Werklozenzorg

Marina Ackermans

Werklozenzorg

De werklozenzorg te Nijmegen en de levensomstandigheden van de werklozen aldaar gedurende de crisis van de jaren dertig.

Bron: Gelderlander Online, Regionaal Archief Nijmegen (09-09-1936)

Na de beurskrach te New York in oktober 1929 en de daaropvolgende wereldwijde economische crisis, leken de gevolgen voor Nederland in eerste instantie mee te vallen. Vanaf 1931 werd de crisis echter ook voelbaar in Nederland en dit werd mede versterkt door het feit dat de regering de waarde van de gulden op peil wilde houden. In Engeland devalueerde het pond al in 1931 en ook andere landen gingen vroeg over tot devaluering van hun muntsoort. Dit had tot gevolg dat de Nederlandse producten te duur werden voor de buitenlandse markt en tevens dat de Nederlandse markt werd overspoeld door de goedkopere buitenlandse producten. Ondernemers probeerden vervolgens hun prijzen te verlagen waardoor ontslagen vielen. Door deze ontslagen nam de koopkracht in Nederland verder af, dienden fabrikanten hun prijzen verder te verlagen en waren genoodzaakt extra mensen te ontslaan. Zo ontstond een neerwaartse spiraal die voor een grote werkloosheid zorgde.

De Nijmeegse arbeidsmarkt ondervond ook een sterke weerslag van de protectionistische maatregelen van de omliggende landen en van het handhaven van de gouden standaard in Nederland. Voor Nijmegen als geheel werden de gevolgen van de crisis enigszins gedempt door de komst van de kunstzijdefabriek Nyma, omdat hier grote aantallen arbeiders nodig waren. Maar in januari 1932 waren er meer dan 3200 werklozen en begin 1933 was dit aantal al gestegen tot 4400.

In1934 konden veel werklozen nog bij werkverschaffingsprojecten worden geplaatst, maar hierna had men geen oplossing meer voor de werklozen en schoot het aantal omhoog tot bijna 6000 in 1937. De devaluatie van de gulden in september 1936 bracht enig herstel.(01) Deze grote werkloosheid betekende ook dat de aanpak van de werklozenzorg diende te veranderen om alle behoeftigen van steun te kunnen voorzien. De hoofdvraag van dit paper luidt dan ook: ‘Hoe werkten de werkloosheidsinstanties en wat waren de levensomstandigheden van het werkloze gezin te Nijmegen gedurende de crisis van de jaren dertig.’.

In een eerste paragraaf zal de landelijke ontwikkeling van armenzorg naar werklozenzorg worden beschreven. Hier komt ook aan bod hoe de verhoudingen lagen tussen de particuliere, kerkelijke en gemeentelijke hulpinstanties en hoe de samenwerking voor spanningen zorgde. Vervolgens zal de Nijmeegse organisatie van de werklozensteun worden beschreven en tenslotte wordt nagegaan onder welke omstandigheden werkloze gezinnen te Nijmegen leefden. Hiertoe zullen een aantal aspecten van het dagelijks leven aan bod komen zoals schoolvoeding voor de kinderen, onderdak, volkstuinen en de enorme verveling. In de conclusie zal een oordeel worden gegeven over de levensomstandigheden van het werkloze gezin.

Van armenzorg naar werklozenzorg

‘De meerdere belangstelling in de armen is voor een groot gedeelte een gevolg van de meerdere zachtheid, die de laatste eeuw boven voorgaanden kenmerkt. Wij oordeelden de armoede te afzigtelijk om haar zonder onderstand te laten. Wij zijn weldadig uit welvoegelijkheid, uit fatsoenlijkheid.’(02) Zo schrijft De Bosch Kemper in zijn werk Geschiedkundig onderzoek naar de armoede in ons vaderland uit 1851. Dit werk is een voorbeeld van de overgang die in de negentiende eeuw plaatsvond naar een verlichte samenleving. Als onderdeel van het beschavingsoffensief van de verlichte burgerij werd de armenzorg vernieuwd. De armen moesten niet langer aan hun lot worden overgelaten, maar dienden te worden ondersteund vanuit particuliere en kerkelijke liefdadigheid. De staat zou alleen in geval van nood optreden en hier was de Armenwet van 1854 dan ook op gebaseerd.(03) Enkel wanneer armen geen hulp konden krijgen bij de kerkelijke of particuliere instellingen konden ze terecht bij het gemeentelijk Burgerlijk Armbestuur (BA). Een ander belangrijk kenmerk van de armenzorg was dat deze zo onaangenaam mogelijk moest zijn, zodat men niet lui of zorgeloos zou worden.(04)

Met de nieuwe Armenwet van 1912 kwam er een veel grotere controle op de ondersteunde gezinnen en het doel was armen in gelegenheid te stellen weer in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Ook werd het voor alle gemeentes mogelijk om een Armenraad op te richten, waarbinnen alle verenigingen, kerken en de gemeentelijke armenzorg zouden samenwerken. In de loop van de tijd kwamen er in Nederland zesendertig van deze raden tot stand, waaronder één in Nijmegen.(05) Daarnaast werd in de wet van 1912 een onderscheid gemaakt tussen ‘zij, die door tijdelijke omstandigheden, van welken aard ook, niet in staat zijn gedurenden eenigen tijd in hun onderhoud te voorzien’, ofwel de werklozen en ‘hen, die niet uit hun toestand kunnen worden opgeheven’.(06) Nu werden werklozen dus niet langer onder de noemer armen geschaard. 

In 1909 werd een Nationale Vereniging tegen de Werkloosheid opgericht en deze pleitte voor een sterker ingrijpen door de overheid om werkloosheid te verminderen. Zo moest men werkverschaffingsprojecten opstarten, arbeidswetgeving invoeren en zorgen voor werkloosheidsverzekeringen.(07) In dezelfde tijd werd ook de vakbeweging georganiseerd en kwam de regeling tot stand dat de gemeente bijdroeg aan de werkloosheidskassen. De georganiseerd arbeiders hadden in perioden van werkloosheid het grote voordeel dat er geen maximum zat aan de periode van uitkering, zoals dit bij ongeorganiseerden wel het geval was. Voor de gemeente had dit het grote voordeel dat deze werklozen al niet bij het Burgerlijk Armbestuur zouden aankloppen, want een bijdrage aan de werkloosheidskas was veel lager.(08)

Georganiseerde arbeiders kregen eerst een werklozenuitkering van de vakbond. Wanneer ze hier ‘uitgetrokken’ waren kon een deel van de werklozen aanspraak maken op de rijkssteunregeling, of de iets ruimere gemeentelijke steunregeling. 

Wanneer men ook hier het maximale bedrag had getrokken, of niet in aanmerking kwam voor de steun viel men onder de gemeentelijke armenzorg die werd geleverd door particulieren en kerken. Door allerlei maatregelen die door de jaren heen werden genomen probeerde men de steunregeling zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Zo moesten alle ondersteunden staan ingeschreven bij de Arbeidersbeurs en elk werk dat zij lichamelijk aankonden accepteren.(09) Het streven van de regering was dan ook werklozen aan werk te helpen door werkverruiming of werkverschaffingsprojecten. Financiële steun werd als een laatste middel gezien. 
Aan het begin van de crisis in 1929 bestond er in Nederland een werkloosheidsverzekering, waarbij de vakcentrales en de overheid samenwerkten. Deze kon echter maar een klein deel van de werklozen ondersteunen, omdat slechts een klein deel van de georganiseerden verzekerd was tegen werkloosheid en de uitkering vaak zeer laag en voor korte duur was.(10) Door de grote werkloosheid kwam er tijdens de crisis opnieuw een steunregeling tot stand. Nu bleek het niet meer mogelijk alleen aan georganiseerde werknemers steun te verlenen en werd deze ook verleend aan de ‘inferieure’ ongeorganiseerden. Om toch een onderscheid te kunnen maken tussen de werkwilligen en de ‘luie honden’ kwam de werkverschaffing nu pas goed van de grond. Wanneer een werkloze tewerk werd gesteld in een dergelijk project en het werk weigerde of niet goed uitvoerde werd hij afgevoerd naar de armenzorg.(11) Vanaf 7 januari 1931 moesten alle gemeentelijke steunregelingen aan de voorschriften van de rijksregeling voldoen.(12) De steun moest slechts voldoende zijn voor voeding, huisvesting, kleding en schoeisel, onderwijs en ziekenverzorging. Zo probeerde de regering werklozen te dwing voor een lager loon werk te accepteren.(13)

Volgens de regering liepen de kosten in 1933 te hoog op en wilde men bezuinigingen doorvoeren. De steunverlaging van juli 1934 was één van deze bezuinigingen en leidde onder andere tot het ‘Jordaan-oproer’ in Amsterdam als protest tegen deze verlaging.(14) De controle op de werklozen werd nog strenger. Zo werden in 1936 alle ondersteunden om de drie maanden bezocht, ook wel ‘potjeskijken’ genoemd, om te beoordelen of men de uitkering nog wel terecht ontving. Mensen met een beroep dat onbetrouwbaar of oncontroleerbaar werd geacht, dienden twee maal daags te gaan stempelen.(15) De gemeentelijke regelingen waren vaak soepeler en doordat gemeentes niet strikt genoeg de regels naleefden keerde de rijksregering lagere subsidies uit. In 1936 werd er verder bezuinigd op de werkverschaffing.(16) In september 1935 werd ook de huurbijslag afgeschaft. Door de devaluatie van de gulden in 1936, konden verdere verlagingen van de steun worden voorkomen en bleven de regelingen tot en met het einde van de crisis ongeveer gelijk.

De werkloosheidszorg te Nijmegen gedurende de crisis

Volgens Doorninck, lid van de ‘commissie van advies voor werklozensteun’ was het 'niet de plicht van de overheid om zoveel mogelijk te zorgen dat niemand van de honger omkomt, maar het algemeen belang dat gelegen is in de instandhouding tijdens de krisis van het produktieapparaat'.(17) In Nijmegen werden in de jaren twintig de uitkeringen verstrekt door het Burgerlijk Armbestuur. Ook bestonden er al verschillende vormen van werkverschaffing, tot 1925 werden werklozen bijvoorbeeld naar de mijnen in België gestuurd. 

Hierna bleef de werkverschaffing beperkt tot de omgeving van Nijmegen. Wanneer tewerkgestelden klaagden over de werkomstandigheden werden zij door de bestuurders neergezet als mensen met ‘een absoluut gemis aan enige flinkheid en aan totaal gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel’.(18) In Nijmegen kon de steun door de gemeente steeds moeilijker betaald worden. De oorzaak hiervan is bijvoorbeeld in onderstaande tabel te zien.
Jaar Ingeschreven mannelijke werkzoekenden bij de gemeentelijke arbeidsbeurs

Tabel 1.1. Mannelijke werkzoekenden ingeschreven bij de gemeentelijke arbeidsbeurs.

Hierdoor gingen er stemmen op om tot de Rijkssteunregeling toe te treden, wat betekende dat de uitkering omlaag ging van 70 naar 65 procent. Toch werd de steunregeling in 1932 in Nijmegen van kracht. In de Rijkssteunregeling was ook vastgelegd dat werklozen naar werkverschaffingsprojecten gestuurd werden. In Enter (Overijsel) werden in 1932, 96 arbeiders tewerkgesteld, maar de omstandigheden waren zo slecht en de verdiensten zo laag (nog lager dan de steun) dat men na twee weken terugkeerde naar Nijmegen en in een demonstratiestoet naar de burgemeester trok. er werd een onderzoekscommissie ingesteld en sommige van de bezwaren van de stakers bleken gegrond. Aan de andere kant werd de stakers echter verweten dat ze niet genoeg doorzettingskracht hadden getoond.(19)

Met ingang van 1 januari 1936 werden het Burgerlijk Armbestuur opgeheven. Het BA had meer dan honderd jaar voorzien in de zorg van de Nijmeegse armen. Er kwam vanaf diezelfde datum wel een andere gemeentelijke tak van dienst onder de naam ‘gemeentelijke dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon’. 

Het burgerlijk armbestuur was vooral opgeheven doordat Burgemeester en Wethouders van mening waren dat ze zelf de verantwoordelijkheid wilden voor de burgerlijke armenverzorging. Men wilde ook de verschillende takken van de sociale overheidszorg op de juiste wijze coördineren en meende dit alleen te kunnen bereiken door alle takken onder één dienst en onder één hoofd samen te brengen.(20)

Tijdens het ‘Jordaanoproer’ is het in Nijmegen niet tot georganiseerd protest gekomen. De regering kondigde echter aan vanaf 31 augustus 1936 de huurbijslag op de steun in te trekken omdat ‘met dezen regel is getracht, den remmenden invloed van den huurbijslag op de algemeene aanpassing van de huur aan een lager niveau, te beperken’.(21) De RK Volksbond probeerde nu samen met andere vakcentrales met behulp van adressen aan Burgemeester en Wethouders om deze maatregel tegen te houden. Begin oktober 1936 trok de regering de maatregel weer in, door de devaluatie van de gulden. Dit was meteen de laatste grote inspanning die de vakcentrales in Nijmegen verrichtten met betrekking tot de steunuitkering.(22) Het voordelig effect van de devaluatie is ook de zien binnen de armenzorg:

Tabel 1.2 De armenzorg in geld en hoeveelheid in de jaren 1936-1939.

Een andere verklaring voor de daling van het zorgbedrag vanaf 1937 is te vinden in de gunstigere werkgelegenheid die vooral in Duitsland tot ontwikkeling kwam. (23) 

De daling in 1939 werd waarschijnlijk veroorzaakt door een groter aantal plaatsingen in werkverruiming, maar nog meer door de toename van werkgelegenheid in het particuliere bedrijf.(24)

De levensomstandigheden van het werkloze gezin te Nijmegen

Zoals in voorgaande paragraaf beschreven was het niet altijd makkelijk voor werklozen om een financiële bijdrage te ontvangen. Men werd van de ene instantie naar de andere gestuurd, omdat al deze instanties het liefst zo min mogelijk geld kwijt waren aan de werklozenzorg. Voor werklozen was het niet mogelijk zelf in hun geldelijke zorg te voorzien. Sparen in jaren voordat men werkloos werd was niet mogelijk door de lage lonen.(25)

Bottendaal was oorspronkelijk een wijk voor de rijkeren, maar in 1879 werd de spoorlijn Nijmegen-Arnhem aangelegd en een paar jaar later ook de spoorlijn naar Venlo en Den Bosch. Bottendaal lag vlakbij deze spoorlijn. Eind negentiende eeuw werden fabrieken gebouwd en deze kwamen in de buurt van het spoor om goede aan- en afvoerlijnen voor de producten te hebben. De rijken trokken nu uit de buurt weg, omdat ze niet bij de smerigheid van de fabrieken wilden wonen. De arbeiders juist wel, omdat ze op loopafstand van hun werk wilden wonen.(26) Hierdoor ontstond een echte arbeiderswijk waar meerdere gezinnen in één huis woonden. Vaak had men maar één kamer per gezin ter beschikking. Zo was het mogelijk dat een gezin met tien kinderen in een woning met slechts één huiskamer, één slaapkamer, 2 alkoven (een nis zonder ramen) en een keuken woonde. Vijf meisjes sliepen in de ene alkoof, vier jongens in de slaapkamer in twee ledikanten en de ouders met het jongste kind in de andere alkoof. Omdat men natuurlijk absoluut geen geld had voor een kleermaker naaide en verstelde de vrouw alle kleding zelf. Als enige ontspanning hadden ze een radiostel van een broer gekregen, maar verder was het verveling alom. De schoolgaande kinderen kregen schoolvoeding. Een ander voorbeeld is van een gezin dat in nog beperktere omstandigheden moet leven. Hier was de woning echt te klein en bevatte slechts één kamer en een keuken. Dit had tot gevolg dat het hele gezin in één bedstee moest slapen. Omdat de kinderen in dit gezin er nog slechter aan toe waren, kregen ze naast schoolvoeding ook schoolkleding.(27)

Deze voorbeelden laten naast de woonomstandigheden ook andere omstandigheden zien waaronder het werkloze gezin moest leven, zoals verveling en zelfvoorziening. Werklozen hielden namelijk na aanschaf van hun voeding en het betalen van de huur gemiddeld slechts ƒ 5,21 over, terwijl dit voor een werkend gezin uit de lagere inkomensklasse ƒ 14,39 was. Ook kregen de werklozen minder voedsel binnen, vaak minder dan de aanbevolen calorische waarde. Door een arts in die tijd werd geconstateerd dat kinderen van werkloze gezinnen kleiner en lichter waren dan hun medescholieren waarvan de ouders wel een baan hadden.(28) Naast het naaien en verstellen van kleding was een andere vorm van zelfvoorziening het verbouwen van groente en fruit. Dit was echter enkel weggelegd voor de gelukkigen die in het bezit waren van een volkstuin. Volkstuintjes verminderen op twee manieren de afhankelijkheid van de markt: in de eerste plaats werd de afhankelijkheid van het loon kleiner en in de tweede plaats de afhankelijkheid van de prijswisselingen van levensmiddelen. Daarnaast werd ook de verveling enigszins verminderd omdat er veel tijd zat in de bewerking van de volkstuin en zo was het een gezonde vorm van vrijetijdsbesteding.(29) Voor de kleine huisjes zonder tuin in de vieze fabrieksomgeving, was het een verademing een tuintje te hebben. 

Zo kon daar bijvoorbeeld ook de was te drogen worden gehangen, wat erg moeilijk was binnenshuis, omdat hier eigenlijk geen plek voor was. Zo kon de volkstuin tijdens de crisis ook dienen om het gezin aan elkaar te binden en kon de man des huizes toch nog zijn gezin onderhouden, ondanks de verminderde financiële middelen. Zo werd de kans minder groot dat hij zijn toevlucht nam tot alcohol.(30) 

Zoals te lezen in bovenstaande voorbeelden van de woonomstandigheden van een gezin konden schoolgaande kinderen soms schoolvoeding en zelfs kleding van school uit krijgen. Zo ook op de Josephscholen te Nijmegen. Broeder Sjaak van Schaijk, onderwijzer aan de Josephschool in de derde walstraat, vertelt hoe hij met instemming van de overste tijdens de crisis brood meenam naar de klas. ‘Je stuurde het kind, quasi voor straf, de klas uit en op de gang gaf je hem dan gauw de boterhammen. Ook gaf je wel eens een doos met wat levensmiddelen. De jongen moest het dan gauw naar huis brengen. Je moest zo handelen omdat ze zich schaamden voor hun armoede.’(31) De kinderen van de Josephschool aan de walstraat gingen naar het ‘soephuis’. Dit was ingesteld door de gemeente en kinderen konden hier zoveel soep eten als ze wilden en omdat iedereen ging hoefden ze zich niet te schamen. Vrijwel alle scholen namen deel wanneer kinderen via de school melk konden gaan drinken. De ouders moesten hiervoor betalen, maar voor de armen werden de kosten door de Vincentiusvereniging, het R.K. Armbestuur en soms het Josephbestuur op zich genomen. De school bemiddelde naast het uitdelen van soep en melk ook op andere manieren in de armoede. Zo tekenden de hoofden aanvragen voor kinderen die geen schoenen meer hadden, waarmee ouders ‘schoenenbonnen’ konden krijgen om gratis schoeisel voor hun kinderen af te halen bij de gemeente of het R.K. Armbestuur. In het ‘Stamboek der schoolbevolking’ werd onder andere het verzuim genoteerd en opvallend is een aantekening uit 1929: ‘geen schoenen’ Schoolverzuim kwam namelijk vaak voor doordat de schoenen van de kinderen zo versleten waren dat ze niet meer de straat op konden.(32)

Tenslotte betekende werkloos zijn ook dat men geïsoleerd raakte van de rest van de samenleving, doordat men onder andere geen vrijetijdsbestedingen kon doen. Daarnaast was de werkloze ook heel herkenbaar in de samenleving door onder andere de plicht twee maal daags te stempelen, de steunjekker (speciale kleding) en het rijwielplaatje met een gat erin. Daarnaast zorgden krantenberichten over drankmisbruik en criminaliteit van werklozen en de controles van de dienst maatschappelijke zorg ervoor dat nog meer werd neergekeken op werklozen.(33) Wanneer werklozen zich schuldig maakten aan drankmisbruik, werden geschorst wanneer ze in de werkverschaffing werkten, of in geval van fraude werd de wekelijkse ondersteuning niet in geld, maar in de vorm van levensmiddelenbonnen verstrekt. Waardoor men nog sterker het stempel ‘werkloos’ kreeg opgedrukt.(34)

Conclusie

Hoewel de crisis die in oktober 1929 werd ingezet met de beurskrach te New York wereldwijde gevolgen had, was deze de eerste twee jaar nog niet erg voelbaar in Nederland. De klap volgde hier pas vanaf 1931 en dit was ook het geval voor Nijmegen. Door de protectionistische maatregelen en de devaluaties van de valuta in het buitenland was het onmogelijk om nog langer producten naar het buitenland te exporteren. Deze Nederlandse producten waren daar nu namelijk onbetaalbaar, omdat de Nederlandse regering tot 1936 star vasthield aan de gouden standaard. Daarnaast werd de Nederlandse markt overspoeld door de goedkopere buitenlandse producten. Zoals in de inleiding beschreven kwam de productie en de werkgelegenheid in een negatieve spiraal terecht. Ook in Nijmegen steeg de werkloosheid behoorlijk, vooral omdat deze werkloosheid al werd gedempt door de komst van de kunstzijdefabriek Nyma, waar veel werknemers nodig waren.

Dit betekende een grote toename in de kosten van de werklozenzorg. Om deze kosten zo laag mogelijk te houden werd het aanvragen van steun zo ingewikkeld mogelijk gemaakt waarbij de aanvrager ook vaak van de ene naar de andere instelling werd doorverwezen. Voor de werklozen was dit natuurlijk pijnlijk omdat het al een nederlaag was om zonder werk te komen zitten en nu moest men als het ware bedelen om ondersteuning te ontvangen. 

Omdat de regering bang was dat steuntrekkers lui zouden worden, werd men verplicht zich in te schrijven bij de arbeidsbeurs en elk mogelijk werk te accepteren. Ook werd ernaar gestreefd zoveel mogelijk werklozen bij werkverschaffingsprojecten te plaatsen.

Nu was de verveling bij werklozen groot en voelde men zich nutteloos, vandaar dat men blij was indien men bij dergelijk project geplaatst kon worden. Tijdens het werk bleek echter vaak dat de verdiensten nog lager waren dan het steunbedrag dat men daarvoor had ontvangen. Ook de werkomstandigheden waren in veel gevallen erbarmelijk. Wanneer men toch veroordeeld was tot het werkloos thuiszitten ging dit dus gepaard met een grote verveling. Daarnaast was het steunbedrag zo laag dat men nauwelijks rond kon komen en er was geen geld voor vrijetijdsbestedingen waardoor men verder geïsoleerd raakte ten opzichte van de werkende bevolking. Ook waren er vele kenmerken van een werkloze, zoals het twee maal daags in de rij staan bij het stempellokaal en het fietsplaatje met een gat in, waardoor men zich vernederd voelde. Al met al waren de omstandigheden waarin een werkloos gezin moest leven erg slecht en er waren slechts enkele middelen, zoals het gebruik van een volkstuintje, om deze slechte toestand enigszins te verlichten.

Verwijzingen

1. J. Brabers (red.), Nijmegen: geschiedenis van de oudste stad van Nederland. Deel III, Negentiende en twintigste eeuw (Nijmegen 2005) 153-155.

2. P. de Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 1917-1940: landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam 1979) 9.

3. De Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 9-13.

4. H.F.C. Beltman, Steunregeling en armenwet (Deventer 1934) 3-4.

5. W.P. Blockmans en L.A. van der Valk (red.), Van particuliere naar openbare zorg en terug? Sociale politiek in Nederlands sinds 1880 (Amsterdam 1992) 67-68, 75.

6. Beltman, Steunregeling, 13.

7. De Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 20.

8. Beltman, Steunregeling, 16-17.

9. De Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 30.

10. Ibidem, 57.

11. Ibidem, 58 en Beltman, Steunregeling, 129.

12. Beltman, Steunregeling, 118.

13. De Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 72-75.

14. J. Bakker en E. Nijhof, het ‘Jordaanoproer’-verzet tegen de steunverlaging in juli 1934, Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 4 (1978), 35-69.

15. De Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 167 en E. Hueting, ‘Gemeentelijke sociale zorg en de overmacht van crisis en bezetting: maatschappelijk hulpbetoon in de periode 1930-1945’, Sociaal Bestek 46/7, 

16. De Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 116, 150.

17. P. Poffé, De dertiger jaren: een verhaal over krisis, werkloosheid en werkverschaffing (s.l., z.j) 3.

18. Poffé, De dertiger jaren, 8

19. Poffé, De dertiger jaren, 8-11.

20. Jaarverslag van de werkzaamheden van den Gemeentelijken Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon te Nijmegen, 1936, 1.

21. Jaarverslag Hulpbetoon, 1936, 9.

22. Verslag der werkzaamheden en gebeurtenissen van onzen bond over het tijdvak… Nederlandsche Roomsch-Katholieke Fabrieksarbeiders(sters) Bond Sint Willibrordus, 1930-1932, 28.

23. Jaarverslag Hulpbetoon, 1938, 4.

24. Jaarverslag Armbestuur, 1854-1881, Jaarverslag Armenraad (Nijmegen 1931) 1-3.

25. Beltman, Steunregeling, 115-116.

26. Ik maak geschiedenis! Bottendaal (Nijmegen 2005).

27. De Rooy, Werklozenzorg en werklozenbestrijding, 162. Dit voorbeeld betreft Amsterdam, maar deze woonomstandigheden kwamen ook in Nijmegen voor.

28. Poffé, De dertiger jaren, 3-4.

29. Y. Segers en L. van Molle (red.), Volkstuinen. Een geschiedenis (Leuven 2007) 27.

30. Segers en Van Molle (red.), Volkstuinen, 146.

31. J. Beke, De Josephscholen 1877-2002 (Nijmegen 2002) 79.

32. Beke, De Josephscholen, 79-81.

33. Poffé, De dertiger jaren, 3-4.

34. Jaarverslag Hulpbetoon ,1936, 7-8.

Tabel 1.1

Bron: 1929 t/m 1931 afkomstig uit: Verslag van den gemeentelijken dienst der werkloosheidsverzekering, 1931, 16
En 1932 t/m 1935 afkomstig uit: Verslag van den gemeentelijke dienst der werkloosheidsverzekering, 1932, 18 en 1935, 19

Tabel 1.2

Bron: Jaarverslagen Dienst Maatschappelijk Hulpbetoon.

terug


REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: