Bioscoopbezoek

Jaap Godrie

Bioscoopbezoek

“Er moet iets niet in orde zijn met onze keuringsdienst!” Bioscoopbezoek en filmkeuring in Nijmegen gedurende de jaren 1930

Bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen (F15415)

De crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw raakte zowat alle terreinen van het dagelijkse leven. In de Verenigde Staten, in Europa, in Nederland en in Nijmegen. Ook in de filmindustrie vonden veranderingen plaats die hun oorsprong in de economische crisis hadden. In dit paper wordt een poging gedaan om de invloed van de veranderingen in de filmindustrie gedurende de jaren 1930 op het bioscoopbezoek in Nijmegen te beschrijven. 

De centrale vraag is: wat waren de effecten van de economische crisis op de bioscoopcultuur in Nijmegen? Voor een dergelijke beschrijving is het belangrijk om eerst de internationale en nationale situatie van de filmindustrie te bespreken, aangezien de bioscopen in Nijmegen afhankelijk waren van een internationaal en, in mindere mate, nationaal filmaanbod. 

Crisisthematiek in Hollywood

Voor de internationale filmindustrie brachten de jaren dertig ingrijpende veranderingen met zich mee. De economische crisis, die volgde op de beurskrach van New York in oktober 1929, was daarvoor niet de enige reden. Ook de intrede van de geluidsfilm in 1928 en de nationaalsocialistische dictatuur in Duitsland na de machtsovername van Hitler in 1933, waren van invloed. In Hollywood had de klap van de beurskrach een duidelijke doorwerking in de thematiek van films. De sfeer van films werd grimmiger zoals ook het dagelijks leven door de crisis zwaarder werd. De eerste jaren van het decennium produceerde Hollywood films die de verwarring van de Amerikaanse bevolking weerspiegelden.

Hoewel de invloed van Hollywood op de Europese filmmarkt in de jaren dertig al gold, was deze nog niet zo dominant als dat hij later zou worden. 

Dat blijkt uit de aard van de films die in dezelfde periode in Nederland geproduceerd werden. Die lijken tegengesteld te zijn geweest aan de films zoals ze in Hollywood werden geproduceerd. ‘Crisis noch werkloosheid noch de steeds dreigender wordende politieke gebeurtenissen in het oostelijke buurland klinken in de Nederlandse speelfilms van de jaren dertig door, tenzij indirect: door een vlucht uit de werkelijkheid in het lichte amusement waaraan de ernst meestal ontbrak, een ongestoorde adempauze te midden van de zorgen van alledag,’(1) schrijft Kathinka Dittrich. Het aandeel van Nederlandse films in de Nederlandse bioscopen was echter gering. Toch lijken de melancholische films uit Hollywood weinig succes te hebben gehad in Nederland. ‘De tijden waren slecht, de werkloosheid groot en het geld schaars. Wat had het voor zin de dagelijkse zorgen nog te verdubbelen met zorgelijke films? Wie had gespaard voor een avondje uit, wilde zich amuseren.’(2)

De geboorte van de Nederlandse filmindustrie en de geluidsfilm

De reactie op de crisis mag dan anders zijn geweest, economische malaise bleef Nederland in jaren dertig zeker niet bespaard. Na 1931 drong de crisis door in alle geledingen van de Nederlandse bevolking. Doordat het kabinet Colijn koos voor een beleid van bezuiniging werd iedereen, maar vooral de lagere klassen van de bevolking, getroffen. ‘Grote werkeloosheid en een verscherpte ordehandhaving veroorzaakten een verharde samenleving.’(3)

Dat die verharding niet doorwerkte in de thematiek van de in Nederland getoonde films had een andere reden. Tijdens de crisisjaren voerden de Europese landen een meer isolationistische politiek dan de jaren daarvoor. De verharding en isolatie hadden wel degelijk zijn effect op het Nederlandse filmklimaat, maar meer op de vorm dan de inhoud. Er trad in Nederland, door de nationalistische tendens, een verzakelijking en professionalisering van de filmindustrie op. Dit had mede te maken met de ontwikkelingen op politiek gebied in Duitsland. Het was namelijk mede ‘dankzij de aanwezigheid van vakbekwame emigranten, die de Duitse studio’s onder het Hitlerregime verlieten, [dat] vanaf 1934 een Nederlandse filmproductie op gang kwam in Duivendrecht en Wassenaar.’(4) 

Hoewel het aantal lange speelfilms van Nederlandse makelij - Cinetone in Duivendrecht en Filmstad in Wassenaar produceerden vanaf 1933 tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog 37 lange speelfilms (5) – in het niet viel bij de stroom aan buitenlandse films die jaarlijks in de Nederlandse bioscopen te zien was, kan er toch voor het eerst gesproken worden van een Nederlandse speelfilmindustrie. 

Deze films waren geen namaak van de dramatisch opgezette films uit de Verenigde Staten. Kenmerkend is juist dat zij voornamelijk gebruik maakten van onderwerpen uit de Nederlandse geschiedenis en ook op herkenbare locaties werden gefilmd. De door de crisis aangewakkerde nationale interesse is dus van deze films af te lezen. 

Het is duidelijk dat de economische crisis en het politieke klimaat in Duitsland hun stempel drukten op de filmindustrie van Nederland. De laatste van de drie eerder besproken gebeurtenissen, namelijk de ontwikkeling van de geluidsfilm, is tevens van een groot belang geweest, met name voor de veranderende maatschappelijke rol die de film in de jaren dertig kreeg.

‘Hoewel er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de introductie van de nieuwe techniek in 1927 en de Wallstreet-crash op Zwarte Donderdag in 1929, is de geluidsfilm door de crisis tot enige norm voor bioscoopfilms verheven. Na de hoge investeringen in de benodigde apparatuur, gedaan in een tijd toen er nog geld was, bleek de geluidsfilm de exploitatie van een bioscoop goedkoper te maken.’(6) Volgens Van Beusekom verving de geluidsfilm aan het eind van de jaren twintig in rap tempo de zwijgende film. ‘In Nederland waren (…) tussen 1929 en 1932 de bioscopen sneller voorzien van geluidsapparatuur dan in andere landen.’(7) Dat succes is niet alleen verklaarbaar door de nieuwe techniek, maar ook omdat de geluidsfilm een nauwe band had met de taal, en zodoende het taalgebied, waardoor het aansloot bij de nationalistische gevoelens die in Europa en de Verenigde Staten heersten.

Bioscoopbezoek in Nederland en Nijmegen

De economische crisis mag voor de meeste Nederlanders dan wel voelbaar geweest zijn in de portemonnee, zij lieten zich er een bioscoopbezoek niet door ontnemen. Hoewel nauwkeurige statistische gegevens over het bioscoopbezoek in de jaren dertig ontbreekt, geldt in het algemeen dat na 1930 het bioscoopbezoek ietwat daalde, maar vanaf 1935 weer omhoogging.(8) Daarbij steeg het aantal bioscopen in Nederland tussen 1929 en 1939 van 273 tot 363 en het aantal verkochte toegangsbewijzen van 29 miljoen tot 40,4 miljoen.(9)

Maar belangrijker voor dit paper is dat door de bloei van de Nederlandse filmindustrie het maatschappelijke aanzien van de film in Nederland in zijn geheel steeg. Autoriteiten en belangrijke nieuwsbladen besteden er meer aandacht aan. Ook de exploitanten van bioscopen hadden er profijt van. ‘De bioscoop werd geprezen om zijn rendement, als werkverschaffer en als veilige belegging. De bioscopen hadden, vergeleken met andere bedrijven, het minst te lijden onder de verslechterde omstandigheden. Het publiek bleef graag films zien.’(10)

Dat geldt ook voor het Nijmeegse publiek. ‘In 1929 wordt op het Marienburg Luxor geopend, zodat er in 1930 in Nijmegen in drie bioskopen films worden vertoond: Chicago, Olympia en Luxor, terwijl ook in De Vereeniging nog op geregelde tijden films worden geprogrammeerd.’(11) In een verslag van de Nijmeegse bioscoopcommissie uit 1938 wordt daarnaast nog het City Theater als vijfde Nijmeegse bioscoop vernoemd. De bioscoopexploitanten hadden zich aan het begin van de jaren twintig al georganiseerd in de Nederlandse Bioscoopbond.

In 1930 werden er in theater Luxor de eerste geluidsfilms van Nijmegen getoond. Voor dit nieuwe fenomeen werd de eerste commerciële geluidsprojector, de zogenaamde ‘loetafoon’ van de Philips gloeilampenfabriek te Eindhoven, gebruikt. Maar ook de andere bioscopen van Nijmegen voeren de nodige technische veranderingen voor de geluidsfilm, snel door. Dat heeft ook te maken met het feit dat in 1930 ‘op het einde van het jaar Nijmegen zijn 700-jarig bestaan viert. Aan dit feestelijk gebeuren besteden de bioskopen veel aandacht.’(12)

Filmkritiek in Nederland en Nijmegen

De ontwikkeling van een eigen filmindustrie had een vergrote aandacht voor de film in Nederland tot gevolg; de geluidsfilm, en in het bijzonder het talige in de nieuwe films, bracht daarbij een verandering met zich mee voor de filmkritiek. Bij de nieuwe geluidsfilm was kunst en amusement steeds minder goed van elkaar te scheiden. De verhouding van de film tot de gemeenschap trad steeds meer op de voorgrond. Daardoor werden films steeds meer beoordeeld op hun inhoudelijke en morele betekenis. Film werd als amusement gezien en amusement had voor alle zuilen in Nederland iets verdachts. ‘Ook aan katholieke zijde zag men “de verderfelijke invloed” van de film en huldigde men als ideaal: Reinheid in een zondige wereld. Daarvan getuigen de vele strenge keuringsrapporten van de katholieke nakeuring in het Zuiden des lands, evenals de aanbevelingen op zaterdag in het dagblad De Tijd, waarin stond of de lopende films “geschikt”, “alleen voor volwassenen’ of ‘te ontraden’ waren.’(13) Naast het aanwezige aanbod, bepaalde dus de keuring en nakeuring van films wat er in de Nederlandse bioscoop te zien was.

De eerder beschreven verscherpte aandacht voor film in de Nederlandse media, geldt ook voor Nijmegen. Ook daar gaan de kranten steeds vaker over film schrijven. Er verschijnen vaste rubrieken waarin de laatste ontwikkelingen rond nationale en internationale films beschreven worden. Aangezien meer dan driekwart van de Nijmeegse bevolking in de jaren dertig het katholieke geloof aanhing, werd het beeld over film voor de meerderheid gevormd door de katholieke pers. 

De professionele filmkritiek in de jaren dertig laat zich namelijk onderbrengen in twee verschillende richtingen: de één volgend of reagerend, de ander voorwaardenstellend of ideologisch.(14) De eerste groep ontstond uit het in 1927 opgerichte Filmliga, een filmcollectief dat kunstzinnige avant-garde film voorstond. Hoewel ze in de jaren dertig nog dezelfde naam droegen, hadden zij hun strenge voorschriften waaraan de films moesten voldoen overboord gezet en volgden zij inmiddels het aanbod in de bioscoop. Dat kan niet gezegd worden van hun tegenhanger, het katholieke Filmfront, dat de oude strenge ideeën van de Liga aanhield en zich verzette tegen het nieuwe aanbod. Filmfront was een katholiek tijdschrift, in 1933 opgezet door de toonaangevende Brabantse filmcriticus Janus van Domburg. ‘Filmfront verklaarde zich in te willen zetten voor ‘de verantwoorde, breede, naar vorm en inhoud gewenschte en noodzakelijke katholieke film’, tegen de ‘industrieele schaamteloosheid.’(15) Daarbij golden de oude Sovjetfilms als voorbeeld voor de ware katholieke film; films waarin vooral de montage van belang was. De filmindustrie van de jaren dertig werd door Van Domburg stelselmatig als verderfelijk afgeschilderd. ‘Waar het smaak en moraal betrof, had hij in het grote publiek geen vertrouwen. In zijn ogen was het overgeleverd aan een stelletje gewetenloze, op winst beluste Amerikanen.’(16) 

Filmkeuring in Nederland en Nijmegen

Voor de verderfelijkheid die film kan bewerkstelligen, heeft altijd een zekere angst geheerst. ‘Vanaf het eerste moment is de overheid bij het filmgebeuren betrokken geweest.’(17) Al vanaf 1917 bestaat er in Nijmegen, zoals ook in andere gemeenten gewoonte is, een commissie die alle in Nijmegen te vertonen films keurt. In 1927 wordt er echter van rijkswege een centrale keuring voor films ingevoerd. Toch meent het gemeentebestuur dat een speciale commissie voor Nijmegen noodzakelijk blijft ‘om rekening te houden met de plaatselijke mentaliteit.’(18) Dat betekent dat niet dat alle films die in het land vertoond worden ook voor Nijmegen geschikt worden bevonden. 

Deze Nijmeegse filmkeuring wordt uitgevoerd door een commissie bestaande uit 25 leden ‘van wie een gedeelte tevens tot taak heeft toezicht te houden op ordelijkheid, zedelijkheid en hygienen in de theaters.’(19) Iedere vrijdag worden de nieuwe films door een subcommissie van drie leden gekeurd, inclusief het bijgeleverde reclamemateriaal. Films die volgens de commissie een gevaar vormen voor de zedelijkheid, de godsdienstigheid of de maatschappij in het algemeen worden afgekeurd. Soms worden de leeftijdsgrenzen, die door de centrale keuring zijn vastgesteld, verhoogd.(20)

Tabel 1.1 In Bovenstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal ter keuring aangeboden films in Nederland voor de jaren 1932 tot en met 1938.(21)

Tabel 1.2: Links staan de goedgekeurde films door de centrale keuring over het jaar 1938 uit tabel 1 en daarnaast het aantal films dat aan de Nijmeegse keuringscommissie ter nakeuring werd aangeboden.(22)

Over de vijf theaters in Nijmegen werden in 1938 ongeveer de helft van de centraal gekeurde films aan de gemeentelijke keuringscommissie ter nakeuring aangeboden om vertoond te worden. Hiervan werden door de commissie 6 films afgekeurd. Van vier films werd de leeftijdsgrens verhoogd. 

De film ‘De dubbele bruiloft’ werd zelfs van A naar C verhoogd. Geconcludeerd kan dus worden dat de plaatselijke nakeuring maar weinig veranderingen doorvoerde ten opzichte van de centrale keuring. Dit is opmerkelijk gezien het grote aandeel katholieke inwoners in Nijmegen.

Reacties op de Nijmeegse filmkeuring

De gemeente Nijmegen houdt gedurende de jaren dertig vast aan een eigen plaatselijke keuring. Die keuze zorgt voor spanningen, intern maar ook buiten de gemeente. Rekening houden met de religieuze diversiteit in Nijmegen blijkt namelijk niet zo gemakkelijk en van buiten oefent het katholieke zuiden druk uit op het gemeentebestuur.

Aan het begin van de jaren dertig hadden diverse gemeenten in Limburg en Noord-Brabant namelijk de “Vereniging van Noord-Brabantse en Limburgse gemeenten voor gemeenschappelijke filmkeuring” opgericht. Dat betekende dat bioscoophouders daar geen films meer mochten draaien die niet door de katholieke filmkeuring kwamen. Die keuring werd verzorgd door de Katholieke Film Centrale die tot doel had het zedelijk verval tegen te gaan door een eigen katholieke keuring van films te organiseren tegenover de rijkskeuring. In 1937 ontstond hieruit ook de Katholieke Film Actie, een federatie die culturele verheffing voor ogen stond. 

Op 25 augustus 1938 ontvangt de burgemeester van Nijmegen een dringend verzoek (23) van het Centraal Bureau Katholieke Film Actie te Den Bosch, om zich aan te sluiten bij de Vereniging van Zuidelijke Gemeenten en de keuring van films dus voortaan over te laten aan de KFC. De burgemeester stuurt het stuk voor advies door naar de Commissie van Toezicht met de begeleidende tekst ‘Het gaat in onze gemeente toch naar wensch?’ De commissie besluit op 18 oktober van dat jaar het verzoek af te slaan. De redenen die zij daarvoor opgeven, verhelderen de keuze van het Nijmeegse bestuur om zijn eigen keuring aan te houden. Volgens de commissie is film-nakeuring naar katholieke normen voor de gemeente Nijmegen, ‘met een zo talrijke andersdenkende minderheid, niet toe te juichen.’(24) Volgens de commissie zouden sommigen zich door eventuele afkeuring in hun geestelijke vrijheid beperkt kunnen voelen. De situatie in Nijmegen vraagt dus om een andere aanpak dan de, vrijwel geheel katholieke, gemeenten in het zuiden.

Uit hetzelfde rapport blijkt dat de commissie de tevredenheid van de burgemeester over de plaatselijke keuring deelt. ‘Zonder de Nijmeegse Keuringscommissie een pluim op de hoed te willen steken, meent de C.v.T. te mogen beweren, dat Nijmegen in haar commissie een goed werkend apparaat bezit, welke leden, in het algemeen, zonder zich te laten beïnvloeden, over de kwaliteiten der aangeboden films, hun oordeel vellen. Van gebruik maken van de keuringsuitslagen der KFC is geen sprake, wat het best hieruit blijkt, dat van de20 in het tijdvak van 30 november 1937 tot 8 juli 1938 door KFC afgekeurde C-films er in Nijmegen 15 door de gemeentelijke commissie werden nagekeurd, waarvan er 7 werden toegelaten.’(25) Hoewel de beoordelingen van het KFC natuurlijk invloed hadden op de overwegend katholieke commissie, bewijst de voorzitter zo dat er geen sprake is van slaafs opvolgen.

Uit het rapport van de Commissie van Toezicht blijkt zodoende dat de niet-katholieke inwoners van Nijmegen in staat waren om in hun stad films te zien die in andere katholieke gemeenten niet werden toegestaan. Ondanks de baat die inwoners van Nijmegen hier wellicht bij gehad hebben, wordt uit een studie van krantenartikelen uit dagblad De Gelderlander duidelijk dat er velen waren die de tevredenheid van het gemeentebestuur niet deelden.

De Gelderlander had in de jaren dertig een uitgesproken rooms-katholiek karakter en bij de bespreking van reacties wordt er dan ook van uit gegaan dat het kritiek betreft vanuit katholieke hoek. Omdat de katholieken meer dan 75 procent van de Nijmeegse bevolking uitmaakte, zijn die reacties toch veelzeggend voor de beleving van de toegankelijkheid van film in Nijmegen.

De ontevredenheid over de Nijmeegse keuring onder de bevolking uit zich in twee wegen: óf de keuring wordt als niet streng genoeg ervaren, óf de keuring wordt als té secuur beoordeeld. Zo wordt de commissie van keuring in een filmrecensie uit 1933 in De Gelderlander op emotionele wijze terechtgewezen. Hoewel de recensent de hoofdfilm ‘Emma’ bejubelt, raadt hij bezichtiging toch af vanwege de voorfilm ‘De Groote Bluf’, die door de plaatselijke keuringscommissie werd goedgekeurd voor personen boven de veertien jaar. In deze film blijken enkele ‘dans- en naaktvertellingen’ voor te komen. ‘Welnu, dit noemen wij vlakweg een schande’, schrijft de auteur. ‘Er moet iets niet in orde zijn met de plaatselijke keuringscommissie.’(26) Volgens de recensent is de film absoluut niet geschikt voor jongeren boven de veertien jaar. ‘Wordt er nauwlettend gezorgd, dat in de kleine commissies, die keuren, zoveel mogelijk alle schakeeringen der Nijmeegsche burgerij vertegenwoordigd zijn? (…) [wij] verwachten op de eerste plaats dat het zedelijk gevoel onzer kinderen niet afgestompt wordt.’(27)

Het weinig strenge oordeel van de keuringscommissie is voor deze recensent reden om zich zorgen te maken over de gevolgen voor de geestelijke vorming van katholieke jongeren. Deze soort reactie is veelvuldig terug te vinden in De Gelderlander. Zo wordt er later in datzelfde jaar door een journalist zelfs het voorstel gedaan om bioscoopbezoeken te verbieden voor personen beneden de zestien jaar. ‘De bioscoop is nog altijd een gelegenheid waar men veel gemakkelijker iets kwaads dan iets goeds zal leren (…) wij moeten strenge wachters bij de grenzen stellen.’(28) In 1935 doet De Gelderlander zelfs een oproep aan zijn lezers om niet aan de plaatselijke keuring te gehoorzamen, maar gehoor te geven aan de katholieke keuring die in het dagblad wordt gedrukt. Volgens het dagblad worden er te vaak door de katholieke keuring ontoelaatbaar verklaarde film in de ‘overwegend katholieke stad’ Nijmegen vertoond. ‘Het goed-willend publiek roepen wij op om met ons en heel de katholieke pers in Nederland en met de Katholieke Film-Centrale den strijd te voeren tegen de slechte film.’(29)

 

Naast de klacht dat de keuringsdienst in Nijmegen te veel ‘slechte’ films goedkeurt, staan er in De Gelderlander geregeld klachten van mensen die de keuring juist te streng vinden. Zo staat er in het verslag van een gemeenteraadsvergadering te lezen dat een zekere heer Lindeboom er zijn spijt over uitdrukt dat de filmkeuringscommissie twee films had afgekeurd omdat ze vermoedelijk een strekking hadden die haar niet welgevallig was. ‘De keuringsdienst moet aan het verstand gebracht worden wat de centrale keurings-commissie meent. (…) dat geen film afgekeurd behoeft te worden om hun politieke strekking’(30), aldus de heer lindeboom. 

Een jaar later wordt er in de krant verslag gedaan van een filmmiddag voor kinderen. Het artikel wordt een komische klaagzang op de plaatselijke filmkeuringscommissie die een reeds centraal gekeurde film, ondanks een gebrek aan tijd, toch in zijn volledigheid wilde keuren. Hierdoor begon de voorstelling niet om twee uur zoals afgesproken, maar om half vijf. ‘Drie heeren van de keuringscommissie vingen tegen tweeën de keuring heel secuur aan, alsof het om een schund-kijkspel betrof, waardoor half Nijmegen geestelijk vergiftigd zou kunnen worden’, spot de auteur. ‘Heel secuur werd het keuringsreglement nageleefd door drie vergrijsde heeren (…) of inmiddels eenige honderden kinderen die op twee uur rekenden, buiten in de regen stonden.’(31) Ondanks de goede en ambitieuze bedoelingen van de keuringscommissie ontstaat er op deze manier dus ook ontevredenheid over de filmkeuring.

Conclusie

Wat waren de effecten van de economische crisis op de bioscoopcultuur in Nijmegen? Na een onderzoek naar de belangrijkste invloeden op de filmindustrie in de jaren dertig, zal ik een antwoord op die vraagstelling formuleren. 

Ondanks de economische crisis kan er gesproken worden van een bloeiende bioscoopcultuur in het Nederland en Nijmegen van de jaren dertig. Dit succes was mede aan de crisis te danken. Vanwege de benarde economische situatie, waren veel mensen geïnteresseerd in een avondje ontspanning en plezier. Er werd niet bezuinigd op bioscoopkaartjes. Bovendien zorgden de politieke spanningen in Duitsland en de, door de crisis aangewakkerde, nationalistische tendens voor het ontstaan van een Nederlandse filmindustrie.

De professionalisering en verzakelijking van de filmindustrie in Nederland en de, zo belangrijke, uitvinding van de geluidsfilm, zorgden niet alleen voor populariteit bij het publiek, maar ook voor een grotere bemoeienis vanuit de media en de politiek met film. Doordat taal een belangrijk onderdeel werd in de geluidsfilm, vervaagde de scheidslijn tussen kunst en amusement. In het verzuilde Nederland zorgde dit voor spanningen. In de professionele filmkritiek ontstond er grote discussie over de beoordeling van film. Maar een grotere zorg werd het gevaar van het amusement voor het zedelijk gevoel van mensen. Vooral de katholieken hadden een zeer pessimistische opvatting van de ‘nieuwe’ film. Filmkeuringen moesten het publiek, en vooral jongeren, van moreel verval door dit plat amusement behoeden. 

Al deze veranderingen waren ook in Nijmegen merkbaar. Ook daar werd de geluidsfilm al vroeg doorgevoerd, werden Nederlandse films getoond en ontstond er een professionalisering van de filmkritiek in de media. 

Maar wat betreft de filmkeuring ontstond er in Nijmegen een unieke situatie die het aanbod aan films in de stad anders maakte dan in het katholieke zuiden van Nederland. In de jaren dertig was driekwart van de Nijmeegse bevolking katholiek. Toch koos het gemeentebestuur voor een plaatselijke nakeuring boven een centrale katholieke nakeuring van films, om de diversiteit van de bevolking recht te doen. Uit een vergelijking van cijfers van de centrale keuring en de Nijmeegse nakeuring (tabel 2) blijkt dat de plaatselijke keuring weinig wijzigingen aanbracht in de centrale keuring. Dat leidde tot een speciale situatie waarin er naar smaak van de katholieken te veel ‘ontoelaatbare’ films in de Nijmeegse bioscopen werden vertoond. De zorgen van katholieke Nijmegenaren konden zo hoog oplopen dat een journalist in De Gelderlander op een bepaald moment voorstelde om het bezoeken van bioscopen te verbieden voor jongeren beneden de 16 jaar. 

Maar ondanks de onvrede die erdoor ontstond, moet gezegd worden dat het filmaanbod in Nijmegen, dankzij de plaatselijke keuring waarschijnlijk bijzonder divers is geweest voor een overwegend katholieke gemeente.

Verwijzingen

1. Karel Dibbets en Frank van der Maden, ed., Geschiedenis van de Nederlandse Film en Bioscoop tot 1940 (Weesp 1986) 116.

2. Idem, 107.

3. Ansje Van Beusekom, Film als Kunst. Reacties op een Nieuw Medium in Nederland, 1895-1940 (Amsterdam 1998) 235.

4. Ibidem, 235.

5. Van Beusekom, Film als Kunst, 238.

6. Van Beusekom, Film als Kunst, 235

7. Ibidem.

8. Dibbets en van der Maden, Geschiedenis van de Nederlandse film, 141.

9. Idem, 245.

10. Van Beusekom, Films als kunst, 235.

11. Film in Nijmegen, 1895-1980. Een histories overzicht van 85 jaar filmgebruik, catalogus bij de tentoonstelling in het Filmhuis Nijmegen (1980).

12. Film in Nijmegen .

13. Dibbets en van der Maden, Geschiedenis van de Nederlandse film, 143.

14. Van Beusekom, Films als kunst, 264

15. Idem, 252

16. Van Beusekom, Films als kunst, 252.

17. Film in Nijmegen .

18. Ibidem.

19. Ibidem

20. Ibidem

21. Statistiek van het Bioscoopwezen 1939, Centraal Bureau voor de Statistiek, Rijksuitgeverij ’s Gravenhage 1939.

22. Oud Secretariearchief Nijmegen, 1811-1946. 19-8451, Stukken betreffende een verslag van de commissie van keuring voor de bioscopen over 1938 en bijbehorend stuk, 1938.

23. Oud Secretariearchief Nijmegen, 1811-1946. 19-9297, Stukken betreffende een verzoek aan de Gemeente om zich aan te sluiten bij de Vereniging van Zuidelijke Gemeenten voor nakeuring van films, 1938.

24. Oud Secretariearchief Nijmegen, 1811-1946. 19-9297, Stukken betreffende een verzoek aan de Gemeente om zich aan te sluiten bij de Vereniging van Zuidelijke Gemeenten voor nakeuring van films, 1938.

25. Ibidem

26. De Gelderlander 25 februari 1933, p. 9.

27. Ibidem

28. De Gelderlander 6 december 1933, 7.

29. De Gelderlander 19 januari 1935, 13.

30. De Gelderlander 30 januari 1929, 10.

31. De Gelderlander 4 januari 1932, 11.

Tabel 1.1

Bron: *Statistiek van het Bioscoopwezen 1937, Centraal Bureau voor de Statistiek, Rijksuitgeverij ’s Gravenhage 1937. # A: Geschikt bevonden voor alle leeftijden; B: geschikt voor boven de 14 jaar; C: voor boven de 18 jaar; D: ongeschikt bevonden.

Tabel 1.2

Bron: Oud Secretariearchief Nijmegen, 1811-1946. 19-8451, Stukken betreffende een verslag van de commissie van keuring voor de bioscopen over 1938 en bijbehorend stuk, 1938.

terug


REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: