorden thuis aan de St. Annastraat, werd hen verweten. Dit omdat mijn ouders gewoon het dialect niet spraken, de taal van de buurt.
Uiteindelijk, en gelukkig kregen mijn ouders een woning aan de Schoolstraat. In dat huis had een gezin van Joodse komaf gewoond. Die mensen waren allemaal op transport gezet, dus afgevoerd naar een kamp. Dit huis was helemaal gestoffeerd en gemeubileerd. En mijn ouders hadden zo goed als niets meer nadat ze gebombardeerd waren. Mijn ouders werden voor de keus gesteld om óf lid van de N.S.B. te worden óf anders werd het huis helemaal leeggehaald. Het antwoord van mijn ouders was: we hebben toch al niets meer, dus we weten niet beter. Met die gedachte gingen zij ook naar dit huis. Haal het dus maar leeg.
Mijn ouders hadden toen 4 kinderen. Twee meisjes en twee jongens. Mijn vader werd door de Duitsers thuis opgehaald om te gaan werken in een kamp in Wuppertal (Duitsland), mijn moeder bleef alleen met de kinderen achter.
Toen gebeurde het dat er hevig werd gebombardeerd. Men zei tegen mijn moeder: mevrouw Paas iedereen is gevlucht naar een schuilkelder onder de kapok fabriek. U moet daar snel met de kinderen heengaan. Want om hier in dit huis te blijven is veel te riskant. Mijn moeders besluit was om toch in het huis te blijven. De gevolgen van de kapokfabriek weet u wel. Mijn moeder had op dat moment een engeltje op haar schouder. En nam de juiste beslissing.
REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.