Kinderzorg

Joep Timmermans

Katholieke zorg

Het katholieke aandeel in de sociale zorg tijdens de crisis

Bron: Gelderlander Online, Regionaal Archief Nijmegen (05-05-1934)

‘NIJMEEGSCH KATHOLIEKE COMITE VOOR WERKLOZEN – Wat deed het in 1936? – Ontwikkeling en ontspanning – Kon de gemeente niet wat meer doen?’(01) Deze kop verscheen in maart 1937 in de rubriek Nijmeegsch Nieuws in de Gelderlander. In het artikel werd aan de hand van het pas gepubliceerde jaarverslag van het Nijmeegsche katholieke Comité een kort overzicht gegeven van de activiteiten en initiatieven die het comité in 1936 had georganiseerd en ontplooid. Voor een onwetende lezer zegt deze kop erg weinig, maar voor iemand die al wat meer weet over de crisis van de jaren ’30 in Nederland zijn deze paar zinnen erg herkenbaar Het doel van dit artikel is om in kaart te brengen wat precies het katholieke comité en andere aan dit comité gelieerde organisaties deden voor de werklozen in Nijmegen. 

 

De crisis van de jaren ’30 had zijn oorsprong in 1929, om precies te zijn op 29 oktober van dat jaar, toen in de Verenigde Staten de beurs op Wallstreet instortte. Omdat de beurskrach het gevolg was van een enorme scheefgroei tussen vraag en aanbod,(02) kon de beurs niet op korte termijn herstellen en waren de gevolgen voor de economie erg groot. In Amerika stortte de vraag geheel in en door het grote aandeel van de Verenigde Staten in de wereldhandel, was de crisis al snel voelbaar in de rest van de wereld. Ook in Europa daalde de vraag aanzienlijk, wat ook in Nederland voelbaar was. De Nederlandse export zakte in en de prijzen, vooral van landbouwproducten en grondstoffen, vielen spectaculair omlaag. Toch leek Nederland aanvankelijk niet zo veel last te hebben van de crisis. Dit kwam vooral doordat de Nederlandse consumenten gewoon geld bleven uitgeven en doordat zowel de overheid als de bedrijven bleven investeren. Door deze ontwikkeling was 1930 nog een goed jaar voor Nederland. In 1931 was de internationale crisis echter te ver gevorderd en konden ook in Nederland de gevolgen niet langer uitblijven.(03) Ook in Nederland zakte de vraag en daarmee de productie in. De agrarische sector werd hard getroffen doordat de prijzen niet herstelden. Ook in de industrie vielen harde klappen. Vooral ongeschoolde arbeiders hadden het zwaar. De werkloosheidscijfers illustreren goed de val van de Nederlandse economie. In 1930 was 8,6 % werkloos, in 1931 verdubbelde dit percentage bijna met 15,9 % en in 1932 was de werkloosheid opgelopen tot 28,3 %. Tot aan 1936 zou de economie blijven verslechteren en daarmee de werkloosheid blijven stijgen, tot 35,2 % in 1936, maarliefst 480.000 personen.(04) Nederland werd het slachtoffer van de diverse protectionistische maatregelen van andere Europese landen. Omdat Nederland een erg open economie had en traditioneel afhankelijk was van de export, werd het hard getroffen door heffingen, quota en exportsubsidies die andere landen instelden om hun eigen economie te beschermen. Ter illustratie, de uitvoer zakte van 1.8 miljard gulden in 1925 naar 7 miljard gulden in 1935.(05) Daarbij kwam nog het onvermogen van de Nederlandse regering, onder leiding van Colijn, om in te grijpen. Tot 1936 hield de regering vast aan een deflatiepolitiek. De Nederlandse prijzen moesten omlaag door efficiënter te produceren en door te bezuinigen op loonkosten. De regering hield zich daarbij zoveel mogelijk op de achtergrond.(06) Pas in 1936 ging Colijn overstag en koppelde hij de gulden los van de gouden standaard. Hierdoor zakten de prijzen in Nederland ten opzichte van het buitenland en kon de export zich herstellen. Waar in andere Europese landen de werkloosheid piekte in 1932, lag het hoogtepunt in Nederland door dit late ingrijpen van de overheid in 1936. Voor de mensen die hun baan wisten te behouden, was de crisis helemaal niet zo’n probleem, en kon het zelfs voordelen opleveren. Door goedkope producten uit het buitenland, goedkopere grondstoffen, goedkopere productiemethoden zakten de prijzen die consumenten voor producten moesten betalen, waardoor de koopkracht voor zij die hun loon behielden gewoon toenam. Fabrikanten gingen stunten met hun prijzen om te proberen hun afzet weer wat te vergroten. Pas als iemand zijn baan verloor, moest hij zich zorgen gaan maken. 

Ook aan Nijmegen ging de crisis niet voorbij. Aanvankelijk bleef de werkloosheid binnen de perken, doordat de in 1929 opgerichte kunstzijde producent NYMA veel arbeiders aannam in de jaren voor 1933. Vanaf dat jaar echter groeide de werkloosheid flink, zelfs nog harder dan de landelijke werkloosheid. ‘In 1936 bedroeg het werkloosheidspercentage op de gehele bevolking in Nijmegen 5.4 procent, terwijl het landelijke cijfer 4.5 procent was.’(07) Door de bouw van een nieuwe elektriciteitscentrale en woonwijken werd de werkloosheid in 1934 kort wat minder, om vervolgens door te groeien naar bijna 6000 ingeschreven werklozen in 1937.(08) Volgens Van der Steen speelde op de achtergrond nog iets anders mee, wat de hoge werkloosheidscijfers veroorzaakte. Nijmegen kende volgens haar een onevenwichtige werkgelegenheidsstructuur, wat het conjunctuurverloop versterkte. Dit verklaart het hoge werkloosheidspercentage.(09) Dat ook in Nijmegen de industrie het zwaar te verduren had, blijkt wel uit de winstcijfers van de Papierfabriek Gelderland. Deze fabriek zag in het begin van de jaren ’30 de winst verdampen. Door extreme maatregelen, flinke loonsverlagingen in het hele bedrijf, wist het bedrijf vanaf 1934 de winst weer te vergroten, maar echt herstel kwam er pas vanaf 1936, met de devaluatie van de gulden. Pas vanaf 1936 ziet men de winsten weer stijgen naar het niveau van voor de crisis.(10) Met een toename van de werkloosheid kwam een afname van de koopkracht. De lonen zakten in de jaren ’30 weliswaar minder dan de prijzen, maar voor hen die werkloos werden, zakte het inkomen ook flink. Een werkloos huishouden had zo’n vier gulden minder te besteden per week dan een werkend gezin, zo’n 20 procent.(11) Toch gold ook voor Nijmegen dat het niet met iedereen slecht ging. Ook in Nijmegen werd er geprobeerd met prijsverlagingen klanten te trekken, zoals wel blijkt uit een uitgave van de Gelderlander. Op 10 mei 1936 wordt er onder andere reclame gemaakt voor aanbiedingen van Presto-zeep, kleding van het C&A en chocolade van Droste. 

 

In het algemeen was de tactiek van de overheid dus erg terughoudend. De regering was erg bang voor een al te groot begrotingsoverschot, waardoor ze constant op zoek waren naar manieren om te bezuinigen. Zo verlaagden ze de ambtenarensalarissen diverse keren en probeerden ze ook te korten op de steun, de uitkering die werkloze arbeiders ontvingen. Ook met subsidies waren ze erg terughoudend. Veel werd hierdoor overgelaten aan particuliere initiatieven. Zo waren de vakbonden belast met het uitdelen van de steun. En was die steun niet afdoende, dan waren mensen afhankelijk van liefdadigheid om toch het hoofd boven water te houden. Vanaf de jaren ’20 was Nederland verzuild, opgedeeld in een katholieke, protestante, socialistische en een neutrale groep mensen. Alles werd gedaan binnen de sociale groep, het invullen van de zorgbehoefte naar aanleiding van de crisis van de jaren ’30 vormde hierop geen uitzondering. De verschillende groepen maakten gebruik van de wetten rondom de armenzorg om de mensen voor hun zuil te behouden of zelfs om zieltjes te winnen. ‘De katholieken zagen in de armenzorg een middel om te verhinderen dat gelovigen van de kerk afdwaalden. Dit gaven zij ook zo toe: “Daar wordt wel eens mee gelachen; ten onrechte; want wat bereiken wij erdoor? Dat wij vasten voet houden in die families, en zóó in staat zijn een weldadige invloed op hen uit te oefenen. Deden wij dat niet dan zouden die honderden armen dagelijks lager zinken.”’(12) Van Mierlo onderzocht de situatie in Waalwijk tussen 1919 en 1939 en concludeerde dat zowel bij de armenzorg als de werklozenzorg ‘een beroep [werd] gedaan op kerkelijke en particuliere instellingen.’(13) In Waalwijk waren onder andere een Neutraal en een Rooms Katholiek Crisiscomité actief en konden katholieke armen terecht bij de R.K. St. Vincentiusvereniging, diverse parochiën en Rooms-Katholiek burgerlijk gasthuis, waar hervormde armen zich konden wenden tot de diaconieën van onder andere Besoyen en Waalwijk. Ook Pieter de Rooy, die onderzoek deed naar de werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding in Amsterdam tussen 1917 en 1940 bevestigt de invloed van de verzuiling.(14)

Financiële steun

Zoals in de inleiding al bleek was Nijmegen geen uitzondering. Vooral de katholieke zuil was erg actief, aangezien het grootste gedeelte van Nijmegen katholiek was. Ter informatie, op 31 december 1937 telde Nijmegen bijna 93.000 inwoners, waarvan er ruim 72.000 katholiek waren, ongeveer 77% van de totale bevolking.(15) Dat ook Nijmegen veel werklozen kende, blijkt wel uit de jaarrekening van hetzelfde jaar, 1937. Er werd meer als 1,5 miljoen gulden gespendeerd aan ondersteuning van werklozen, op een totaal van uitgaven van ongeveer 8,5 miljoen gulden. Bijna 20% van het totale budget ging dus naar werklozenondersteuning. Verder waren er nog allerlei voorzieningen die door de gemeente werden gesubsidieerd. De Nijmeegse katholieke arbeiders hadden zich verenigd in het Rooms Katholiek Werkliedenverbond (RKWV), die een Nijmeegse afdeling had. Zij droegen zorg voor de steunverlening aan de werkloos geraakte arbeiders die bij hun waren aangesloten. Iemand die werkloos was geworden zonder dat hij was aangesloten bij de R.K.W.V., kon later alsnog lid worden en zo zijn steun verzekeren. Aanvankelijk was dat lastig geweest, maar nadat overloop dreigde naar de socialistische organisatie der werklozen, besloot de landelijke leiding in te grijpen: ‘Aan B. en W. van Nijmegen is om erkenning verzocht dat de R.K. Werkliedenvereeniging als orgaan der R.K. Werkloozen zal worden erkend. Als die erkenning een feit is, zullen de R.K. Werkloozen nader van ons hooren. Zij kunnen verder beginnen met zich als lid der R.K. Werkliedenvereeniging schriftelijk op te geven aan het Secretariaat in Unitas.’ (16)

Jeugdige, ongetrouwde werklozen die nog thuis woonden bij hun familie vormden een aparte groep binnen de grote groep werklozen. 

Zij kregen geen steun van de overheid, en waren dus een grote last voor de familie. Bovendien, als zij wel werk hadden, waren ze hun familie eveneens tot last, omdat het hoofd van het gezin, indien werkloos, dan gekort werd op zijn steunuitkering. Daarom werden veel werkloze jongeren door hun ouders buiten de deur gezet. De jongeren moesten zich dan zien te redden met een uitkering van een schamele 4 gulden per week.(17) De regering had aanvankelijk grote plannen om wat te doen aan de jeugdwerkloosheid, maar door het gebrek aan geld, liepen deze initiatieven uit op niets. De Protestans-Christelijke Centrale voor Werkloozenzorg nam hierop het heft in eigen handen en startte in 1934 met een jeugdkamp. In zo’n kamp werkten de jongeren in de morgen en kregen ze ’s middags les op de volksuniversiteit. De andere zuilen volgden snel met soortgelijke initiatieven, waaronder ook de katholieke zuil.(18) In de Gelderlander werd diverse malen jeugdige, werkloze Nijmegenaren opgeroepen om deel te nemen aan een dergelijk kamp. Echter, de financiële middelen waren beperkt. Daarom werd van katholieken ook gevraagd of zij deze kampen wilden steunen met een geldelijke bijdrage. Een voorbeeld hiervan is het artikel wat verscheen in de Gelderlander van 10 mei 1937. Hierin wordt het doel van de Roomsch Katholieke Commissie voor Jeugdwerkloozenzorg uitgelegd, en wordt opgeroepen gul te geven tijdens de Mei inzameling: ‘Dit kampwerk ... is ongetwijfeld een der meest aantrekkelijke, maar ook een der meest effectieve vormen van zorg voor onze jeugdwerkloozen. ... Mogen onze katholieken aan den oproep der Nationale R.K. Commissie voor Jeugdwerkloozenzorg een klinkend gehoor geven!’(19)

Overige hulp aan werklozen

Al snel ontstond in Nederland en ook in Nijmegen het idee dat werkloosheid niet alleen invloed had op de financiën van een individu, maar ook op gemoedstoestand. Een werkloze werd er niet gelukkiger op naarmate hij langer zonder werk zat, integendeel, hij kon zelfs depressief raken. Dit probleem werd onderkend door de gemeente Nijmegen, en daarom gaf zij vanaf mei 1933 subsidie aan het Rooms Katholiek Comite voor Werklozen, het Protestants-Christelijke Comité voor Werkloozen en Het comité voor Ontwikkeling van Werkloozen der Moderne Arbeidersbeweging om ‘lediggang der werkloozen tegen te gaan.’ Per werkloze werd er jaarlijks 3,50 beschikbaar gesteld. Al snel werd deze taak binnen de katholieke groep zo groot, dat men besloot een apart comité op te richten, het in de inleiding al besproken Nijmeegs Katholieke Comité tot ontwikkeling en ontspanning van werkloozen. ‘Het enige goede dat werkloosheid brengt, is vrije tijd. Het comité wil de werkloozen er toe brengen dezen tijd aan te wenden tot eigen nut en ten bate van ’t algemeen welzijn.’(20) Zij verzorgden voor de werklozen daarom een mix van vermaak, ontwikkeling en godsdienstbelijding. Zo organiseerden zij cursussen voor allerlei groepen werklozen, om hun vakkennis op orde te houden en te vergroten en om hun algemene ontwikkeling te bevorderen. Verder organiseerden zij allerlei feesten, filmvoorstellingen en toneelopvoeringen ter vermaak van de werkloze arbeiders. Ook zorgden zij voor apostolische opleiding van de werklozen. Zo werden er in 1936 cursussen in de geloofs- en zedenleer georganiseerd, waaraan maarliefst 777 mensen deelnamen. Ook regelde het Comité gratis toegang tot de voorstelling van de revue “Hallo, wie lacht daar”.(21) 

 

Werkloosheid en de bredere context, hulp aan de familie

 

Niet alleen de werkloze zelf werd getroffen doordat hij zijn baan verloor. In de meeste gevallen was de werkloze de kostwinner, en moest hij een heel gezin verzorgen. 

Doordat de steun duidelijk minder was als het salaris wat hij kreeg voordat hij de steun in ging, moest de familie heel wat soberder gaan leven. Om te kunnen omgaan met deze nieuwe omstandigheden, konden de gezinnen van werklozen zich beroepen op heel wat katholieke organen. Zo was er de R.K. Vereeniging “Het schoolkind”, die ervoor zorgde dat de kinderen van armen in het algemeen en werklozen in het bijzonder een goede maaltijd kregen op school. Met behulp van een subsidie van ongeveer 1700 gulden van de gemeente, aangevuld met giften van particulieren, verzorgde deze vereniging in 1937 ‘aan +- 175 kinderen 112 maaltijden (27.350 porties), waarvoor noodig waren 28.520 broodjes, 5170 l. melk en 14.710 l. pap (havermout, rijst, griesmeel).’(22)

Vrouwen die geen kraamzorg konden betalen, konden zich wenden tot Huize Bethlehem. In dit kloosterpand, gelegen in de oude, arme en verloederde benedenstad van Nijmegen, gaven de zusters Domicanesses van het Allerheiligste Sacrament kraamzorg en gezinszorg aan jonge moeders. Zij zorgden ervoor dat kinderen op een gezonde en verantwoorde manier ter wereld kwamen. Verder gaven zij jonge moeders voorlichting over opvoeding van hun kinderen. Ook de Nijmeegsche Commissie tot Huishoudelijke Voorlichting van Huismoeders en Toekomstige Huisvrouwen hield zich bezig met voorlichting voor jonge moeders. Zij gaven echter meer brede voorlichting over opvoeding van kinderen, over huishoudkundige zaken, zoals koken, kleding verstellen en schoonmaken. Ook deze cursussen waren goed bezocht, zoals wel blijkt uit het jaarverslag. 106 leerlingen volgden in totaal 20 verschillende cursussen.(23) Deze organisaties kregen weliswaar subsidies, maar waren voor een groot deel afhankelijk van giften en inzamelingsacties van en onder Nijmegenaren. 

Conclusie

De crisis van de jaren ’30, die zijn oorsprong had in de Verenigde Staten, werkte ook hard door in Nederland. Mede door slecht ingrijpen van de overheid duurde de crisis in Nederland erg lang. Begonnen in 1930, toonde de economie van Nederland pas in 1936 de eerste tekenen van herstel, pas nadat de regering onder leiding van Colijn eindelijk de Gouden Standaard had losgelaten. Hierdoor zakte de gulden erg in waarde ten opzichte van buitenlandse valuta, waardoor de Nederlandse export zich kon herstellen en daarmee ook de rest van de Nederlandse economie. 

De regering hanteerde gedurende de gehele crisis een erg afhoudende politiek. Alleen als zij echt niet anders kon, ging zij over tot ingrijpen. Hierdoor hadden armen in het algemeen en werklozen in het bijzonder het erg zwaar. In de samenleving ontstond een groeiend roep om ingrijpen. Uit maatschappelijk bewustzijn wilden velen hun steentje bijdragen om de minder bedeelden in het land te helpen. Omdat Nederland erg verzuild was, ging ook de maatschappelijke hulpverlening een verzuild karakter vertonen. 

Dit bleek onder andere in Nijmegen, waar diverse katholieke hulporganen werkzaam waren. In bijna alles waren werklozen afhankelijk van deze katholieke instanties. De verlening van uitkeringen werd door de overheid overgelaten aan de zuilen, waardoor het katholieke Werkliedenverbond werd opgezadeld met de steunverlening. Ook secundaire levensbehoeften, zoals vermaak en ontwikkeling werden door de katholieke organen, zoals het Nijmeegs Katholieke Comité tot Ontwikkeling en Ontspanning van Werkloozen. Dit comité organiseerde onder andere cursussen en gratis bioscoopvoorstellingen. Ook de familie van de werkloze was bij de katholieken in goede handen. Voor arme kinderen was er schoolvoeding en voor huisvrouwen waren er cursussen en hulp in de huishouding. Wat blijft doorklinken in alle bronnen, zowel officiële verslagen als krantenartikelen, is de afhankelijkheid van de giften en inzamelingsacties. Af en toe was er overheidssubsidie, maar alle comités en verenigingen waren voor een groot deel afhankelijk van mensen uit de eigen zuil om het voortbestaan en de initiatieven te kunnen garanderen. 

Verwijzingen

1. De Gelderlander (16-03-1937) 9.

2. B. de Vries (ed.), Van agrarische samenleving naar verzorgingsstaat. Demografie, economie, maatschappij en cultuur in West-Europa 1450-2000 (Groningen 2000) 282.

3. J. van Zanden, The economic history of the Netherlands 1914-1995. A small open economy in the ‘long’ twentieth century ( London 1998) 109.

4. Werkloosheidcijfers gebaseerd op: l. van Loo, “Den arme gegeven…” Een beschrijving van armoude, armenzorg en sociale zekerheid in Nederland, 1784-1965 (Meppel 1987) 115.

5. Z.n., 1899-1989. Negentig jaren statistiek in tijdreeksen (Den Haag 1989) 122.

6. B. de Vries (ed.), Van agrarische samenleving naar verzorgingsstaat 287.

7. Margit van der Steen, ‘De invloed van de crisis op het werk van Nijmeegse Huisvrouwen (1930-1939)’, in: Numaga (1985) 25.

8. Hans Bots e.a. (ed.), Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland III (Wormer 2005) 283.

9. Van der Steen, ‘De invloed van de crisis’ 26.

10. Bots e.a. (ed.), Nijmegen 283.

11. A. den Hartog, ‘Werklozen en hun voeding in de jaren 1930-1939’, in: Spiegel Historiael 17 (1982) 447.

12. L. van der Valk, Van pauperzorg tot bestaanzekerheid. Armenzorg in Nederland 1912-1965 (Delft 1986) 105.

13. A.W.C.M van Mierlo, Economische omstandigheden en sociale aspecten in Waalwijk. Armen- en werklozenzorg 1919-1939 (Tilburg 1983) 39.

14. P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940. Landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam 1978).

15. Verslag van den toestand der Gemeente Nijmegen over het Jaar 1937 ( Nijmegen 1938) 14.

16. De Gelderlander ( 27-03-1937 ) 9.

17. De Gelderlander ( 10-05-1937 ) 1.

18. L van Loo, Den arme gegeven... 168.

19. De Gelderlander ( 10-05-1937 ) 1.

20. De Gelderlander ( 05-05-1934 ) 21.

21. De Gelderlander ( 16-03-1937 ) 9.

22. Verslag van den toestand der Gemeente Nijmegen over het Jaar 1937 ( Nijmegen 1938) 120.

23. Verslag van den toestand der Gemeente Nijmegen over het Jaar 1937 ( Nijmegen 1938) 113. 

terug


REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: