S.D.A.P.

Alexander de Lepper

S.D.A.P.

De verandering van de Socialistische Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in de jaren dertig

Bron: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen (F35176)

‘In de strijd tegen de verdrukkers wensen wij strijd te voeren op elk gebied. Op economisch gebied zullen wij de loonslaven steunen in hun strijd tegen de kapitalistische dwingelandij; op politiek terrein zullen wij trachten afbreuk te doen en tenslotte geheel te vernietigen elk voorrecht der heersende klasse; en mocht eens de noodzakelijkheid het eisen dat tegenover het geweld der heersers geweld der beheersten wordt gesteld, dan zal de sociaaldemocratie haar rood gekleurd vaandel waarlijk niet verloochenen.’(01)

Dit zijn enkele woorden uit het manifest, opgesteld door de ‘twaalf apostelen’. Deze twaalf personen, waaronder Schaper, Vliegen en Troelstra, waren in 1894 van plan om een nieuwe partij op te richten. Op zesentwintig augustus stapten enkele sociaaldemocraten uit de Sociaaldemocratische Bond en richtten de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP) op.(02)

 

De socialistische ideologie hield in dat er door de verslechtering van de omstandigheden van de arbeiders enerzijds en de verrijking van de elite of kapitalisten anderzijds er een klassenstrijd zou plaatsvinden. Door middel van revolutie zou er dan een verovering van de politieke macht plaatsvinden, waardoor er een socialistische maatschappelijke orde als resultaat van het proces uitkwam. Het doel van de partij was dan ook om deze revolutie te bevorderen. De SDAP zag de strijd in de politiek voor hervormingen en sociale wetgeving als een onderdeel in de strijd voor het socialisme. 

Enkele van de belangrijke punten in het programma van de SDAP kort na de oprichting waren staatspensioen, de achturige werkdag en algemeen kiesrecht.(03)

 

In dit stuk zal de verandering van de politiek van de SDAP in de crisisjaren aan bod komen. In de jaren dertig bleven de sociaaldemocraten nog steeds aan de meeste punten vasthouden. Er werden echter wel enkele punten verworpen. Ook de middelen om het doel te bereiken werden aangepast. Moest de SDAP arbeiderspartij blijven of volkspartij worden? Moest het doel, verovering van de politieke macht, behaald worden door middel van de radicale middelen of door middel van wat minder radicale, gematigde opstelling? De partij leek in de crisisjaren in een identiteitscrisis te zitten.

Deze problematiek zal in de eerste paragraaf aan de orde komen. Er zal gekeken worden naar de politiek van de SDAP op nationaal niveau. Daarbij zal een antwoord worden geformuleerd op de vraag hoe de SDAP in de jaren 1929-1939 veranderde van politiek. In de tweede paragraaf zal worden ingegaan op de lokale context. In dit geval is gekozen voor de sociaaldemocraten in Nijmegen. Daarbij zal ingegaan worden op het effect van de crisis. Welke crisiseffecten en crisismaatregelen veranderden de politiek van de SDAP in Nijmegen? In de conclusie zal de vraag op welke manier de crisis betrekking had op de politiek van de SDAP op nationaal en op lokaal niveau in 1929-1939 beantwoord worden.

De SDAP en haar identiteit in de crisisjaren

Op donderdag 24 oktober 1929, deze dag is ook wel bekend als ‘Zwarte donderdag’, vond in de Verenigde Staten de beurskrach plaats. De aandelenkoersen begonnen enorm te dalen. Hierdoor haastten de beleggers zich om hun geld op te nemen, waardoor de koersen volledig inzakten. Deze dag was het startpunt voor wat in Nederland bekend staat als de crisisjaren. Alhoewel de crisis in Nederland in 1929 nog niet echt voelbaar was, werden de effecten in de jaren dertig steeds meer zichtbaar. Er kwamen vele faillissementen, de werkloosheid steeg, de export nam af. Nadat Engeland haar pond devalueerde in 1931, verslechterde de concurrentiepositie van Nederland, waardoor de crisis pas echt zichtbaar werd. Kortom de economie verslechterde, waardoor ook de omstandigheden van de armste lieden verslechterden.
De SDAP was vanaf de oprichting aan het eind van de negentiende eeuw flink gegroeid. De partij had drie jaar na oprichting al twee afgevaardigden in de Tweede Kamer. Dit aantal zou oplopen tot zeven in 1909. De eerste verkiezingen met algemeen mannenkiesrecht in 1918 werd een succes voor de SDAP. De partij haalde maar liefst tweeëntwintig zetels.(04) Ook in 1929 – aan de vooravond van de wereldwijde crisis - vonden er verkiezingen plaats. De SDAP werd daarbij de derde grootste partij van het land. Na de ARP (drieënvijftig zetels), de RKSP (dertig zetels), haalde de SDAP het podium door vierentwintig zetels in de Tweede Kamer te bemachtigen. 
Toen de achteruitgang van de economie in Nederland zichtbaar werd, reageerde het kabinet door middel van een aanpassingspolitiek. Dit hield in dat er flink bezuinigd moest worden op allerlei facetten van de uitgaven van de overheid. Zodoende zou de overheidsbegroting sluitend zijn en zou er geen tekort komen. De SDAP zag in dat er impopulaire maatregelen moesten worden genomen in tijd van crisis. De bezuinigingen gingen echter vaak ten koste van sociale voorzieningen. In de regeringsverklaring van 1929 was bijvoorbeeld gesteld dat er bedrijfsraden moesten worden aangesteld en wettelijke werklozenverzekeringen. Deze intenties vonden echter geen doorgang door de economische crisis.(05)
In de crisis zag de leiding van de SDAP een kans om onder andere de boeren de ogen te openen. De verslechtering van de economie werd gezien als het resultaat van het kapitalisme. Dat economische stelsel was de oorzaak van de ellende voor de arbeiders, boeren en alle andere lage klassen. De SDAP stond dus niet zozeer voor crisismaatregelen om de economische malaise te bestrijden, zoals bijvoorbeeld protectionistische maatregelen. Deze maatregelen wezen zij af. Er moest juist opgetreden worden tegen de wortel van de ellende, de werkelijke oorzaak van de economische crisis. Het kapitalisme moest bestreden worden.(06) Toch kwam de SDAP wel in oproer wanneer er maatregelen werden getroffen, waarmee de SDAP het totaal niet eens was. De partij kon nog wel leven met de wet voor korting op de lonen van de ambtenaren. Met een steunverlaging kon de socialistische partij echter niet accoord gaan.(07) 
Bij de verkiezingen in 1933 verloor de partij 2,4 procentpunt ten opzichte van de verkiezingen vier jaar eerder in 1929. (1929: 23,8% 1933: 21,4%) Ondanks de toename van de leden in de maanden voor de verkiezingen en de hoge verwachtingen, daalde het aantal stemmen zelfs.(08) De hoge verwachtingen lagen in het feit dat de partij dacht het door het crisis veel stemmen zou werven. De crisis toonde immers aan dat het kapitalistische stelsel niet deugde. Maar waarom werd er dan niks van de verwachtingen waargemaakt? Dit had te maken met de crisis. 
Alberda, de partijleider van de SDAP, zag het verlies aan stemmen (1929: 804714 1933: 798669) als gevolg van de opkomst van radicalisering. Door de crisistijd kregen fascistische groeperingen meer aanhang. Zij hadden maar liefst 65000 kiezers weten te verwerven. Daarnaast waren de ‘linkse’ stemmers van de SDAP verloren gegaan aan communistische groeperingen zoals de C.P.H.(09) Een andere oorzaak van het verlies van het aantal stemmen was dat er geen duidelijke oplossingen werden aangedragen voor de crisis. Tijdens vergaderingen na de verkiezingen bleek dat allen het erover eens waren dat er geen antwoorden op de economische crisis waren gegeven aan de bevolking van Nederland. Het socialisme zou concreter moeten zijn geweest, met een duidelijke, krachtigere propaganda.(10) 

Een laatste argument had betrekking op het opkomende fascisme. Door het toegenomen oorlogsgevaar door het aan de macht komen van Adolf Hitler in Duitsland, was de aanhang van de SDAP geslonken. De socialisten stonden voor ontwapening. Dit bleek door het dreiging minder aantrekkelijk en daarom hadden kiezers volgens Albalda gekozen voor Colijn en zijn partij ARP ‘voor de begeerte naar een sterk gezag’.(11)

De dreiging van het fascisme en de andere oorzaken van het verkiezingsverlies moest worden opgelost. Daarom riep de partij allerlei commissies in het leven om antwoord te geven op de vraag hoe de politiek van de SDAP zou moeten zijn voor de volgende verkiezingsstrijd. In 1933 werd bijvoorbeeld een herzieningscommissie ingesteld. Deze commissie moesten antwoorden leveren op de vraag of het beginselprogram van de SDAP gewijzigd zou moeten worden? Zou er een politiek plan moeten worden opgesteld dat antikapitalistisch is en een eigen politiek systeem ontwikkelt? Met dit punt samenhangend moest ook een antwoord komen op de vraag of de SDAP de koers moest varen van een arbeiderspartij of een volkspartij.(12) 
Daarnaast richtte de SDAP een commissie op die een Plan voor de Arbeid schreef. Dit plan moest de crisis het hoofd bieden. Een van de speerpunten was bijvoorbeeld dat de koopkracht moest worden verbeterd. Er moest niet zozeer bezuinigd worden, maar de economie moest worden bevorderd door uitgaven. Het rapport moest mede zorgen voor meer kiezers. Al snel werd duidelijk – mede door het Plan - dat de partij haar aanhang in een breder perspectief moest zoeken. Zonder de marxistische doctrine – de arbeiders door middel van klassenstrijd aan de macht te helpen - te verliezen droeg de partij uit dat het democratischer was. Het democratisch socialisme werd een term waarmee duidelijk moest worden gemaakt dat men het socialisme wilde voor elke burger. Het democratisch socialisme hield in dat er een maatschappij zou moeten ontstaan met gelijke maatschappelijke voorwaarden tot ontplooiing van de persoonlijkheid, zodat daardoor het gemeenschapsleven kon opbloeien. Met deze stelling werd dus gebroken met de voorheen gangbare opvatting dat het een proces moest zijn van vermaatschappelijking van de productie.(13)

Naast deze omdoping tot volkspartij en dus niet alleen maar een partij voor de arbeider, ontstonden er ook andere opvattingen over het Vorstenhuis en de nationale gedachte. Voor 1933, voor de oprichting van de herzieningscommissie, wees de socialistische partij alles af wat met het koningshuis te maken had. In het rapport werd vastgesteld dat sociaal-democraten nog steeds republikein bleven, maar de monarchie wel aanvaardden. Daarnaast strookte de antimonarchistische opvattingen niet met de koerswijziging van de SDAP tot een volkspartij.(14)
De laatste verandering in de partijpolitiek van de SDAP gaat over de verandering van het punt van de ontwapening. De partij zag in de Volkenbond de hoeder van de internationale veiligheid. Deze bond moest de rechtsorde handhaven. Hierdoor zou ieder land zich kunnen ontwapenen. De Volkenbond verloor echter in de jaren dertig aan aanzien. Duitsland en Japan waren in 1933 al uit de bond gestapt en het vaardigde geen effectieve maatregelen meer uit. Daarnaast werd de dreiging van de fascisten in Duitsland zo groot, dat men aan het denken werd gezet over dit punt. Sterker nog, in 1936 verdedigde Alberda het besluit om de landsverdediging te aanvaarden. Hij deed dit vooral aan de hand van argumenten over het opkomende fascisme. Daarnaast moest het democratisch-socialisme worden verdedigd.(15)
De SDAP eindigde de verkiezingen van 1937 met drieëntwintig zetels. Alhoewel er alweer een zetel was teruggewonnen van de vorige verkiezingen, bleef het onder het peil van de uitslagen in de jaren twintig. De resultaten van de koerswijziging van de socialistische partij bleven dus nog uit.(16)

De SDAP in de Nijmeegse gemeentepolitiek

De SDAP had verschillende afdelingen in gemeentes door het land heen. In Amsterdam, Rotterdam en ook in Nijmegen deed de partij mee aan de gemeenteraadsverkiezingen. De Nijmeegse afdeling van de SDAP werd in 1898 opgericht. Toen de partij in 1927 deelnam aan de verkiezingen, bemachtigde het acht van de drieëndertig zetels. In het college van burgemeester en wethouders nam een afgevaardigde van de SDAP Nijmegen deel. Gerardus Antonius Corduwener werd in 1927 de eerste socialistische wethouder in Nijmegen. Hij werd wethouder van openbare werken.(17) Hij besteedde in zijn ambtstermijn veel aandacht aan het stratenplan en de woningbouw. Zo startte hij met krotopruiming in de gemeente Nijmegen en begon hij met de bouw van arbeiderswoningen.(18) 
Ook in Nijmegen bracht de wereldwijde crisis veel teweeg. De aanpassingspolitiek van Colijn werd op nationaal niveau doorgevoerd, dus ook in de gemeente Nijmegen. Er moest flink worden bezuinigd op verschillende facetten van de begroting. De bezuinigingen werden veelal doorgevoerd op sociale posten, net zoals op nationaal niveau ook gedaan werd. Buchel, gemeenteraadslid voor de SDAP zegt hierover dat ‘De Bezuinigingscommissie er alleen maar naar heeft gekeken hoe zij geld zou kunnen besparen op het menschenmateriaal’.(19) De SDAP, als voorvechter voor sociale zaken, was het hier absoluut niet mee eens. Waar de SDAP landelijk inzag dat er bezuinigingen moesten worden doorgevoerd om geen begrotingstekort te krijgen, was de afdeling Nijmegen sterk tegen bezuinigingen. Uiteindelijk stemde de partij met de bezuinigingen in, maar dit was niet zonder slag of stoot. Er werd bijvoorbeeld bezuinigd op straatmakers. Dit was voorgesteld door een ingestelde bezuinigingscommissie, die moest nagaan op welke punten in de gemeentebegroting kon worden bezuinigd. Corduwener en rest van zijn partij waren fel tegen besluiten van de commissie en wezen vele beslissingen af. Uiteindelijk werd het voorstel van de commissie met betrekking tot de straatmakers wel aangenomen met achttien stemmen voor tegenover zestien stemmen tegen.(20) Ook met het korten op salarissen was de SDAP het totaal niet eens. De partij was van mening dat wanneer er loonsverlagingen werden doorgevoerd, de koopkracht zou worden aangetast. Deze aantasting beïnvloedt ook de arbeiders. De daling van de koopkracht an sich is ook geen bestrijding van de crisis.(21) De SDAP stelde het kapitalistische stelsel aansprakelijk voor de wereldwijde crisis. Net zoals de gedachte in de nationale politiek zei Beukema, lid van de SDAP Nijmegen, dat 

‘de in Nederland heerschende jammer niet meer in de eerste plaats mag worden geweten aan een internationale conjunctuur inzinking, maar veeleer een in veel sterkere mate aan de funeste mechanisatie en rationalisatie der groot-bedrijven met een daarmede gepaard gaand overwicht van het groot-kapitalisme, en daarnaast ook zeker nog aan het streven van welhaast alle staten naar een zo groot mogelijke autarkie.’(22)

In de gedachte van de socialisten lag het probleem bij het kapitalisme. Dat stelsel moest worden omgegooid om zo een einde te maken aan de crisis. Het had daarom, net als de landelijke partij, geen echte standpunten om de crisis te bestrijden. 
In 1935 veranderde de politiek van de SDAP met betrekking tot de crisis. Niet langer wees men alles af en had geen standpunten meer op de crisis het hoofd te bieden. Net zoals de landelijke partij hadden de socialisten enkele punten waarmee de crisis kon worden bestreden. De SDAP stelde onder andere voor om geen bezuinigingen door te voeren, maar juist de koopkracht te verbeteren door middel van uitgaven. Dit punt was opgesteld in het Plan van de Arbeid , wat in de vorige paragraaf al aan bod kwam. Daarnaast stelde men voor tot een samenvoeging van vele kleine gemeenten, zodat er efficiënter geregeerd kon worden. Dit zou onnodige kosten besparen.(23) Bij de verkiezingen van 1935 behaalde de partij acht zetels van de zevenendertig. Wederom was de Roomsch-Katholieke Staatspartij de grootste partij. Corduwener werd echter niet opnieuw tot wethouder benoemd. Waar na de verkiezingen van 1927 en 1937 Roomsch-Katholieke Staatspartij telkens het college vormde door middel van drie eigen wethouders en één wethouder van een andere partij, werd nu het college gevormd uit alleen maar afgevaardigden van de rooms-katholieke partij.(24)
Doordat Corduwener niet was herkozen als wethouder, had de SDAP dus minder invloed op het gemeentebeleid dan in de acht voorgaande jaren. Dit weerhield de partij er echter niet van om op te komen waar het voor streed. In de jaren als oppositiepartij maakt de SDAP zich vooral sterk voor de woningbouw voor arbeiders. De woordvoerder van de SDAP te Nijmegen, Beukema, beschreef enkele punten die de partij graag zag gebeuren in Nijmegen. De partij streed bijvoorbeeld voor goedkope arbeiderswoningen. Daarnaast pleitte het voor straatverbetering, aanleg van riolering, uitbreiding van de werkverschaffing en een werkweek van veertig uur.(25) Zoals je uit deze opsomming kunt afleiden, is duidelijk te zien dat de SDAP Nijmegen haar beleid nog steeds afstemt op de arbeider. Het komt vooral op voor goedkopere arbeidswoningen. Corduwener begon hier als wethouder al mee in 1927. Deze politiek voor de arbeider blijft men dus nog steeds voeren. Daarnaast kan door middel van straatverbetering en de aanleg van riolering de situatie van de arbeider verbeteren. Bovendien is de uitbreiding van de werkschaffing in een tijd van crisis ook een maatregel om de (werkloze) arbeider een steun in de rug te geven. Waar de landelijke SDAP zich dus steeds meer ging profileren als een volkspartij, is de SDAP Nijmegen nog echt een arbeiderspartij.

Conclusie

Op welke manier had de crisis betrekking op de politiek van de SDAP op nationaal en op lokaal niveau in 1929-1939? De verandering op nationaal niveau was goed zichtbaar. In het begin van de crisisperiode zag de partij geen heil in crisismaatregelen, zoals bijvoorbeeld protectionistische maatregelen. Deze crisis toonde perfect aan waar de oorzaak lag van alle malaise: het kapitalistische stelsel. De SDAP verwachtte dan ook veel van de verkiezingen van 1933. De partij kwam echter bedrogen uit. Bij de verkiezingen verloor het zelfs stemmen ten opzichte van de verkiezingen van 1929. Om het vertrouwen in de partij te herstellen en om kiezers te trekken, kwamen er allerlei commissies bijeen om een nieuw plan uit te stippelen.
Er werd een herzieningscommissie ingesteld. Deze commissie moesten antwoorden leveren op de vraag of het beginselprogram van de SDAP gewijzigd zou moeten worden.
Daarnaast richtte de SDAP een commissie op die een Plan voor de Arbeid schreef. Dit plan moest de crisis het hoofd bieden. Een van de speerpunten was bijvoorbeeld dat de koopkracht moest worden verbeterd. Er moest niet zozeer bezuinigd worden, maar de economie moest worden bevorderd door uitgaven. Het rapport moest mede zorgen voor meer kiezers. De SDAP werd meer een volkspartij dan een arbeiderspartij. De partij ging zich niet alleen bezighouden met de belangen van de arbeiders, maar ook met de belangen van andere sociale lagen in de maatschappij. Daarnaast ging de partij het democratische aspect meer uitdragen. 

Ook de opvatting over het vorstenhuis – voor de crisis werd de monarchie afgewezen - veranderde. Nog steeds was de partij antimonarchistisch, maar het werd nu wel aanvaard. Daarnaast streed de partij niet meer voor de ontwapening, een punt dat voor de crisis een belangrijk onderwerp was voor de SDAP.
Ook in Nijmegen bracht de crisis politiek wat teweeg. Alhoewel ook lokaal het kapitalistische stelsel werd aangewezen als oorzaak van de crisis, was er toch sprake van crisismaatregelen. De SDAP besloot – na langdurig tegenstribbelen - akkoord te gaan met bezuinigingen en salariskorting. Na de komst van het Plan van de Arbeid werden nog meer crisismaatregelen overgenomen en toegepast. De partij blijft echter nog wel een echte arbeiderspartij. Het steunt nog steeds in eerste instantie de arbeiders. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de inzet van de SDAP voor de bouw van arbeiderswoningen. 
Op nationaal niveau had de SDAP door de crisis dus veel wijzingen in haar beleid doorgevoerd. Het werd onder meer een volkspartij. Dit is niet zichtbaar in het lokale beleid van de SDAP in Nijmegen. De partij ging dan wel accoord met bezuinigingen op sociale voorzieningen, maar blijft het de socialistische standpunten van voor de crisis trouw. De crisis had dus een kortstondig effect op lokaal niveau, waar het op nationaal niveau een identiteitsverandering teweeg heeft gebracht. 

Verwijzingen

1. Manifest van ‘de twaalf apostelen’. Geciteerd uit: H. van Hulst, A. Pleysier en A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij. Geschiedenis van de sociaal democratische arbeiderspartij van 1880 tot 1940 (’s-Gravenhage 1969) 13.

2. Maarten Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA ( Amsterdam 1998).

3. Brinkman, Willem Drees, de SDAP end e PvdA,  17.

4. Peter Jan Knegtmans, Socialisme en democratie. De SDAP tussen klasse en natie (1929-1939) ( Amsterdam 1989). 10-34.

5. Knegtmans, Socialisme en democratie  35-75.

6. Ibidem, 35-75.

7. Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA, 112-123.

8. H. van Hulst, A. Pleysier en A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij. Geschiedenis van de sociaal democratische arbeiderspartij van 1880 tot 1940 (’s-Gravenhage 1969)

9. Ibidem 256-266.

10. Knegtmans 84-88.

11. H. van Hulst, A. Pleysier en A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij,  256-266.

12. Knegtmans 88-104.

13. Ibidem, 198.

14. Ibidem, 202.

15. Ibidem, 203-215.

16. Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA 150-154.

17. Verslag van den toestand der gemeente Nijmegen over het jaar 1927 ( Nijmegen 1927) 5-6.

18. Verslag van de handelingen van den raad der gemeente Nijmegen 1928  275-281.

19. Verslag van de handelingen van den raad der gemeente Nijmegen 1932-1933  520.

20. Verslag van de handelingen van den raad der gemeente Nijmegen 1932-1933  827-839

21. Raads-signaat over 1933 04-01-1933

22. De Gelderlander 19-12-1938   9.

23. M. van Gastel, De S.D.A.P.-gemeentepolitiek Nijmegen van 1927 tot 1936 (St.Oederode 1975)  84.

24. Verslag van den toestand der gemeente Nijmegen over het jaar 1935 ( Nijmegen 1935) 4.

25. Provinciale Geldersche Nijmeegsche Courant van 13-02-1937 . Noot bij J.Bleumer, “Al moet ik het socialisme bij de duivel halen(…)”. Een analyse van de gemeentepolitiek en het functioneren van de SDAP-afdeling te Nijmegen in de periode 1936-1941 ( Nijmegen 1986) 32.

terug


REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: