Kinderzorg

Leonie Rosbergen 

Kinderzorg

Kinderzorg in de jaren dertig.

Bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen (F52617)

De crisis van de jaren dertig had grote gevolgen voor de samenleving. Grote delen van de samenleving ontkwam niet aan de economische malaise die Nederland in deze jaren teisterde. Niet voor iedereen had deze crisis dezelfde gevolgen en op politiek, economisch en sociaal gebied zijn verschillende effecten waar te nemen. Over bepaalde groepen in de samenleving zijn al verschillende studies geschreven, zoals de werklozen die door middel van werkverschaffingsprojecten aan het werk gezet werden. Maar ook over de politieke elite, en de radicalisering van de politiek. Andere groepen blijven echter achter in studies over de jaren dertig. Over kinderen in de crisisjaren is nauwelijks iets geschreven terwijl deze toch zeker niet aan de gevolgen ontkwamen. Dit paper zal zich dan ook richten op kinderen in de jaren dertig. Specifiek zal kinderzorg het hoofdthema zijn. 

De hoofdvraag zal dan ook zijn: Hoe zag de kinderzorg op zowel nationaal als regionaal gebied er uit tijdens de crisis van de jaren dertig? Het paper zal bestaan uit twee paragraven waarin in het eerste gedeelte een beeld wordt geschetst van de nationale situatie. Hierin wordt vooral de Kinderbescherming beschreven en het opkomen van staatsvoogdij, dit was namelijk van groot belang voor de ontwikkeling van kinderzorg. In het tweede gedeelte zal de kinderzorg in Nijmegen onderzocht worden. Hierbij zullen verschillende maatschappelijke instellingen die zich bezig hielden met kinderzorg worden besproken. Door het eerder genoemde gebrek aan literatuur zal voornamelijk gebruik worden gemaakt van bronnen in de vorm van jaarverslagen. Dit brengt echter ook enkele problemen met zich mee. Zo stoppen enkele jaarverslagen in 1932 en beginnen anderen pas in 1936. Dit vormt inderdaad een beperking wanneer een representatief beeld geschetst dient te worden over de kinderzorg in Nijmegen. Toch zal geprobeerd worden met het materiaal dat voor handen is een conclusie te trekken.

De nationale situatie rondom kinderzorg in de jaren dertig

Het grootste breekpunt in de kwestie om zorg voor andermans kinderen kwam in 1905 in de vorm van de Kinderwetten. Deze wetten maken het voor het eerst mogelijk dat de Staat ingrijpt wanneer ouders hun opvoedende rol niet meer kunnen vervullen. Voor het eerst is de vaderlijke macht niet meer onaantastbaar. Pas in de jaren twintig werd opgemerkt dat deze Kinderwetten nieuwe mogelijkheden opende, niet alleen voor het weeskind of het verlaten kind maar nu dus ook voor het verwaarloosde kind. De bezorgdheid over kinderen groeide in de samenleving, vooral met het zicht op de verpauperde wijken en de kinderen die daar leefden. De politieke voelde echter nog niets voor de onder voogdijstelling van kinderen die nog ouders hadden. Toch werd de druk hiervoor in de jaren twintig groter vooral binnen het vraagstuk om de misdaad in Nederland terug te dringen. Kinderen die in slechte omstandigheden opgroeide hadden meer kans om in de criminaliteit terecht te komen. Daardoor werd het dus mogelijk om ontspoorde of verwaarloosde kinderen bij hun ouders weg te halen en onder voogdij van de Staat te plaatsen. Zij werden vaak door particuliere organisaties heropgevoed.(01)
De kinderbescherming speelde hier vaak een grote rol in. Zij was een organisatie die opkwam voor het verwaarloosde of mishandelde kind. In de jaren dertig kreeg deze organisatie echter te leidden onder grote bezuinigingen. Dit gebeurde vanaf 1932. De Minister van Justitie kende iedere Kinderrechter een beperkt budget toe om te besteden aan de kinderen over wie een maatregel werd uitgesproken. In 1933 werd tevens de boodschap aan de Officieren van Justitie en de Voogdijraden gebracht om vooral behoedzaam te zijn bij het uitlokken van justitiële maatregelen. Zo´n maatregel zou de Staat namelijk geld kosten en om deze reden hadden zij liever dat er een tijdje minder uitspraken zouden komen. Er moest ook bezuinigd worden op de kosten van de Rijksopvoedingsgestichten. Dit werd bereikt door een salarisverlaging van de opvoedende ambtenaren in de rijksgestichten in te voeren. Er was nauwelijks politieke discussie over het feit dat deze maatregel direct een negatief effect zou hebben op de opvoeding van deze kinderen.(02)

Deze ambtenaren waren namelijk erg belangrijk in de opvoeding van kinderen die onder Voogdij van de Staat waren geplaatst. Hier was men zich zeker bewust van want in de jaren twintig waren er enkele opleidingen gestart om deze ambtenaren op te leiden tot opvoeders van rijksopvoedingsgestichten. Zo startte in 1920 de opleiding voor Kinderverzorging en opvoeding. In 1933 werd deze opleiding echter weer wegbezuinigd en werd de rang van opvoedkundig ambtenaar opgeheven. De minister stelde dat persoonlijke kwaliteiten voldoende moesten zijn en dat er nauwelijks behoefte was voor opgeleid personeel.(03)
De kinderrechter werden in de jaren dertig gekort maar ook de Kinderbescherming zelf kon niet ontsnappen aan de geplande bezuinigingen. Rond 1931 gingen er geruchten dat bezuinigingsacties van de Commissie Welter de kinderbescherming zouden treffen. De kinderrechter werd zoals hierboven al beschreven gerantsoeneerd op zijn uitgaven. Dit trof dus niet in directe zin de organisatie van de Kinderbescherming. Toch merkten zij de gevolgen. Er was een scherpe daling van het aantal nieuwe voogdijkinderen merkbaar. In 1933 waren dit er nog maar 800, terwijl er normaal gesproken minstens 12.00 voogdijkinderen werden toegewezen. Dit duurde gelukkig maar kort. In 1935 kwam er opnieuw een daling van subsidies, maar deze viel gelukkig mee omdat de prijzen ook aanzienlijk waren gedaald.(04) 
Het leven in de gestichten zelf veranderde ook. Voorheen kwamen kinderen uit deze gestichten vaak uit de lagere klasse van de samenleving. Het leven in deze gestichten was hierop ingesteld en de kinderen werden sober behandel. Zij moesten volgens de leiding wennen aan een nederig leven in de onderklasse. Na 1930 werd de voogdijmaatregel wijder toegepast en kwamen er ook meer kinderen uit de lagere middenstand en nette arbeidersstand in opvoedingsinrichtingen terecht. Op sommige plaatsten werd de opvoeding aan hun cultuur aangepast. Zo kwam er meer vrijetijdsbesteding buitenshuis zoals de padvinderij. De verblijfzalen werden vrolijker en radio werd toegestaan.(05)

Kinderzorg in Nijmegen

In deze paragraaf zullen verschillende instanties die zich bezig hielden met kinderzorg in Nijmegen worden besproken. Voor elke instantie zullen enkele dingen worden bekeken. Ten eerste hoe de financiële situatie er in de jaren dertig uit zag. Ten tweede of zij meer kinderen hulp moesten of konden bieden. Als derde wordt gekeken of zij in de jaren dertig met dingen te maken kregen die specifiek kenmerkend zijn voor de jaren dertig. Kortom: hoe beïnvloedde de crisis deze instanties? Er zal gebruik worden gemaakt van tabellen om een duidelijk beeld te schetsen.

 

Vereniging voor Rooms-katholieke gezinsvoogden en patronage te Nijmegen.

 

Deze vereniging werkte samen met de Kinderrechter, Voogdijraad, bureau kinderpolitie, maatschappelijk hulpbetoon en de armenraad. Hij werd in 1932 opgericht en is dus een product van de jaren dertig. In deze jaren werd namelijk steeds meer gebruik gemaakt van de Kinderwetten uit 1905. In welke mate dit met de crisis te maken heeft is moeilijk te zeggen. Het zal vooral te maken hebben met het feit dat de politiek inzag dat ingrijpen in gezinssituaties nodig was. 

De bronnen van deze instantie lopen van 1936 tot en met 1939 en hieronder zag een beeld worden geschetst van deze periode. In 1936 kreeg de vereniging toestemming tot een straatcollecte die fl. 283,62 opleverde. Het aantal gevallen dat onder toezicht van de vereniging stond werd in dit jaar nauwelijks meer omdat een groot gedeelte kon worden ´afgevoerd´. Het begrip ´afvoeren´ geeft aan dat kinderen onder toezicht van een andere instelling kwamen te staan. Zoals een weeshuis of opvoedingsgesticht.
In 1937 leverde de straatcollecte aanzienlijk minder op maar nam het aantal nieuwe gevallen duidelijk toe. Zo werd in het jaarverslag gesteld: ´(…) hebben wij op ons gebied helaas niet met werkloosheid te kampen´.(06) Ook in de jaren 1938 en 1939 werd een steeds groter aantal kinderen toevertrouwd aan deze vereniging. Wel bleef in de jaarverslagen het probleem van de verminderde collecte opbrengst aanwezig. In de tabel is echter wel te zien dat het aantal leden steeg waardoor waarschijnlijk hierdoor de financiën op pijl bleven. Ook valt op dat het aantal gevallen enorm steeg. 
De vereniging deed het dus juist heel goed in de jaren dertig. Het wierf meer leden en was in staat meer kinderen te helpen. 

Tabel 1.1: Vereniging voor Rooms-katholieke gezinsvoogden en patronage te Nijmegen.

Een algemeen beeld over het aantal voogdijkinderen werd geschetst in het jaarverslag van Hulpbetoon. Hier werden alle verenigingen die zich bezig hielden met voogdijkinderen in Nijmegen opgeteld. Volgens het jaarverslag steeg het aantal voogdijkinderen in 1936 aanmerkelijk. Wanneer kinderen die onder voogdij werden gesteld uit Nijmegen afkomstig waren kreeg de vereniging hier subsidie voor. In de tabel hieronder is duidelijk dat het aantal voogdijkinderen in de jaren dertig steeg. In drie jaar tijd was het aantal voogdijkinderen ruim verdriedubbeld. Ook de subsidie bleef niet achter. Bezuinigingen zijn dus niet op te merken binnen de Voogdijverenigingen. 

Binnen de Vereniging voor Rooms-katholieke gezinsvoogden en patronage te Nijmegen, die hierboven besproken werd, is er ook geen vermindering op te merken. Zij waren ook in staat meer kinderen te helpen. 
Dat het aantal voogdijkinderen zo sterk steeg geeft ook aan dat kinderzorg op dit gebied in de jaren dertig enorm toenam. Het was waarschijnlijk niet aan de crisis te wijten dat er opeens zoveel meer kinderen hulp nodig hadden. Meer waarschijnlijk is het dat de samenleving zich bewust werd van het feit dat veel kinderen binnen het gezin slecht behandeld werden en dat de samenleving hier op in moest grijpen.

Tabel 1.2: Voogdijkinderen Nijmegen.

Verstrekking van kleding, schoeisel en voeding aan het schoolgaande kind.

 

In het jaarverslag van Hulpbetoon werd ook een optelling gemaakt van de hulp die gegeven werd aan schoolgaande kinderen in de vorm van kleding, schoeisel en voeding. De gegevens hierover zijn opgenomen in tabel 3. Helaas zijn alleen de gegeven van de totale uitgave elke jaar beschikbaar.
Om in aanmerking te komen voor schoolvoeding moesten aanvragen ingediend worden bij de dienst voor maatschappelijk Hulpbetoon. 

De ingediende gegevens moesten bepalen of de kinderen van de aanvrager in verband met de financiële gezinsomstandigheden in aanmerking kwamen. Wanneer er geen bezwaar gemaakt werd, werden de lijsten met aanvragen aan de schoolhoofden gezonden. Die werden dan doorgegeven aan de schoolartsen en schoolverpleegsters. Zij brachten hun advies uit over de toestand van het kind. Hierna werd een kaart tot deelname uitgereikt. De uitvoering werd op 11 eetplaatsen gedaan door de Rooms-katholieke vereniging ‘Het schoolkind’’ en de ‘Nijmeegsche vereeniging voor kindervoeding- en kleding.

Tabel 1.3: Verstrekking van kleding, schoeisel en voeding aan schoolgaande kinderen.

Zoals in de tabel te zien is stegen de uitgave aan kleding, schoeisel en voeding voor kinderen in de jaren dertig aanzienlijk. De reden hiervoor moeten we waarschijnlijk zoeken in het feit dat er meerdere aanvragen van gezinnen kamen die door de crisis hun kinderen niet voldoende konden kleden of voeden. Ook schoolvoeding kwam in de jaren dertig veelvuldig voor. 

Armenraad te Nijmegen.

Onder de armenraad in Nijmegen vielen verschillende instanties en organisaties. Drie hiervan hebben betrekking op kinderzorg. 

Namelijk:

- Vereniging Liefdewerk voor kinderbescherming der St. Vincentius Vereniging.
- Vereniging tot opneming van verwaarloosde wezen te Neerbosch.
- De beide weeshuizen (Katholiek en Protestants).

Van deze verenigingen en instanties heb ik het aantal ondersteunende en de financiële situatie in een tabel gezet. Helaas is hier wederom sprake van een bronnentekort en geven deze verslagen slechts te situatie tot 1934 weer. 

Tabel 1.4: Vereniging Liefdewerk voor kinderbescherming der St. Vincentius Vereniging.

Tabel 1.5:Vereniging tot opneming van verwaarloosde wezen te Neerbosch.

Tabel 1.6: De beide weeshuizen.

Wat opvalt, is dat het aantal ondersteunde binnen de St.Vincentius Vereniging gestaag stijgt maar niet in grote mate. De financiële situatie van de vereniging was in het begin van de jaren dertig nog niet zo sterk maar naarmate de jaren vorderen was er sprake van een structureel overschot. Hierbij lijkt het dus alsof de crisis weinig invloed uitoefende op deze organisatie. Ook binnen het wezendorp Neerbosch is dezelfde situatie zichtbaar. Het aantal wezen veranderde niet drastisch en de financiële situatie was bijna over de gehele periode als positief te bestempelen. Wel was er in 1933 een kleine dip waarin het overschot niet erg groot was. In 1934 leek dit dan weer opgelost.

Bij de beide weeshuizen was een opmerkelijke verandering op te merken. De daling in het aantal ondersteunden was erg klein terwijl het begrotingsoverschot na 1932 sterk toenam. Dit kan niet liggen aan het feit dat er minder ondersteunende waren omdat deze daling niet zo groot was. Het verschil is te vinden in de uitgaven. Deze daalden enorm terwijl de ontvangsten in veel mindere mate daalden. Hierdoor kun je concluderen dat er waarschijnlijk bezuinigd werd. Maar het kan ook een gevolg zijn van sterke prijsdalingen op levensmiddelen.

 

Vereniging kinderzorg binnen de classis Nijmegen.

 

Deze verenging hield zich bezig met de voogdij van kinderen. De zorg van kinderen werd door de Rechtbank overgedragen. Dit ging vooraf aan een onderzoek van de Voogdijraad naar verwaarlozing. 

Wanneer de vereniging de voogdij kreeg werd het kind bij pleegouders geplaatst. Dit was niet altijd mogelijk en sommige kinderen werden in weesinrichtingen geplaatst zoals Neerbosch. Andere kinderen hadden speciale zorg nodig en gingen naar inrichtingen of gestichten. 
Aan het begin van de jaren dertig merkte de vereniging op in haar jaarverslag dat het aantal dat jaarlijks de vereniging steunde daalt. Dit kan er toe hebben bijgedragen dat bijna de gehele jaren dertig de financiële situatie van de vereniging in een slechte situatie verkeerde. Er is bijna elk jaar een tekort op de begroting te vinden terwijl het aantal ondersteunende niet veel steeg of daalde. 
Toch werd in 1938 besloten tot verruiming van de werkzaamheden van de vereniging. Zij werden uitgestrekt tot de Hervormde Gemeenten die niet behoorden tot de classis Nijmegen en waarbinnen geen vereniging met soortgelijk doel werkzaam was. In het jaarverslag werd ook opgemerkt dat er grote behoefte was aan extra geldmiddelen. Dit is ook in de balans te zien. Daarom werd er aan het einde van elk jaarverslag een oproep gedaan. Zoals in 1938: ‘Met het oog op die kinderen om wie het ten slotte alleen in ons werk gaat en die er het levend middelpunt van zijn, vragen wij uw belangstelling, liefde en steun. Wij doen dit in den naam van God, die in Christus de kinderen to Zijn Koninkrijk roept’.(07)

Tabel 7: Vereniging kinderzorg binnen de classis Nijmegen.

Schoolartsen en schooltandartsen.

 

In de jaren dertig kwam er in Nijmegen een enorme aandacht voor de gezondheidstoestand van schoolgaande kinderen. Hierdoor breidde het idee van schoolartsen zich in deze jaren uit en werd er voor het eerst een schooltandarts aangesteld. Zij kregen in de jaren dertig met verschillende problemen te maken. 
De eerste schoolartsen begonnen in 1909. Toen waren zij nog maar op enkele scholen werkzaam. In de jaren twintig heeft dit zich enorm uitgebreid en deze opgaande lijn hield aan in de jaren dertig. In mei 1927 werd de eerste schooltandarts aangesteld die ook elk jaar terrein won. In datzelfde jaar werd de 3e schoolverpleegster aangesteld waardoor er nu in totaal 3 schoolartsen, 3 verpleegsters en 1 schooltandarts in Nijmegen werkzaam waren. 
In 1929 werd er op drie scholen besloten om kindervoeding te plaatsen en werd er in Neerbosch een 6e polikliniek tegen favus-ziekten opgericht. 

Dit is een duidelijk teken dat de kinderzorg in Nijmegen zich uitbreidde. De schoolartsen kregen ook steeds meer taken. Zo werden zij gevraagd om controle uit te oefenen op de aanvragen voor huisonderwijs voor zieke en zwakke kinderen, waarvoor subsidie uit de gemeentekas werd verleend. Ook gaven zij advies over de inhoud van het verbandtrommeltje wat vanaf 1931 op elke school te vinden was. Er kwam in de jaren dertig ook aandacht voor nieuwe modellen schoolbanken die beter waren voor de houding van kinderen waardoor rug of nekklachten moesten worden tegengegaan.
Tot 1931 werden alleen kinderen uit de eerste klas door de schoolartsen onderzocht. Vanaf dit jaar breidde dit zich uit waardoor nu ook oudere kinderen uit de 4e klas onderzocht werden. In tabel 8 is ook vanaf dit jaar te zien dat bijna het dubbele aantal kinderen werd onderzocht waardoor nog meer afwijkingen geconstateerd konden worden. 

Tabel 1.8: Schoolarts.

De schooltandarts kwam in de jaren dertig op. Voor het eerst kregen alle kinderen die op een school zaten die bij deze schooltandarts was aangesloten elk jaar een controle. Vanaf 1931 werd dit zelfs uitgebreid naar 2 controles per jaar.  Het werk van de schooltandarts breidde zich hierdoor zo uit dat in 1932 een tweede schooltandarts werd benoemd. Hierdoor konden nog meer kinderen op nog meer scholen worden behandeld. 

Tabel 1.9: Schooltandarts.

Conclusie

Wat kan nu concluderend gezegd worden over kinderzorg in de jaren dertig? Op zowel nationaal als regionaal gebied breidde deze zich in de crisisjaren enorm uit. Dit was vooral het gevolg van eerder in gang getreden processen waarbij steeds meer aandacht kwam voor het welzijn van kinderen. Op nationaal niveau was de crisis bij organisaties die zich bezig hielden met kinderzorg wel merkbaar. Zo werden vooral in de beginjaren minder kinderen onder voogdij van de Staat gesteld omdat dit als gevolg van bezuinigingen te kostbaar was. 
In Nijmegen is deze tendens echter niet merkbaar. Het aantal voogdijkinderen steeg in de jaren dertig enorm, vooral aan het einde van het decennia. Sommige organisaties die zich bezig hielden met de opvang van kinderen kregen op financieel gebied wel problemen maar dit leidde er niet toe dat zij niet meer in staat waren kinderen te helpen.

Vooral op het gebied van kindergezondheid werden in de jaren dertig grote stappen gemaakt. Zo breidde het systeem van schoolartsen en schooltandartsen zich enorm uit. Ook werden vele kinderen geholpen door middel van verstrekking van kleding, schoeisel en voeding.
Na dit onderzoek zou je kunnen concluderen dat de kinderzorg in Nijmegen niet negatief werd beïnvloed door de crisis. Het aantal kinderen dat geholpen kon worden steeg juist. Wel zou het kunnen zijn dat door de negatieve gevolgen van de crisis binnen gezinnen de overheid van mening was dat zij de verantwoordelijkheid voor de zorg van kinderen niet slechts bij de ouders konden laten. Dit is echter speculeren en niet met zekerheid te zeggen.

Verwijzingen
1. S. Groenveld , ea., Wezen en boefjes, zes eeuwen zorg in wees-en kinderhuizen. ( Hilversum 1997) 339-340.

2. Groenveld, Wezen en boefjes, 369-370.

3. Ibidem.

4. Mr. J. Overwater, De geschiedenis van de Nederlandse bond tot kinderbescherming 1899-1947(1949).

5. Groenveld, 271-272.

6. Vereeniging voor R.K. gezinsvoogden en patronage te Nijmegen 1936-39, 1937 Archief Nijmegen Archiefnr: J 57.

7. Jaarverslag vereniging kinderzorg binnen de Classis Nijmegen 1938, Archief Nijmegen Archiefnr: J60.

terug


REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: