Pelser1

’n Stuk historie 

- Terug in de tijd 

1. Pastoor L.F.J.M. van Riel 
- Een nieuwe parochie 
- St. Stephanus, patroon van Nijmegen 
- Het ontwerp van de kerk 
- De eerste steen 
- De bouw 
- De consecratie 
- De dood van een bouwpastoor 

2. Pastoor G. W. van der Heijden 
- H. Blasius 
- Parochiehuis en verkennershonk 
- De parochie in oorlogstijd 
- Het verhaal van de klok 
- Na de oorlog 
- Emeritaat 

3. Pastoor A.J.L. Verhoeven 
- Een witte kerk 

4. Pastoor M.A.J. Raessens 
- Wijk-parochie 
- 50 jaar St. Stephanuskerk 
- Achteruit 

5. Pastoor J. Smits 
- De nieuwe pastoor in regenjas 
- Secularisatie 
- Christus Koningparochie 
- Mater Dei 
- 75-jarig bestaan van de parochie 
- Emeritaat 

6. Pasto(o)rloos tijdperk 

7. Effata (= Ga open!) 
- Laatste viering 

Terug in de tijd

De bouw van de kerk boven aan de Berg en Dalseweg had alles te maken met de sloop van de muren van de stad Nijmegen in 1876. Tot dan toe was Nijmegen een ommuurde vestingstad, waarbuiten niet gebouwd mocht worden. Alleen lagen hier en daar wat verspreide boerderijen zoals in de buurt van de huidige Broerdijk. De regering in Den Haag wilde de ruimte om de stad heen vrij hebben om niet onverwacht belegerd te worden. Nijmegen lag immers op een strategisch punt bij de grote rivieren (zelfs de oude Romeinen wisten dit al!). Bovendien had men op die manier een vrij schootsveld. Wel lag er een aantal forten en lunetten, zoals fort “Sterreschans” en fort “De Verbrande Molen” (De molen naar welke dit fort is genoemd, brandde al voor 1860 af en stond op de Berg en Dalseweg ter hoogte van nr. 162. Eén der hoeken van het fort is nog te zien in de vorm van het plein vóór de kerk. In die tijd na de ontmanteling zijn ook de oude beuken gepland.) De katholieke boeren uit deze buurt moesten dus kerken in de kerk van de Broerstraat, de oorspronkelijke kerk van de Dominicanen binnen de wallen van de stad. 

Foto: Het interieur van de Broerstraatskerk van de Dominicanen vóór het bombardement van 1944 (opname uit ongeveer 1900) (zie ook hier)

Na het slopen van de wallen in 1876 werd er flink gebouwd, eerst langs de uitvalswegen van de stad die vanuit het Keizer Karelplein in een aantal richtingen liepen. Een van die uitvalswegen was de Berg en Dalseweg en daar zijn in de loop der jaren heel wat herenhuizen verrezen. Dat werden zoveel woningen met nog meer mensen, dat er behoefte ontstond aan een kerk buiten het oude stadscentrum. Vanwege het feit dat de parochie in de Broerstraat in 1892 haar 600-jarig bestaan vierde, wilde men de Paters Dominicanen een passend cadeau geven in de vorm van een hulpkerk “buiten de Hoenderpoort”. Deze kerk werd in 1894 ingezegend en droeg de naam van “Maria Geboorte”. Het was een gebouw van 23 meter lengte. Het was maar een hulpkerk en daarom werden er maar weinig diensten gehouden: één H. Mis op zondag en één op dinsdag. Later kwam daar de donderdag nog bij. Biechthoren was niet toegestaan en dopen en trouwen evenmin. Zelfs het geven van catechismusles was uit den boze. Dat moest allemaal gebeuren in de kerk in de Broerstraat. De pastoor was ook geen pastoor, maar werd ‘rector’ genoemd. Hij woonde dan ook in de Broerstraat.
Na verloop van jaren werd de kerk te klein. De Provinciaal van de Dominicanen had nooit verwacht, dat er zoveel in die buurt gebouwd ging worden en hij wilde daarom een kleine kerk. Deze kerk werd nu afgebroken en er kwam een grotere voor in de plaats: de huidige Maria Geboortekerk. 

Foto: De Maria Geboortekerk aan het Mariaplein (zie ook hier)

Deze was een stuk groter: 30 bij 22,50 meter en werd op 6 juli 1901 ingewijd, maar het bleef een hulpkerk. Pas op 17 oktober 1921 werd de hulpkerk tot parochiekerk verheven, dus mocht de rector zich eindelijk “pastoor” noemen.

Pastoor L.F.J.M. van Riel

Een nieuwe parochie
Maar toen werd ook duidelijk dat de kerk van Maria Geboorte een veel te groot gebied omvatte: er werd zoveel gebouwd. Het Rode Dorp was al flink bewoond en het zag ernaar uit, dat er nog veel meer bewoners bijkwamen. Het aantal parochianen was flink opgelopen, wat bijvoorbeeld te zien was aan het aantal eerste communicanten: in 1913 waren dat er 36 en in 1921 al 170.
Daarom wilden de Dominicanen een nieuwe parochie stichten en zij kochten een stuk grond aan de Berg en Dalseweg nabij de Huygensweg. En ze hadden al een bouwpastoor benoemd: Pater Van der Geest die kapelaan was in de kerk aan de Broerstraat. De kerk zou toegewijd worden aan de H. Catharina van Siëna.
Maar het Kapittel van het Bisdom Den Bosch had andere plannen. Op 3 mei 1921 besliste men daar, dat de nieuwe parochie er een werd voor de seculiere geestelijkheid, dus voor de priesters van het bisdom en niet voor de Dominicanen.
Op 6 mei 1921 werd kapelaan L. van Riel gevraagd of hij pastoor van de nieuwe parochie in Nijmegen-Oost wilde worden. 

Foto: Pastoor L.J.M. van Riel, bouwpastoor

Hieronder volgt een stukje uit het parochiearchief, zoals dat is vastgelegd door de latere pastoor Van Riel.

“Op 6 mei 1921 kwam de Hoogeerwaarde heer plebaan Adelmeijer op mijn kamer en stelde de vraag: ‘Wilt gij pastoor worden in een nieuw op te richten parochie in Nijmegen? Denk er eens over na en ga eens spreken bij Monseigneur.’
Daags daarna ben ik op audiëntie gegaan bij Mgr. A.F. Diepen waar ik onder strikte geheimhouding het volgende te horen kreeg: ‘Zou ik op u mogen rekenen als er na langere of kortere tijd een pastoor voor die parochie (bedoeld wordt ‘Stephanus aan den Huygensweg’) benoemd moet worden?’
Na acht dagen bedenktijd luidde mijn antwoord: “Affirmatione et amplius”, vrij vertaald: met grote instemming.
Op maandag 17 oktober 1921 werd ik aangesteld als pastoor en legde mijn eed af. Als startkapitaal ontving ik het luttele bedrag van één duizend gulden voor het stichten van een nieuw kerkgebouw.
De plechtige consecratie van de nieuwe kerk volgde op 19 november 1923.”


Maar zover was het nog niet.
Voorlopig bleef alles geheim. Na besprekingen tussen de bisschop, Mgr. Diepen, de generaal en de provinciaal van de Dominicanen, begon het echter in Nijmegen bekend te worden. Van Riel werd nu op 7 oktober 1921 benoemd tot kapelaan in de St. Antoniusparochie aan de Groesbeekseweg met de opdracht in Nijmegen een nieuwe parochie te stichten. Toen werd het in Nijmegen officieel.
Toen Van Riel naar Nijmegen kwam, moest hij zich op uitdrukkelijk verlangen van de bisschop in de Broerstraat en bij de Maria Geboortekerk gaan voorstellen als de toekomstige pastoor. Later getuigde hij: “De ontvangst muntte nu juist niet uit door vriendelijkheid en hartelijkheid (...) wat ook zeer goed te verklaren was.”
Zijn officiële benoeming ontving hij op 17 oktober 1921, toevallig dezelfde dag dat de rectoraatskerk van Maria Geboorte tot parochiekerk werd verheven. Voor wat hoort wat, zullen we maar zeggen, maar het zal een doekje voor het bloeden zijn geweest.

St. Stephanus, patroon van Nijmegen
Toen in 1591 de stad Nijmegen werd ingenomen door prins Maurits, werd de katholieke godsdienst verboden en de grote St. Stevenskerk in de stad aan de Grote Markt (in 1272 door de H. Albertus Magnus gewijd) door de protestanten in beslag genomen. Sindsdien heeft katholiek Nijmegen (met een intermezzo rond 1670 toen de kerk weer even katholiek werd) geen kerk meer gehad die was toegewijd aan zijn patroonheilige: de Heilige Stephanus, de eerste martelaar. Dat heeft geduurd totdat de Fransen in 1794 de stad veroverden en “vrijheid, gelijkheid en broederschap” brachten.
Met de oprichting van de nieuwe parochie in Nijmegen-Oost werd die traditie weer in ere hersteld. Na 330 jaar zou boven aan de Berg en Dalseweg de patroonheilige van Nijmegen weer zijn kerk krijgen... 

Foto: Het beeld van St. Stephanus op het plein vóór de kerk. Dit beeld van Albert Termote (1887 – 1978) werd op 14 oktober 1951 onthuld als verlaat cadeau aan pastoor G.W. van der Heijden vanwege zijn 40-jarig priesterfeest.

Het ontwerp van de kerk
Pater van der Geest droeg de duizend gulden die hij al had verzameld over aan pastoor Van Riel. De twee al eerder benoemde kerkmeesters St. Arntz en H. Bodewes, die door de Dominicanen waren aangezocht, werden door de bisschop verzocht als zodanig aan te blijven en zij stemden daarin toe.

Van duizend gulden bouw je geen kerk. Om die bouw te bekostigen werden er nu leningen gesloten: fl. 25.000,- voor de grond en fl. 130.000,- voor de kerk en de pastorie. In ‘De Gelderlander’ plaatste pastoor Van Riel een advertentie om ijverige mensen (de zgn. zelatricen) te werven om gelden in te zamelen en hij stichtte een St. Stephanusfonds, waaraan zijn toekomstige parochianen ruim hun bijdragen schonken. De kerk mocht niet meer kosten dan fl. 100.000,- en de pastorie niet meer dan fl. 30.000,-.
De eerste vergadering van het kerkbestuur om echt tot besluiten te komen vond op 9 maart 1922 plaats in de pastorie van de Antoniuskerk aan de Groesbeekseweg. In die vergadering werd een keuze gemaakt uit de vier architecten die zich hadden aangemeld om de nieuwe kerk te bouwen. Het ging om de heren W. van der Valk sr. uit ’s-Hertogenbosch, Thunnissen uit Haarlem, Van Beers uit Rotterdam en Pierre Cuypers uit Amsterdam. Besloten werd om architect Thunissen uit Haarlem en Cuypers uit Amsterdam uit te nodigen om hun ontwerp toe te lichten. Uit hen zou dan de definitieve keuze worden gedaan.
Omdat het hier ging om een belangrijke beslissing werd het kerkbestuur op 15 maart d.a.v. uitgebreid met twee personen. Uit de vier voorgedragen mensen werden door de bisschop uiteindelijk de heren Dr. J. Bakker en W. Bayer benoemd.
(In deze vergadering is ook besloten een verbinding te maken vanuit het kerkgebouw naar de Ubbergseveldweg, zodat de toekomstige parochianen niet helemaal hoefden omlopen. De grond kreeg het kerkbestuur gratis van het Oud-Burgerengasthuis, met de restrictie dat het kerkbestuur zelf voor de afrastering en het onderhoud zou zorgen. Zo is het huidige kerkpad tot stand gekomen.)
Van de twee architecten viel de keuze op de jonge architect Pierre Cuypers, kleinzoon van de beroemde architect Dr. P.J.H. Cuypers. Hij diende verschillende schetsen in, waaruit gekozen werd voor een centraalbouw met koepel. Er zouden 1000 zitplaatsen in komen. 
Hij ontwierp dit byzantijns aandoende monument, waarbij de centrale ruimte, die door de trompenkoepel overwelfd werd, de essentie was. Zo had de gelovige in de kerk een vrij uitzicht op het altaar, dat niet belemmerd werd door rijen massieve pijlers zoals in de neogotische interieurs. Bovendien kon het kerkvolk zich in een dergelijke overzichtelijke ruimte als één gemeenschap voelen. Bepalend voor Cuypers’ ontwerp waren de denkbeelden van de liturgische vernieuwingsbeweging, die tegen het einde van negentiende eeuw steeds meer haar stem liet horen. Deze verandering in denken werd o.a. ingezet door Joseph Cuypers (vader van Pierre en zoon van diens beroemde grootvader) en architect Jan Stuyt. Deze stroming streefde ernaar de Eucharistie centraal te stellen en de gelovigen actief en direct te laten deelnemen aan de misliturgie. De H. Mis werd het middelpunt van de katholieke geloofsbelijdenis en een feest zonder scheiding tussen rang en stand door gelovigen, te verdelen over middenschip en zijbeuken.
Het was de eerste kerk, die Pierre Cuypers te bouwen kreeg, maar hij had er goed over nagedacht, zoals uit bovenstaande blijkt. Overigens zijn niet al zijn ideeën en plannen uitgevoerd. Hij had een grote vrijstaande klokkentoren, een zgn. campanile, gedacht aan de linkervoorzijde van de kerk in plaats van de twee kleinere torens die er heden ten dage staan.

In overleg met de architect werd de eveneens nog jonge glazenier Joep Nicolas uit Roermond aangewezen voor het vervaardigen van de gebrandschilderde ramen in de koepel.

Op 19 september 1922 had in hotel ‘Boggia’ aan de Burchtstraat de aanbesteding van kerk en pastorie plaats. Onder de aannemers uit Nijmegen en het hele land was veel belangstelling voor de bouw van deze kerk. Liefst eenentwintig aannemers hadden ingeschreven. De laagste inschrijving was die van de aannemers Bakker en Beker uit Nijmegen, die hadden ingeschreven voor fl. 128.390,-. De hoogste inschrijving beliep maar liefst fl. 219.600,-!
De volgende dag, woensdag 20 september 1922, werd het werk gegund aan de aannemers Bakker en Beker.

De eerste steen
Op dinsdag 28 november 1922 plantte pastoor Van Riel ’s middags om half vijf in storm en regen volgens liturgisch voorschrift plechtig het Kruis op de plaats waar het hoofdaltaar zou komen.

Foto: De eerste steen door bouwpastoor L. Van Riel gelegd op 29 november 1922:

ME POSUIT
L. van Riel
PAROCHUS St.STEPHANI MART.
XXIX NOVEMBRIS
MCMXXII

DOOR MIJ GELEGD
L. van Riel
PAROCHIE St. STEPHANUS
29 NOVEMBER
1922

De plechtige eerstesteenlegging van de nieuwe kerk vond plaats op woensdag 29 november 1922, ’s middags om 15.00 uur. ’s Morgens om half tien droeg pastoor Van Riel een plechtige H. Mis op in de kerk van Maria Geboorte aan het Mariaplein. Hij hield tijdens deze Mis een preek, waarna tijdens een open schaalcollecte de schalen behoorlijk vol raakten. Men had dus goed naar zijn preek geluisterd...
’s Middags woonden honderden parochianen en belangstellenden uit de stad (waaronder ook veel heren geestelijken) de steenlegging bij. Namens Mgr. Diepen, de bisschop van het diocees ’s-Hertogenbosch, waaronder Nijmegen viel, legde pastoor Van Riel de eerste steen.
Deze plechtigheid werd opgeluisterd door een jongenskoortje van de St. Jozefschool aan de Koolemans Beijnenstraat onder leiding van de heer Pelzer. 
In een toespraak tot de honderden aanwezigen wees pastoor Van Riel op het historische feit: een nieuw tijdperk ving aan. Op het hoogste punt van de stad zou de nieuwe St. Stephanuskerk gaan verrijzen. Daarna werd de eerste steen gelegd en een fraai gekalligrafeerde oorkonde, waarin het feit der eerstesteenlegging stond vermeld, in een koker gedaan en ingemetseld.
Na afloop van deze plechtigheid sprak deken Van Son nog een woord van gelukwens tot de nieuwe pastoor en zijn parochianen.
Velen metselden hierna een steentje en offerden voor de nieuwe kerk.

De bouw
Ondanks het feit dat het werk tijdens de bouw een maand lang heeft stil gelegen vanwege moeilijkheden op de steenfabriek, schoot het werk goed op. Zo goed zelfs dat op 4 november 1923 de pastoor zijn pastorie kon betrekken. Intussen had de bisschop ook al een kapelaan benoemd in de persoon van J. van der Sande. Deze kon al meteen aan de slag met de voorbereiding van de plechtige kerkconsecratie. De dag van de plechtige consecratie werd bepaald op maandag 19 november 1923.
Natuurlijk moest er een feestcomité komen en dat kwam er. Ook werden er door dit comité subcommissies gevormd, want er was zoveel te doen, dat het comité dat niet alleen af kon. Het hoofdcomité stond onder voorzitterschap van Dr. J. Bakker, lid van het kerkbestuur, terwijl de heer Pius Broeder als secretaris fungeerde. Deze laatste was de grote bezielende leider van de parochiële festiviteiten. Hij dichtte ook het St. Stephanus-lied. De heer Pelzer, onderwijzer op de St. Jozefschool aan de Koolemans Beijnenstraat, heeft destijds deze tekst op muziek gezet.

Weer schalt een juichend Roomsch accoord
langs Nijmeegs heuvelen op!
Weer klinkt het stoere Roomsche woord
van Nijmeegs hoogsten top!
Ons Credo fier en vurig stijgt
en ’t Roomsche hart van blijdschap hijgt:
Hosanna! Hosanna! Hosanna!

Weer schiet een Kruis zijn stralen uit!
Weer brandt nieuw offervuur!
Weer klinkt het Angelus lief en luid
door ’t vroege morgen-uur.
St. Stephanus in eer hersteld!...
Uw torens zingen ’t stad en veld:
Hosanna! Hosanna! Hosanna!

Verder had de bekende kunstenaar Eugène Lücker, leraar tekenen aan het Canisius College, de leiding bij de versiering in en buiten het kerkgebouw. Bijna de hele parochie was in touw om van deze inwijding van de nieuwe kerk een geweldig feest te maken.
Een anekdote: Op de avond vóór de inwijding bemerkte Eugène Lücker dat de vergulde godslamp in het priesterkoor vloekte met de stemmige kleur van de baksteen en de groen gebeitste banken. Hij heeft toen in de late zondagavond snel de lamp nog gebronsd en de volgende dag was de lamp in volkomen harmonie met de omgeving.

De Consecratie
Monseigneur A.F. Diepen, die de inwijding zou verrichten, werd op zondagmiddag, de dag vóór de plechtige gebeurtenis, ontvangen in de aula van het statige gebouw van het Canisius College, een stuk terug op de Berg en Dalseweg. Vandaar werd hij in een feestelijke stoet naar de pastorie van pastoor Van Riel gebracht. Ondertussen waren de toegestroomde parochianen en belangstellenden het nieuwe kerkgebouw binnengegaan. Hoewel de kerk zo’n 1000 gelovigen kon bergen, was de belangstelling zo groot, dat velen buiten moesten blijven staan. 

Foto: Mgr. Diepen, bisschop van ’s-Hertogenbosch, ging voor tijdens de inwijding van de kerk. Hier wordt hij ingehaald door de enthousiaste parochianen.

Tussen de dik opeengepakte gelovigen werd Mgr. Diepen vanuit de pastorie de kerk binnengeleid en naar het priesterkoor gebracht. Pastoor Van Riel sprak daarna een kort welkomstwoord, waarvoor de bisschop hartelijk dankzegde.
Was het zondag nog redelijk weer en konden de mensen buiten blijven staan om een glimp op te vangen van alle feestelijkheden in de kerk en daarbuiten, maandag 19 november begon ’s morgens om half acht bij het begin van de inwijding verschrikkelijk te sneeuwen. De vlaggen en wimpels die strak en feestelijk hadden moeten wapperen, hingen nat en zwaar onder de zware sneeuwmassa’s.
De consecratie van de kerk zelf duurde drie uur, van half acht tot half elf, met bruidjes en pages en natuurlijk werd ook het nieuwe St. Stephanus-lied gezongen en daarna werd de eerste pontificale H. Mis in de pas geconsacreerde kerk opgedragen.
Onder leiding van de heer A.J. van Scheijndel, die kort tevoren tot organist was benoemd, werd een gregoriaanse mis gezongen. Toen pastoor Van Riel zijn preekstoel voor de eerste maal besteeg, riep hij uit tot de gelovigen: “Weer schalt een juichend Roomsch accoord één van Nijmegens heuvelen op!” (Datzelfde akkoord werd om haar ronde vorm in de volksmond al snel ‘het circus van pastoor Van Riel’ genoemd.) 
Om kwart over twaalf kon plechtig het “Ite missa est” gezongen worden: “De mis is uit!”.
Diezelfde dag nog diende pastoor Van Riel het eerste doopsel in zijn parochie toe aan Stephanus de Grood (anekdote: de heer De Grood was als eerste dopeling aanwezig bij het 75-jarig bestaan van de parochie in 1998).
’s Middags om half zes celebreerde Mgr. Diepen het plechtige Lof met assistentie van pastoor Van Riel en deken Van Son.

De dood van een bouwpastoor
Slechts krap zeven jaar is pastoor Van Riel pastoor geweest van zijn kerk. Zijn gezondheid was slecht. Regelmatig moest hij rust nemen en ook regelmatig moest hij in het ziekenhuis worden opgenomen. In het voorjaar van 1930 werd hij opgenomen in het ziekenhuis Westeinde in Den Haag. Hij zou, als hij was hersteld, na enkele weken zijn zilveren priesterfeest vieren. Hij heeft jammer genoeg dat feest niet in zijn parochie met de parochianen mogen vieren. Op 17 juni heeft hij wel in alle stilte zijn zilveren priesterjubileum in het ziekenhuis gevierd. Op 29 juli 1930 is hij aan zijn slopende ziekte overleden. Voor de plechtige uitvaart op 1 augustus 1930 werd zijn stoffelijk overschot van Den Haag naar Nijmegen overgebracht en daar werd hij onder een enorme belangstelling begraven op het R.K. kerkhof.
In de loop van zijn pastoorschap heeft hij de kerk verrijkt en versierd. Hij zorgde voor het grote H. Hartbeeld en voor de grote kerststal en de kruisweg. Bij zijn zilveren priesterfeest, dat hij niet meer in zijn parochie mocht vieren, werd hem het kerkorgel en de marmeren communiebank aangeboden: hij heeft ze zelf niet meer mogen horen en zien.

Pastoor G. W. Van der Heijden

In zijn plaats werd benoemd G. W. Van der Heijden. Hij was eerder kapelaan in Nuenen en Tilburg “Het Heike”. Daarna rector van het Moederhuis van de Fraters van Tilburg en hij zou 28 jaar pastoor zijn van de St. Stephanusparochie.

Foto: Pastoor G.W. van der Heijden

Ook hij ging door met de versiering van de kerk. De geschiedenis van de mozaïeken en gebrandschilderde ramen staat elders op deze internetpagina. Maar er kwam meer. Allereerst het fraaie hoofdaltaar naar een ontwerp van architect H.C. van de Leur, dat op de eerste zondag van oktober 1935 in gebruik werd genomen. De edelsmeden Gebr. Arens vervaardigden de koperen expositietroon en de bekleding van het tabernakel. Ook het Jozefaltaar is van architect Van Leur, terwijl het Maria-altaar werd ontworpen door Wim Harzing. Het gebrandschilderde raam op het zangkoor is van de hand van Joan Collette en stelt de H. Caecilia voor.
Bij zijn 12½-jarig jubileum als herder van zijn kudde werd de pastoor een monstrans aangeboden voor de uitstalling van het H. Brood tijdens het Lof. De monstrans was niet alleen rijk aan edelstenen, maar ook bijzonder van artistieke lijn. Zij werd vervaardigd door de edelsmeden Brom uit Utrecht.
In diezelfde tijd – we spreken over 1942/1943 – werd ook de sacristie verbouwd. Het voorportaal van het priesterkoor werd een door Joan Collette beschilderde bidkamer voor de priesters. Daar konden zij zich in alle rust voorbereiden op de Eucharistieviering.
Verder werden de paramenten door de goede zorgen van pastoor Van der Heijden en de vrijgevigheid van de parochianen geregeld uitgebreid. Bijzonder mooi is het prachtige roodfluwelen driestel (liturgische kleding voor een H. Mis met drie heren: priester, diaken en subdiaken), dat door verschillende dames uit de parochie werd aangeboden bij het 15-jarig jubileum van de parochie in 1938. Ook weten veel mensen zich nog de goudbrokaten kazuifels te herinneren.

We gaan weer even terug in de tijd.

H. Blasius
In de late middeleeuwen werd Blasius (bisschop en martelaar te Sebaste in Armenië in de 4e eeuw) gerekend tot de “veertien noodhelpers”. Zijn genezingswonder van een kind dat door een visgraat in zijn keel dreigde te stikken werd wijd en zijd verbreid. De populaire gebruiken van de Blasiuszegen (waarbij twee kaarsen kruislings tegen de hals worden gehouden), de zegening van kaarsen en van brood en wijn, water en vruchten tegen keelziekten – alle nauw verbonden aan de viering van zijn feestdag op 3 februari – werden later opgenomen in de appendix van de Rituale Romanum (eerste uitgave in 1614). In 1934 werd op verzoek van pastoor Van der Heijden de “Broederschap van de heilige Blasius” canoniek opgericht door Mgr. A.F. Diepen, bisschop van ‘s- Hertogenbosch. Een belangrijke legitimatie om deze broederschap op te richten was het bezit van “een kostbare relikwie van de beenderen van den H. Blasius” (in de muur gemetseld naast zijn beeld). Als voornaamste doelstelling van de broederschap gold de verspreiding van de devotie tot de H. Blasius als voorspreker bij keelziekten en andere kwalen. Blijkens de statuten was het lidmaatschap niet beperkt tot de eigen parochianen, zodat ook katholieken van elders deelachtig konden worden aan de hieraan verbonden geestelijke gunsten indien zij de H. Blasius in deze kerk kwamen vereren. Op 28 januari 1935 liet paus Pius XI het besluit uitvaardigen dat alle christen gelovigen die op 3 februari deze parochiekerk bezoeken daarmee een volle aflaat kunnen verdienen.
Tot circa 1960 werd de feestdag van Blasius, voorafgegaan door een noveen, plechtig gevierd in de kerk. Ook kon men gedurende het gehele jaar bij de pastorie water afhalen dat gewijd was ter ere van Blasius. Ofschoon aan deze gebruiken een eind is gekomen, is de verering van de H. Blasius in de St. Stephanuskerk op bescheiden schaal blijven bestaan. In de kerk zijn reliek en het beeld van de heilige nog steeds aanwezig en elk jaar bestond de mogelijkheid voor de parochianen om begin februari de Blasiuszegen te ontvangen.

Foto: Beeld van de H. Blasius in de St. Stephanuskerk. Rechts op de foto is nog net de reliekschrijn te zien waarin een deel van de beenderen van de heilige bewaard worden.

Op 21 mei 1935 vierde pastoor Van der Heijden zijn zilveren priesterfeest. Hij wees een feestelijke viering van de hand. Wat hij wilde, was geld inzamelen voor de mozaïeken van het priesterkoor en hij werd op zijn wenken bediend. Maar daarover in een ander hoofdstuk van dit artikel.

Op initiatief van pastoor Van der Heijden is niet alleen in onze parochie, maar ook in heel de stad het 19e eeuwfeest van de marteldood van de patroon van onze parochie en de stad Nijmegen gevierd, de H. Stephanus. Op zondag 12 december 1937 werden onder alle H.H. Missen in alle kerken in Nijmegen open schaalcollecten gehouden voor alle armen in de stad. Ook de recette van de St. Stephanus-herdenkingsavond op woensdag 15 december in de grote zaal van “De Vereeniging”, waar Professor Dr. G. Brom een rede hield, ging naar de armen.

Parochiehuis en Verkennershonk
Maar ook buiten het kerkgebouw zelf is er heel wat gebeurd.
Op de eerste plaats was het nodig dat de parochie over een parochiehuis kon beschikken. Alleen, hoe moest men dat gebouw financieren en waar moest het neergezet worden?
In 1931 werd er een commissie in het leven geroepen die bestond uit de heren Kees Mes, Karel Schretlen en Theo van de Waarden. Er werden leningen uitgeschreven, er werd een inzameling gehouden en er werden aandelen van fl. 100,- geplaatst. In de kerk zou het derde kerkzakje weer een bijdrage moeten leveren (dat derde kerkzakje diende eerder voor de bouw van de “Theresia Bewaarschool” aan de Ubbergseveldweg eind jaren twintig).
De heren bogen zich ook over het vraagstuk waar het gebouw neer te zetten. Achter de kerk lag nog grond die eigendom was van het kerkbestuur, maar dat was niet voldoende. De rest van de grond daarachter was tuin van de zusters Ursulinen. Met hen is toen onderhandeld. Men kwam overeen, dat het kerkbestuur van het kerkpad, dat 5 meter breed was, één meter zou afstaan aan de zusters. In ruil daarvoor zouden dezen een strook afstaan van 54 bij 4,5 meter. Die 4,5 meter zou, gevoegd bij de 9 meter die men al in bezit had, zorgen voor een frontbreedte van bijna 14 meter. Het kerkbestuur zou er wel voor moeten zorgen, dat de afrastering verplaatst werd.
Parochiaan H.C. van de Leur (hij woonde op de Berg en Dalseweg 141), architect, ontwierp het nieuw te bouwen parochiehuis en uit de 24 inschrijvingen van aannemers werd aannemer Van Dijk uit Wijchen gekozen. Hij zou het gebouw neerzetten voor fl. 26.950,-.
De bouw verliep vlot. Aanbesteed op 6 april 1931 werd op zondag 22 november het gebouw geopend met twee feestavonden voor de groten (op 22 en 29 november) en een feestmiddag voor de kinderen (ook op 29 november).
De inzegening door pastoor Van der Heijden werd door veel belangstellende autoriteiten bijgewoond, onder wie deken Van Son en burgemeester Steinweg. 
Het parochiehuis had een grote zaal die ruimte bood aan zo’n 300 personen. Verder waren er een klein zaaltje, twee bestuurskamers en een lokaal voor de bibliotheek. Vooral de latere kapelaan Damen heeft zich zeer verdienstelijk gemaakt voor de bibliotheek. In april 1932 werd er namelijk een uitleen-bibliotheek geopend. Men begon met zo’n 2.000 boeken, aangekocht van de St. Franciscus-bibliotheek op de Doddendaal. Kapelaan Damen zou later dat aantal boeken nog aanzienlijk uitbreiden.
Het parochiehuis werd eigendom van het kerkbestuur. Het beheer kwam in handen van de beheerscommissie, die bestond uit bovengenoemde heren en de pastoor. De laatste zou in de besluitvorming een beslissende stem hebben, zo werd besloten.

Tussen kerk en parochiehuis werd weer een paar jaar later het Verkennershuis gebouwd, dat vooral door de grote toewijding, inspanning en zorg van kapelaan Damen tot stand kwam. 
De verkennersgroep van de St. Stephanus keek al geruime tijd uit naar een eigen honk voor hun bijeenkomsten en activiteiten. In oktober 1937 richtte ze een verzoek tot het kerkbestuur om een strook grond achter de kerk af te staan. Dit werd toegestaan, maar er werd meteen bij verteld dat er geen geld in de kas zat om het honk te financieren. Verder was het kerkbestuur van mening, dat men niet een speciale groep kon bevoordelen en een andere groep niet. De groep accepteerde dat, nam het aanbod van de grond aan en zei in ruil daarvoor toe, dat het gebouw eigendom van de kerk zou worden.
In februari 1938 heeft de verkennersgroep haar eerdere plannen gewijzigd. Zij wilde er nu een groter gebouw neerzetten. Het kerkbestuur stemde hiermee in, maar het gebouw moest dan wel los van het parochiehuis komen te staan. Er werd nu een gebouw gepland met een front van 14 meter lengte tussen de kerk en het parochiehuis. De bisschop keurde de schenking van de grond goed en dus kon er gebouwd gaan worden.
Dat werd gedaan door de jongens van de “Centrale Werkplaats uit het Werkfonds”. Het materiaal werd betaald door het “groepscomité”.
Op zondag 21 mei 1939 werd het honk officieel in gebruik genomen en aan het kerkbestuur overgedragen. Aalmoezenier Damen van de verkenners beleefde een gloriedag.

De parochie in oorlogstijd
In de vroege morgen van 10 mei 1940 drongen de Duitse troepen onze stad binnen om haar wederrechtelijk in bezit te nemen. Vanaf die datum begonnen de bange oorlogsjaren, ook voor onze parochie. Het godsdienstig leven werd er echter niet minder door. Men voelde zich in die jaren nog meer dan anders één in het geloof, er was hoop op betere tijden en de liefde voor elkaar viel overal te bespeuren.
Ook in dit gedeelte van de stad vlogen de granaten om je oren, overal waren bominslagen, maar de kerk bleef gelukkig gespaard. Op één inslag na: door een granaat werd een stuk uit de koepel geslagen en moesten de ramen van Joep Nicolas het ontgelden, maar het kerkgebouw bleef staan in tegenstelling tot heel wat andere kerkgebouwen in de stad.
Hoewel pastoor Van der Heijden tot twee keer toe voor korte tijd werd weggevoerd door de Duitsers, kwam hij ook weer tot twee keer toe terug in zijn pastorie. De eerste keer was al enkele dagen na de inval van de Duitsers, nl. op de eerste pinksterdag 1940.
Kort na het ontbijt meldden enkele Duitsers zich aan de voordeur van de pastorie, stopten de pastoor in een auto en brachten hem naar de Ortskommandatur op het politiebureau in de stad. Daar werd hij in een cel gestopt, nadat hem door Ortskommandant Wenzel was toegesnauwd: “Sie haben gehetzt gegen das Deutsche Volk, die Deutsche Nation!” Tevens werden pastoor Biesta O.P. van de parochie Maria Geboorte en in een cel daarnaast pastoor Wilens O.Carm van de parochie van St. Augustinus en pastoor Frankemolen O.F.M. van de St. Franciscusparochie vastgezet.
Tot vier uur in de middag bleven de vier pastoors zonder eten of drinken opgesloten. Toen werden zij weer voor de Ortskommandant gebracht, die hen nog eens van “Hetzerei” beschuldigde en besloot met de bedreiging, dat, als het nog eens gebeurde, zij tegen de muur zouden worden gezet. Daarna werden zij vrijgelaten.
De tweede “Verhaftung” liet zich ernstiger aanzien, maar ook ditmaal liep alles gelukkig goed af. Het was op 7 maart 1944 dat ’s morgens ongeveer half twee, midden in de nacht dus, twee Duitsers en een Nederlandse verrader aan de deur stonden. Nadat de dienstbode na hun herhaalde bellen had opengedaan, drongen zij de slaapkamer binnen van de pastoor en die van kapelaan Damen. De pastoor moest zich in het bijzijn van een der Duitsers onmiddellijk aankleden, terwijl de twee anderen huiszoeking deden in de pastorie. Toen de pastoor zich had aangekleed, kreeg hij op zijn verzoek toestemming even de kerk in te gaan, waar kapelaan Damen hem de H. Communie gaf. Met de auto werd pastoor Van der Heijden daarna naar het gebouw van de S.S. in Arnhem gebracht, waar hij weer in een cel werd gestopt. Wat was de reden van deze tweede “Verhaftung?” De pastoor vroeg zich dat uiteraard met bezorgdheid af. Hij was sinds twee jaar waarnemend Deken van Nijmegen (Deken Teulings was naar concentratiekamp Dachau weggevoerd) en hij had in deze hoedanigheid nog al eens beslissingen genomen, die niet naar de zin waren van de bezetters.
Wat de eigenlijke reden is geweest...? Feit is, dat de pastoor ’s morgens om ongeveer half elf uit zijn cel (waarin ondertussen nog een zestal andere personen, o.a. een dominee, waren binnengebracht) weer werd vrijgelaten en van een “schmeichelnde” Duitser te horen kreeg, dat hij Zijn Eerwaarde “in verband met een dreigende invasie” had moeten ophalen, maar dat hij Zijn Eerwaarde nu weer mocht laten gaan.
Met de trein is de pastoor onmiddellijk weer naar Nijmegen teruggekeerd, waar hij hartelijk op de pastorie werd ontvangen, want zijn vrijlating was hem vooruitgesneld.

Zoals hierboven neergeschreven verving pastoor Van der Heijden deken Teulings tijdens de gevangenschap van de laatste in Dachau gedurende zo’n 3½ jaar. Na de terugkeer van deken Teulings in 1945 legde pastoor Van der Heijden zijn tijdelijke functie neer en werd op 10 augustus 1945 als beloning ere-kannunnik van het Kathedraal Kapittel van de Basiliek van St. Jan te ’s-Hertogenbosch.

Foto: Deken J. Teulings in gevangeniskleding met nummer 3740 uit Dachau op de preekstoel van de Groenestraatskerk op zondagavond 13 mei 1945 om zijn parochianen te begroeten.

Hoe pastoor Van der Heijden in het leven en in zijn parochie stond, bleek uit zijn artikel in ‘De Gelderlander’ van 24 maart 1945. De gevaren van Nijmegen als frontstad waren goeddeels opgeheven en als waarnemend deken van de stad spoorde hij de katholieken aan weer trouw de H. Mis bij te gaan wonen, zoveel mogelijk in de eigen parochiekerk “om weer spoedig te komen tot een innig parochieel samenleven.”

Het verhaal van de klok
De klok die ons voor iedere viering naar de kerk riep, heeft een bijzondere geschiedenis. De huidige klok is niet de klok die door pastoor Van Riel werd ingezegend met assistentie van parochiaan Herman Sondaal, in die tijd nog subdiaken, later rector in Oegstgeest. 
De oorspronkelijke klok werd geleverd door de firma Eysbouts uit Asten en op 31 juli 1923 door de pastoor ingezegend. Bij deze gelegenheid werd zij gedoopt met de naam St. Stephanus, patroon van de kerk. Op 2 augustus van datzelfde jaar werd zij in de linker toren gehangen en dat was geen gemakkelijk karwei, want het gevaarte woog maar liefst 515 kilo. Nog diezelfde dag werd de klok voor het eerst door pastoor Van Riel geluid.
Bijna 20 jaar deed deze St. Stephanusklok haar dienst, doch daar kwam een einde aan op 3 december 1942 toen de Duitsers haar uit de toren weghaalden en wegvoerden om haar om te smeden tot kanonnen en ander wapentuig. Er werd zowaar een bewijs van deze roof gegeven dat luidde:

“Uit de R.K. Kerk St. Stephanus te Nijmegen, Berg en Dalseweg, provincie Gelderland, werd heden,
3 – 12 – 42 een bronzen klok verwijderd met een diameter van 93 cm en een gewicht van 515 kg. 
Deze klok werd gemerkt 3 127 BG.
I.A. Rüstungsinspektion Niederlande”
(handtekening onleesbaar)


Na beëindiging van de oorlog heeft pastoor Van der Heijden alle moeite gedaan om te achterhalen waar de St. Stephanusklok gebleven was om haar terug te krijgen. Maar alles was tevergeefs. Toen op 28 augustus 1945 van de Rijksinspecteur voor de Kunstbescherming een schrijven binnenkwam, dat de klok naar Duitsland was gebracht en daar was versmolten (natuurlijk voor oorlogstuig!), werden de pogingen opgegeven. Er moest een nieuwe St. Stephanusklok komen. 
Dat deze er inderdaad gekomen is, danken we aan het toenmalige collectantencollege, dat een klokkenfonds gevormd heeft en daarvoor met zoveel aandrang de portemonnees van de parochianen heeft geplunderd, dat in het voorjaar van 1947 het benodigd bedrag (ruim fl. 2500,-) voor een nieuwe klok bij elkaar was gesprokkeld. 

Foto: Het collectantencollege rondom de klok die door hun toedoen weer in de klokkentoren kwam te hangen.

Op zondagmiddag 5 juli 1947 werd deze nieuwe klok door pastoor Van der Heijden plechtig ingezegend. Als inscriptie draagt zij de woorden:

“Hostile furore destructa. Dec. 1942
Nova piëtate reposita. Juni 1947”

(“Door ’s vijands woede vernietigd Dec. 1942
Door vrome milddadigheid in ere hersteld Juni 1947”)

Tot het laatst toe heeft deze klok een kwartier voor de vieringen de mensen opgeroepen naar de kerk te komen. 

Na de oorlog
Zoals net gezegd, stimuleerde pastoor Van der Heijden zijn gelovigen naar de kerk te komen. Zoals hij zelf in het gedenkschrift schreef ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de parochie:
“Het middelpunt van een parochie is de parochiekerk – het verblijf van God onder ons – waar de parochianen onder leiding van de parochiale geestelijkheid in een gemeenschappelijke eredienst God eren, vooral door het vieren van het H. Misoffer en het breken van het H. Brood in de H. Communie.”
Al vlak na zijn benoeming richtte hij voor de verdieping van het godsdienstig leven meerdere congregaties op: de Congregatie van O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen voor meisjes van boven de 18 jaar, de Congregatie van O.L. Vrouw van Altijddurende Bijstand voor gehuwde en ongehuwde dames, de St. Agnescongregatie voor meisjes van 12 tot 18 jaar, de St. Stephanuscongregatie voor jongens van 12 tot 18 jaar en tenslotte een mannencongregatie.

Een ander middel om het godsdienstig leven te verdiepen zocht pastoor Van der Heijden in het organiseren van parochie-retraites, afzonderlijk voor dames, heren, jongens en meisjes. Die werden door middel van huisbezoeken grondig voorbereid en gegeven door bijv. de paters Redemptoristen. Het Missiekruis dat in de kerk hangt, herinnert nog aan deze volksmissies.
Pastoor Van der Heijden had een groot hart voor jonge mensen. Met behulp van zijn kapelaans leidde hij ze op tot misdienaar en acoliet. En als het nodig was, bracht hij zelfs aankomende priesterstudenten naar het seminarie “Beekvliet” in St. Michielsgestel, nadat dat door de Duitse bezetter weer was verlaten. (Het seminarie werd namelijk tijdens de oorlog in beslag genomen en diende o.a. als gijzelaarskamp. Zo heeft ook bijvoorbeeld Anton van Duinkerken daar gevangen gezeten. Later vond daar een hevige strijd plaats tussen de Duitsers en de geallieerde Engelsen). Zo hield hij zijn kudde bij elkaar en kon op 17 november 1948 het 25-jarig jubileum van de parochie gevierd worden.
Er werd een 8-daagse geestelijke oefening gehouden waar veel parochianen aan deelnamen. In de kerk werd de beeltenis van Maria van Altijddurende Bijstand onthuld (uitgevoerd in opaline door de kunstschilder M. Lau) en het kerkraam boven de biechtstoel van de pastoor (het pinksterraam). Ook de armen in de parochie werden niet vergeten: elk gezin kreeg 100 kilo aardappelen, een krentenmik, peperkoek, fruit, enz.

Op 21 mei 1949 mocht de pastoor zijn 40-jarig priesterfeest vieren en weer vond er een onthulling plaats en wel op 14 oktober 1951. Na een kort lof vond in het bijzijn van veel parochianen de onthulling, de inzegening en overdracht plaats van het beeld van St. Stephanus op het plein voor de kerk. Dit bronzen beeld is het werk van beeldhouwer Albert Termote.

Emeritaat
In augustus 1958 vroeg de 73-jarige pastoor aan de bisschop of hij zijn pastoorschap neer mocht leggen en met emeritaat gaan. De bisschop stemde daarin toe en op 10 augustus deelt pastoor Van der Heijden officieel vanaf de kansel de parochianen mee dat hij tegen 1 oktober met emeritaat zal gaan.
Zijn laatste levensjaren heeft hij doorgebracht in de St. Maartenskliniek boven aan de Berg en Dalseweg, waar hij op 31 oktober 1962 overleed en op 5 november werd begraven op het kerkhof Jonkerbos.

Pastoor A.J.L. Verhoeven

Toen Pastoor Verhoeven als opvolger van pastoor Van der Heijden de pastorie van de St. Stephanusparochie betrad, bevond hij zich op bekende en vertrouwde grond. Hij was immers van 1936 tot en met 1946, dus zo’n 10 jaar kapelaan geweest onder zijn voorganger en daarna benoemd tot rector van het R.K. Gezellenhuis te Eindhoven. Daarna werd hij nog Hoofdaalmoezenier van de Katholieke Jeugdbeweging (K.J.B.) met als standplaats ’s-Gravenhage.
Op 1 januari 1959 preekt hij in alle H.H. Missen en ontvouwt daarin een nieuw geestelijk plan. Want, zo stelt hij, het kerkbezoek loopt schrikbarend terug. Iedereen zal moeten meewerken om door te groeien naar een echte gemeenschap, die vanuit een christelijke mentaliteit mee gaat doen in de samenleving.
Wat later constateert hij dat het allemaal erg moeizaam gaat, omdat er weinig begrip is voor de eigenlijke noden van die tijd. In november komt hij in alle missen daarop terug en doet een voorstel aan de parochianen elkaar daadwerkelijk te helpen in tijd van nood. Het parochiële caritaswerk moet een uitstraling hebben naar heel Nijmegen-Oost en zelfs naar heel Nijmegen.
Om de mensen meer de gelegenheid te geven om naar de kerk te komen voert hij op elke Eerste Vrijdag van de maand de avondmis in om 19.00 uur.
In 1960 is hij de initiator van het parochieblad: op 1 april van dat jaar komt het blad voor de eerste maal uit, voorlopig nog maar een paar keer per jaar.

Een witte kerk
Ter gelegenheid van zijn 25-jarig priesterschap laat hij de donkere en sombere kerk helemaal wit schilderen. Op 22 december 1960 is dat werk voltooid tot grote voldoening van architect, pastoor en vele parochianen. Natuurlijk vonden anderen weer dat het niet hoorde in deze kerk en waren het er totaal niet mee eens. Ook de verlichting werd in die tijd aangepast en een geluidsinstallatie geplaatst, zodat aan alle kanten de kerk baadde in het licht en de voorganger overal in de kerk goed te horen was. Daarom werd ook de grote houten kap boven de preekstoel weggehaald, want die was niet meer nodig. Die diende er immers voor het geluid ver de kerk in te dragen.
Bijna aan het eind van zijn pastoorschap draagt hij er zorg voor, dat er een nieuwe kruisweg in de kerk wordt geplaatst (1 februari 1962), want op 3 februari 1962 vraagt de bisschop hem: “(...) afstand te doen van de parochie om de functie van hoofd-inspecteur van het lager onderwijs te gaan vervullen.”

Pastoor M.A.J. Raessens

De nieuwe pastoor M.A.J. Raessens werd op 25 februari 1962 door Mgr. M. Oomens, vicaris-generaal van het bisdom Den Bosch, plechtig geïnstalleerd.
Het was een hartelijke, meelevende man die alle goeds voor zijn parochianen, maar ook niet-parochianen wilde. Dat bleek bijvoorbeeld uit zijn bemoeienis met de bewoners van de noodwoningen op de Kopse Hof. Deze mensen kwamen allemaal van buiten de parochie, maar pastoor Raessens betrok hen bij zijn zielzorgactiviteiten, zodat ook zij zich tot de parochie van St. Stephanus mochten rekenen.

Foto: Pastoor M.A.J. Raessens

Het parochiehuis mocht na zo’n dertig jaar wel een opknapbeurt gebruiken. Onder het voorzitterschap van pastoor Raessens gaf het kerkbestuur opdracht het parochiehuis te restaureren en het weer up to date te maken. Op 1 september 1963 was het zover. Het zag er weer tiptop uit, maar om het enigszins rendabel te maken, werden sommige ruimten overdag verhuurd aan het opleidingscentrum “Kopse Hof”, een school voor sociaal cultureel werk.
“Meelevend” werd zojuist geschreven. Hij had een groot hart voor zieke en oudere parochianen. Vandaar dat op 20 november de oprichtingsvergadering plaatsvond van de “R.K. Bond van Gepensioneerden en Bejaarden St. Stephanus” en krap een maand later de oprichting van een parochiële afdeling van “De Zonnebloem”. 
Hij zorgde goed voor zijn parochianen. De verwarming in de kerk werkte niet meer naar behoren en hij zorgde er met het kerkbestuur voor dat er een nieuwe kerkverwarming kwam. Op 24 oktober 1965, vlak voor de winter, werd de nieuwe verwarming in gebruik genomen middels een versnelde heteluchtcirculatie.

Een deel van zijn parochie was een dorp op zich, geografisch een beetje apart van de rest van de parochie, hoewel de bewoners dat zelf niet zo voelden: het “Rooie Dorp”. Ze hadden een eigen clubhuis c.q. buurthuis (het vroegere “Don Bosco”-huis aan het Wilgplein), waar regelmatig de mensen bijeenkwamen voor allerlei activiteiten. Een van die activiteiten had alles te maken met pastoor Raessens: hij las daar één keer per maand voor de moeders van het “dorp” een H. Mis.

Wijk-parochie
Ondertussen werd er binnenskamers hard gewerkt aan een samenwerking tussen de vijf parochies in Nijmegen-Oost: de parochies Christus Koning, Dominicus, Antonius van Padua, Maria Geboorte en die van St. Stephanus. Elke parochie bleef een zelfstandige grootheid, maar sommige werkzaamheden geschiedden toen wijksgewijs, zoals de catechese op de basisscholen, de volwassenencatechese, de oecumene en Mirano. Dat laatste, vreemde woord is de afkorting van MissieRaad Nijmegen-Oost. Deze raad hield zich bezig met alle voorkomende missie- en ontwikkelingswerk en vredesactiviteiten. Heel in het bijzonder met de adventsactie, de vastenactie en de vredesweek.
Overigens waren er toen al ontwikkelingen gaande om de parochies Christus Koning en Stephanus tot één parochie te laten groeien. Dat laatste is pas gebeurd tijdens het pastoorschap van de opvolger van pastoor Raessens, pastoor Smits.
Op 28 november 1971 werd de Wijk-parochie ten doop gehouden en het eerste zichtbare resultaat was dat zondags nog één avondmis in de wijk werd verzorgd door de pastores van de wijk en wel in de Christus Koningkerk.

50 jaar St.Stephanuskerk
Op 19 november 1973 kon de parochie zijn 10e lustrum vieren oftewel zijn 50-jarig bestaan.
Er werd groots uitgepakt. Het kerkbestuur kon door een goed beheer van de financiën de parochie een cadeau aanbieden. In aansluiting op de resultaten van het Tweede Vaticaans Concilie werd de kerk aangepast aan de normen van die tijd. De communiebanken werden naar achteren verplaatst en er kwam een nieuw altaar en een nieuwe lezenaar, allebei voorzien van mozaïeken van Joan Collette. De voorganger/priester stond nu met het gezicht naar de mensen in de kerk toe. Op die manier voelden de parochianen zich veel beter en meer betrokken bij de vieringen. De versiering in de kerk zelf werd wat soberder, vandaar dat er nog heel wat spijkers, haken en ogen in de kerkmuren zitten die nu niet meer gebruikt worden. 

Foto: De kerk met het priesterkoor na de ingrijpende wijzigingen ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de parochie. De communiebanken werden naar achteren verplaatst en de daarin geplaatste mozaïeken van Joan Colette kwamen in het verplaatsbare altaar c.q. lezenaar terecht.

Toen koster Piet Arts in het ziekenhuis terecht kwam, vroeg pastoor Raessens aan zuster Inigo of zij een aantal taken wilde overnemen. Zuster Inigo was toen werkzaam op de St. Maartenskliniek en de pastoor had haar leren kennen als buitengewoon biechtvader daar. Op Witte Donderdag 1973 vervulde zij haar eerste taken: het versieren van de kerk met een prachtige bloemenweelde en die taken werden allengs meer. Haar kostertaken werden uitgebreider en toen het jongerenkoor ophield met zingen ging zij – om de stille momenten op te vangen – platen draaien.

Achteruit
Langzamerhand ging niet alleen de gezondheid van de koster achteruit maar ook die van de pastoor. Hij vroeg dan aan zuster Inigo of zij bepaalde muziek wilde draaien waar hij zich prettig bij voelde.
In 1977 is hij echt ziek geworden en moesten er vervangers komen om tijdens de Eucharistievieringen voor te gaan. Pater Wielage en Hans van der Ven die op de pastorie verbleven, vervingen hem regelmatig, net zoals de Witte Paters uit de Stieltjesstraat. Deze laatsten waren aangebracht door Wim Marijnissen die zich, als lid van de M.O.V.-groep, met deze missiepaters bezighield.
Er is toen ook een liturgiegroep ingesteld waarin zitting hadden: de al genoemde Wim Marijnissen, broeder Rolandus f.i.c., frater Peter Franken, zuster Inigo en vanuit het dekenaat Nico Raaphorst. Dat allemaal om pastoor Raessens te ontlasten.
Op 6 december 1978 kwam aan zijn ziekbed een einde: hij overleed op die dag en is een paar dagen later begraven op het kerkhof “Jonkerbosch”.

Pastoor Raessens is voor zijn parochianen een echte herder geweest die het beste met hen voor had. Hartelijk, meelevend, soms wat emotioneel, maar altijd een mens van goede wil en met goede bedoelingen. Vaak werd hij afgeschermd door Dora Bos, zijn huishoudster, maar als iemand hem echt nodig had, dan was hij er.

Piet Arts heeft op zeer kleine schaal (in de sacristie met een afvaardiging van het bestuur, een kopje koffie en een drankje!) vlak na het overlijden van pastoor Raessens ook afscheid genomen van de parochie waar hij zo lang koster is geweest. Wel heeft hij zijn opvolger Nol Reuvers nog ingewerkt, maar toen is hij ook uit de parochie vertrokken. Nol Reuvers kwam dus in dienst vlak voor er een nieuwe pastoor zou komen. Het kerkbestuur van toen heeft om de beurt de aanwezigheid in de pastorie verzorgd. Dat was voor hen redelijk makkelijk, omdat ze wisten dat die binnen afzienbare tijd weer bemand zou worden.....

Foto: Zuster Inigo en Koster Nol Reuvers

Pastoor Jan Smits

En inderdaad werd de pastorie weer bemand en wel door pastoor Jan Smits.
Op 16 juli 1936 werd Jan Smits in het Brabantse Moergestel geboren. Al snel verhuisde de familie Smits echter naar Oisterwijk, waar hij zijn jeugd doorbracht. Toen bleek dat hij naar het seminarie “Beekvliet” in St. Michielsgestel onder Den Bosch wilde gaan om voor priester te studeren, moest hij eerst nog een jaartje Frans bijleren. Daarna volgde het groot-seminarie in Haaren, waar hij twee jaar filosofie en vier jaar theologie studeerde om zo klaargestoomd te worden voor het priesterschap. En op 16 juni 1962 was het dan zover: Jan Smits werd samen met 23 klasgenoten (oftewel “coursgenoten”, zoals hij altijd zelf zei!) in de Bossche kathedraal tot priester gewijd door Mgr. Bekkers. Bij de wijdelingen van die dag was ook een van de vroegere kapelaans van de parochie van St. Stephanus, kapelaan Sjef van Roessel en de vorige bisschop van Breda, Monseigneur Tini Muskens.
De dag daarna droeg hij zijn eerste H. Mis op en op Sacramentsdag van dat jaar zijn eerste H. Mis in zijn oude parochiekerk in Oisterwijk.
In dat jaar werd hij benoemd tot kapelaan in de parochie van de H.H. Ewalden in Druten. Aangezien zijn pastoor Coolen thuis was in het bisdom werd hij al vrij snel af en toe ingewijd in de geheimen daarvan.
Op 11 oktober 1968 werd hij benoemd tot kapelaan in de Antoniusparochie in Waalwijk onder pastoor Lam. Hij was daar écht kapelaan: hij zat in allerlei verenigingen, gaf op een aantal basisscholen en een MAVO godsdienstles, was betrokken bij voetbalverenigingen (hij was fervent supporter van RKC uit Waalwijk!), enz.
Pastoor Lam vroeg hem om in Eindhoven de sociale academie te doen om wat tegengas te kunnen geven aan de parochiële opbouwwerkers. Na drie jaar studeren was hij daarmee klaar.

De nieuwe pastoor in regenjas
Op 6 december 1978 overleed pastoor M.A.J. Raessens van parochie Sint Stephanus en op 1 april daaropvolgend werd de nieuwe pastoor voorgesteld aan de parochianen: pastoor Jan Smits. 

Foto: Pastoor J.L.G. Smits

Al eerder had hij kennis gemaakt met zijn toekomstige parochie en kerk. Hij kwam toen “incognito” in zijn regenjas een H. Mis bezoeken, zodat er parochianen waren die zich afvroegen “wie die meneer in die regenjas wel was...”
Het was de tijd dat iedere parochie in Nijmegen nog een eigen pastoor had. Toch werd hij benoemd onder voorwaarde dat hij mee zou werken aan een platform, dat ervoor moest zorgen dat alle parochies uit Nijmegen-Oost bij elkaar kwamen. Het was een voortzetting van de initiatieven rondom de Wijkparochie Nijmegen-Oost, een samenwerkingsverband tussen de vijf parochies in dit stadsdeel. Daar is al over geschreven in het hoofdstuk over pastoor Raessens. In dat platform is heel veel energie gestoken, maar het is niet gelukt. Alleen werden op 1 november 1993 de parochies van Christus Koning en St. Stephanus samengevoegd. Dat is een vrij moeizaam en indringend proces geweest en nog steeds vraagt het heel veel tijd en vooral begrip van vele kanten.
Als pastoor voelde hij (en met hem veel van zijn collega’s) zich een passant: pastores komen en gaan, maar de parochie blijft. Je gaat ervan uit dat jouw functie van pastoor straks weer wordt opgevuld.

Secularisatie
Toen hij 1 april 1979 pastoor werd, was de secularisatie al een heel eind op weg: de ontkerkelijking was al een aantal jaren bezig. Qua betrokkenheid en meelevendheid is het allemaal wat minder geworden. Het kerkbezoek werd vrij minimaal: de “heilige rest” bleef over.
Bij het doorkijken van de verslagen van de bestuursvergaderingen bleek al dat zijn voorganger, pastoor Raessens met zijn kerkbestuur al maatregelen nam om de mensen wat meer bij de kerk te betrekken, toen al! Er werd gezegd: mensen moeten hun eigen keuzes kunnen maken en dan gaat het niet om de kwantiteit, maar om de kwaliteit.
In veel gezinnen was er best een religieuze beleving, maar men liep er niet zo mee te koop. De mensen beleefden hun religie op een heel andere manier, dan zoals dat ging in “het rijke Roomsche Leven”.
Pastoor Smits heeft dat allemaal meebeleefd en daar zo z’n vragen bij gehad. Regelmatig werd hem de vraag gesteld: Waarom zou je voor 20 mensen de H. Mis opdragen? Hij vroeg zich dan af: waar ligt dan de grens? Moeten het er dan 30 zijn?
Driekwart van de parochie is gedoopt. Ligt het dan aan de presentatie dat de mensen hun religie op een andere manier beleven? De variëteit van uitingen van beleving is veel groter geworden en dat roept vragen op bij je eigen keuze. En met die vragen heeft hij zich tot het laatst toe bezig gehouden.
Wat dat betreft vond hij het een spannende tijd. Je bevraagt jezelf, je vraagt jezelf af, waar komt mijn godsbeleving het best tot zijn recht. Als voorganger in een parochie houd je je dan bezig met de vraag: Hoe breng je dat naar buiten?
Toen hij nog kapelaan in Druten was, nam iedereen netjes zijn hoed of pet af. Als pastor had je altijd wel toegang tot anderen. Men zag je staan. In de loop der tijden hebben de priesters een paar treetjes naar beneden moeten stappen, alhoewel hij daar niet zo’n last van heeft gehad, vanwege zijn Brabantse inslag. In Nijmegen-Oost heeft hij ervaren, dat, als je wordt geaccepteerd, dan kun je ook vrienden maken. En vrienden heeft hij in de loop van ruim 25 jaren pastoor zijn van de Christus Koning-Stephanusparochie heel wat gemaakt en gehad. Hij heeft kunnen accepteren dat parochianen hun geloof anders willen beleven. Maar je bent als pastoor van een parochie welkom als het gaat over belangrijke levensmomenten.
Om de parochianen meer te betrekken bij het geloofsleven en ze daadwerkelijk een actieve rol te laten spelen werd er met Pinksteren 1980 een vrijwilligersmarkt achter in de kerk gehouden, waar men bij stands zich kon inschrijven om aan bepaalde werkgroepen mee te doen. En er zijn heel wat mensen geweest die zich toen hebben ingeschreven. Sommigen van hen zijn heden ten dage nog steeds actief in het parochieleven.

Christus Koningparochie
In de jaren 1989 – 1990 heeft de parochie stappen ondernomen om het contact tussen de parochianen enerzijds en het parochiebestuur anderzijds en de pastoor te verbeteren. Hiervoor waren een aantal redenen:
• Op ongeveer 1300 adressen woonden parochianen die geregistreerd stonden als R.K., maar echte bekendheid gold eigenlijk slechts voor parochianen van ongeveer 500 adressen.
• De vraag was dan ook gewettigd: hoe of waardoor was deze situatie ontstaan, moest men deze situatie zomaar accepteren, wat waren de redenen en wat waren de achterliggende vragen?
• Was het niet de moeite waard dit gegeven eens bespreekbaar te maken? Niet uit nieuwsgierigheid, maar vanuit welgemeende belangstelling betreffende het wel en wee van de parochianen ook inzake het kerkelijke en parochiële aspect.
Om het antwoord achter al deze vragen te vinden werden 25 mensen bereid gevonden te fungeren als contactpersoon voor zo’n 20 gezinnen. Dit betekende dat zij een schakel wilden gaan vormen tussen de parochianen en het parochiebestuur en de pastoor. Op die manier werd over en weer informatie uitgewisseld en vragen en opmerkingen doorgegeven. Tevens was dit een mooie gelegenheid om de ledenadministratie van de parochie op orde te brengen.
Het sleutelwoord bij deze actie was: “Wederzijdse belangstelling en geloof in parochieopbouw.”
De actie heeft succes gehad vooral door de bemoeienissen van de heer G. de Bruin, die heel veel adressen heeft bezocht en alles in kaart heeft gebracht. De parochie had in een jaar tijd veel meer inzicht gekregen in het wel en wee van de - toen nog - parochie St. Stephanus.
Dat zou later goed van pas komen i.v.m. de op handen zijnde samenwerking/fusie met de Christus Koningparochie.

In 1925 bouwde Woningbouwvereniging ‘De Gemeenschap’ woningen in de Spoorbuurt, dus rond de Van ’t Santstraat. Voor de bewoners hiervan is in 1933 de Christus Koningkerk gebouwd.

Foto: De vroegere Christus Koningkerk aan de Van ’t Santstraat. De kerk werd in 1933 gebouwd en de afscheidsviering werd gehouden op zondag 1 november 1993. In de jaren daarna werd de kerk afgebroken. Alleen de toren staat er nog als herinnering aan de vroegere kerk die deel uitmaakte van het parochieleven in Nijmegen-Oost. (zie ook hier)

De Maria Geboortekerk en de St. Stephanuskerk konden niet al die mensen van dienst zijn. Eind jaren tachtig bleek dat de onderhoudskosten van deze kerk niet meer op te brengen waren en het bisdom besloot om tot een fusie te komen met de parochie van St. Stephanus. Pastoor Smits zou dan pastoor worden van de nieuwe Christus Koning-Stephanusparochie. Na vele beraadslagingen in beide besturen, die een paar jaar in beslag namen (want het ging af en toe erg moeizaam), werd besloten de afscheidsviering in de Christus Koningkerk te houden op zondag 1 november 1993. Voorgangers waren pastor Jan Smits en pastor Kees Megens en namens het bisdom was vicaris Th.C.M. van Montfoort aanwezig. De gezangen werden verzorgd door het dames- en herenkoor, door Chris en Marianne en door het Jeugdkoor Nijmegen-Oost. Het thema van deze viering was: “Ik zal er zijn – Zó is mijn naam”.
Voor veel mensen van de Christus Koningparochie was het een moeilijke kwestie en nog de laatste jaren waren er mensen die er moeite mee hadden en vonden dat ze niets te zoeken hadden “boven op de berg...”.

Mater Dei
Er was nog een gebouwenkwestie die al eerder binnen de parochie een rol speelde. Maar dat ging allemaal iets soepeler.
Al voordat pastoor Smits naar Nijmegen kwam was het al een goede gewoonte geworden dat de heilige missen door de week plaatsvonden in de kapel van “Mater Dei”. En in de wintermaanden was de kapel warmer te krijgen voor de trouwe zaterdagavondkerkgangers dan de grote kerk.
De zusters Ursulinen van de Romeinse Unie bewoonden toentertijd het klooster naast de kerk en de parochianen werden gastvrij ontvangen. Bovendien waren de zusters blij dat ze op die manier ook de Eucharistie konden vieren. Dat is jaren zo gegaan, maar dat werd allemaal anders in 1985.
Op 13 oktober van dat jaar vertrokken de zusters uit Nijmegen en dus ook uit het klooster en de kapel. Bijna 55 jaar woonden ze hier in onze parochie (van 20 november 1930 tot 13 oktober 1985).
Tot dan toe kon de parochie kosteloos gebruik maken van de kapel, maar vanaf oktober 1985 moest er huur betaald gaan worden aan de nieuwe eigenaar van het kloostercomplex. De vraag rees op of het verantwoord was een huurcontract aan te gaan en het bestuur heeft toen besloten dat wel te doen en daar was een aantal redenen voor w.o. het houden van de vieringen door de week, de avondwake voor een uitvaart, het niet hoeven te verwarmen van de grote kerk, doop-, huwelijks- en jubileumvieringen voor kleine groepen. En er waren nog wel meer redenen. En het was zuster Inigo die de dagelijkse zorg van de kapel op zich nam.
Per 1 april 2000 kwam er een eind aan de huurovereenkomst: de kosten liepen te hoog op en die waren een te grote belasting op de begroting van het kerkbestuur. Bij bisschoppelijk decreet werd de kapel teruggebracht tot “een profaan en niet onwaardig gebruik”. Het klooster was al verbouwd en in gebruik genomen door kamerbewoners en ook in de kapel werden nu vier appartementen gebouwd.
Pastoor Smits las voortaan voor zijn vaste doordeweekse kerkgangers in de sacristie van de kerk, die daarvoor werd aangepast en op zondag 9.00 uur werd de H. Mis gelezen vlak voor het Jozefaltaar. Daar waren wel allemaal aanpassingen voor nodig maar de betrokken parochianen stelden dit wel op prijs.

Over aanpassingen gesproken: pastoor Smits vertrouwde de schrijver dezes eens een keer toe dat hij graag bouwpastoor had willen zijn, maar dat het hem nooit gegund was. Toch heeft hij een heel klein beetje bouwpastoor mogen zijn. Hij was er best trots op dat er achter in de kerk onder de trap naar het koor een toilet werd gebouwd, zodat zijn parochianen niet in moeilijkheden zouden komen voor, tijdens of na de vieringen.

Pastoor Smits heeft in Nijmegen altijd heel prettig gewoond, zei hij in een interview bij zijn afscheid, net zoals een meerderheid van de mensen vindt, dat het hier heel prettig wonen is. 
In zijn pastoraat heeft hij heel wat mensen op hun levensloop kunnen begeleiden. Als hij op andere momenten weer door zijn parochie liep, wist hij wat er zich allemaal achter die gevels had afgespeeld en wat mensen die daar woonden hem hadden toevertrouwd. Hij heeft heel wat kinderen gedoopt (begin jaren 90 zo’n 30 per jaar, later werd dat wat minder) en heel wat ouderen begraven (gemiddeld zo’n 40 per jaar, dus reken maar uit!). Nog steeds zijn er oud-parochianen die terugkomen om in hun oude parochie bepaalde sacramenten te ontvangen.

75-jarig bestaan van de parochie
Op zaterdag en zondag 21 en 22 november 1998 is op grootse wijze het 75-jarig bestaan van de parochie gevierd.
Op zaterdagmiddag kon men op de eerste plaats luisteren naar verhalen uit het verleden, verteld door (oud)parochianen. Later op de middag hield Prof. Dr. Peter Nissen een lezing met als titel: “De toekomst van God in Nederland” en werd er een presentatie gegeven van dia’s die in de jaren tachtig waren gemaakt door de heer G. van Woerden. Om 15.00 uur hield het lievelingsensemble van pastoor Smits, “Les Fleurs” een kort concert, waarin prachtige liederen ten gehore werden gebracht. Tussen dit alles door speelde de vaste organist van de kerk, de heer Henk van Tuyl, op het orgel en kon men ook de foto’s bekijken die achter in de kerk te bezichtigen waren. Deze tentoonstelling bracht op prachtige wijze de parochie in beeld in het verleden en het heden. 
Op zondag werd er om 11.00 uur een feestelijke viering gehouden met als thema: “De Koning viert feest” met als nevenmotto: “De parochie nodigt uit”. Heel veel mensen gaven aan deze uitnodiging gehoor, want de viering werd erg druk bezocht en muzikaal opgeluisterd door het gemengd parochiekoor, het familiekoor en een aantal leden van het jongerenkoor St. Stephanus uit de jaren zestig en zeventig. Van deze leden is er een aantal blijven hangen bij het gemengd koor, alhoewel er niet meer gesproken kon worden van “jongeren”! Zij waren immers ook allemaal en dagje ouder geworden. Bij deze viering was de allereerste dopeling aanwezig van de St. Stephanuskerk, de heer Stephanus de Grood, maar ook de laatste dopeling.
Na de viering werd er hulde gebracht aan het beeld van St. Stephanus van Albert Termote voor op het grasveld. Dit huldeblijk werd muzikaal begeleid door de jeugddrumband “De Stefaantjes”, die in de natte kou al stonden te wachten.

Foto: Pastoor Smits tussen de Stefaantjes bij de huldiging rondom het St. Stephanusbeeld op het grasgazon voor de kerk ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de kerk.

Daarom werd na deze plechtigheid maar snel het Grand Café opgezocht van de buurman, het Canisius College (voorheen Mater Dei). Daar werd onder het genot van een drankje en een hapje gezellig het verleden, het heden en... de toekomst besproken. Salonorkest “Die Flegel” zorgde die middag voor de muzikale noot, terwijl voor de kinderen in de filmzaal videofilms werden vertoond.

Emeritaat
Op een gegeven moment kwam de bisschop bij hem op bezoek om hem te vragen elders pastoor te worden. Hij heeft “nee” gezegd tegen de bisschop. Hij zat hier goed in de parochie van Christus Koning-Stephanus. Bovendien was er geen sprake van een opvolger.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw, in 2002, heeft hij toch zelf aan bisschop Hurkmans van Den Bosch gevraagd met emeritaat te mogen gaan, niet alleen vanwege zijn leeftijd (hij is dan al 65 jaar geweest), maar ook vanwege zijn steeds slechter wordende gezondheid. En niet om het een of ander, herder zijn van een parochie is een zware taak.
Toch vroeg hij zich af of het wel goed was om weg te gaan, zou hij niet beter kunnen blijven? Want: zou er wel een opvolger gevonden kunnen worden? En deze vraag stellen was voor hem een grote wissel trekken op een aantal mensen, dat het voortouw moest nemen om de parochie van Christus Koning-St. Stephanus levend te houden. De zekerheid ontbrak!

Toch heeft pastoor Jan Smits op 18 april 2004 in een plechtige Eucharistieviering afscheid genomen van de parochie, waar hij dan precies 25 jaar en 18 dagen herder mocht zijn.

Hij is op de pastorie blijven wonen, waar hij goed werd verzorgd door Elke, die met hem uit Waalwijk was meegekomen.
Daar is hij op 23 oktober 2005 na een langdurig ziekbed overleden. Het thema van zijn uitvaart heeft hij zelf uitgekozen: “Zoals een mantel om mij heengeslagen”. Zo beleefde hij zijn priesterschap, altijd onder de hoede van Jezus Christus. Ook zijn “lijflied” werd in deze afscheidsviering gezongen: “Hoort hoe God met mensen omgaat”. Op die manier wist hij zijn parochianen nog een laatste boodschap mee te geven.
Hij werd begraven op het kerkhof “Jonkerbosch” te Nijmegen op 28 oktober 2005.

Het is een frappant gegeven dat de eerste én de laatste pastoor van de St. Stephanuskerk kwamen te overlijden na een langdurig ziekbed.

Pasto(o)rloos tijdperk

Na het afscheid van pastoor Jan Smits op 18 april 2004 moest de parochie toch verder: de vieringen in het weekend moesten doorgaan, de sacramenten toegediend, pastorale zorg gegeven, enz.
Pas half 2005 werd de toenmalige deken van Nijmegen, Roland Kerssemakers, officieel benoemd als administrator van de parochie Christus Koning/Stephanus. Het bestuur had weer een aanspreekpunt, hoewel dat alleen gold voor administratieve gebeurtenissen. Voor de rest moest het bestuur het allemaal zelf opknappen. En dat was de zware wissel waar pastoor Smits het over had toen hij zich afvroeg of hij wel weg kon gaan. Die drukte allemaal op de schouders van de heren Rudie Luiken, Richard van Ginkel en Willem Pelser en mevrouw Joyce Nissen-Janssen, bijgestaan door de leden van de parochieraad.
Alleen al om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk Eucharistievieringen konden worden gehouden in de maand, kostte heel wat tijd en energie. Daar heeft Joyce Nissen zich mee bezig gehouden en het was een enorm gebedel heeft ze ondervonden. Toch ging emeritus-pastoor Smits voor zover mogelijk nog minstens eenmaal per maand voor in de H. Mis, zodat de parochianen een vertrouwd gezicht zagen. Maar allengs werd dat minder. In die tijd hebben de Franciscanen van de Vermeerstraat, de heren Lazaristen onder aan de Ubbergseweg en soms ook de pastores van de Maria Geboortekerk de parochie geweldig geholpen. Ook pastor Kees Megens stond de parochie bij gedurende deze tijd zonder pastoor. Wel werd het aantal vieringen in een weekend teruggebracht van twee naar één en wel alleen op de zondag om 10.30 uur. Dat gaf gelukkig wat soelaas.
Maar de oversten van de Franciscanen en Lazaristen hielden op een gegeven moment toch wel een beetje de boot af: er werd behoorlijk, ook door andere parochies, aan hun priesters getrokken.
Dat betekende dat er vieringen van Woord en Communie werden gehouden op momenten dat er echt geen priester te krijgen was. Zo gingen de heren Peter Nissen (toentertijd hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Radbouduniversiteit Nijmegen) en Willem Pelser regelmatig voor in die vieringen om de parochianen in deze zo goed mogelijk van dienst te zijn.
Met hulp van pastor Kees Megens (naast pastor van de Antonius van Paduaparochie ook deels in dienst van de Christus Koning-Stephanusparochie) gingen de voorbereidingen van eerste communicanten en vormelingen gelukkig gewoon door.

Het zal niemand bevreemden dat het bestuur graag in de besprekingen stapte toen er sprake was van een samengaan van drie parochies in Nijmegen-Oost: de Antonius van Paduaparochie aan de Groesbeekseweg, de Dominicusparochie aan de Prof. Molkenboerstraat en de parochie van Christus Koning-Stephanus aan de Berg en Dalseweg.

Effata (=Ga open)

Afwisselend in de drie parochies werd er door de besturen vanaf begin 2005 druk vergaderd over hoe te komen tot een zo goed mogelijke vorm van samenwerking.
Er werd een profiel geschreven waaraan de nieuwe parochiegemeenschap (want dat was het uiteindelijke doel) zou moeten voldoen. Er werd gekozen voor de werknaam "Effata" d.w.z. "Ga open" (zie Marcus 7, 32-34) en de drie vice-voorzitters tekenden een intentieverklaring om inderdaad te komen tot die éne parochiegemeenschap.
Er werd toegewerkt naar één kerk voor de drie parochies, de “Effatakerk”. Om daaraan alvast te wennen werd er eens in de zoveel tijd beurtelings in elk der drie kerken een zgn. “Effataviering” gehouden, terwijl tegelijkertijd in de twee andere kerken géén viering werd gehouden. Op die manier konden de parochianen van de drie parochies kennismaken met de andere gebouwen.
Verschillende commissies werden in het leven geroepen. Er moest natuurlijk naar pastores worden gezocht en de besturen kwamen overeen dat de drie parochies goed bemand zouden kunnen worden door één priester en twee pastoraal werkenden. De commissie is op zoek gegaan en uiteindelijk zijn ze gevonden: Joop Vernooij (Redemptorist), priester en de pastoraal werkenden Annemie Herinx en Jos van den Brand kregen van de bisschop hun benoeming resp. hun zending voor de nieuwe Effatagemeenschap. 
Ondertussen hield een andere commissie zich bezig met het in kaart brengen van alle vrijwilligers in de drie parochies. Dezen moesten natuurlijk op een soepele manier in elkaar gevlochten worden.
Weer een andere commissie was aan het uitzoeken welk gebouw het Effatakerkgebouw zou gaan worden en dat was een hele klus. Vele facetten werden bekeken, van het aantal parkeerplaatsen bij de kerk tot de plaats van het altaar t.o.v. de gelovigen, van de akoestiek tot aan het achterstallig onderhoud. Voor de besturen werden verscheidene power-pointpresentaties vertoond, maar er kon geen eensluidend advies worden geformuleerd. Besloten werd om op 28 en 29 september 2007 in het conferentie-oord Soeterbeeck in Ravenstein 24 uur lang bijeen te komen om een uiteindelijke beslissing te nemen.
Na lang wikken en wegen, na ampel beraad en vele discussies verder werd er aan het eind van de conferentie gekozen voor de kerk van de H. Dominicus aan de Prof. Molkenboerstraat. Dat betekende dat de kerk van de Antonius van Padua aan de Groesbeekseweg en de kerk van St. Stephanus aan de Berg en Dalseweg gesloten zouden moeten worden.
Het bestuur van de Antonius van Paduaparochie had daar erg veel moeite mee en besloot uit Effata te stappen, in ieder geval voorlopig. Wel zouden ze op sommige onderdelen nog wel samenwerken met de andere parochies binnen Effata, maar zij wilden in hun eigen kerk blijven kerken.
Het bestuur van de Christus Koning-Stephanusparochie nam een ander besluit. Het ging akkoord met de beslissing die in Soeterbeeck was gevallen en de leden van het bestuur besloten de St. Stephanuskerk per 1 januari 2008 voor de erediensten te sluiten. Het was een harde beslissing, maar het bestuur kon die unaniem en volmondig nemen. Immers, op 1 januari 2008 zou Effata geëffectueerd worden en alle activiteiten zouden dan naar de Effatakerk gaan verhuizen. Verder zou het erg kostbaar worden om (midden in de winter) de kerk voor één viering per week warm te stoken.

Laatste viering
Op zondag 30 december 2007 werd om 10.30 uur de laatste viering in de St. Stephanuskerk gehouden. Op dat moment waren ook de parochianen van de Dominicuskerk daarbij aanwezig, omdat in hun kerk geen viering was.
Onder het oog van de camera’s van TV Gelderland (zij hadden een bureau opdracht gegeven onderzoek te doen naar religieuze opvattingen en praktijken in Gelderland) trokken de voorgangers van de laatste tijden t.w. Gerard Verwoerd, lazarist, Peter Nissen en Willem Pelser van achteruit de kerk naar voren onder het zingen van de openingszang “Wij zoeken U als wij samenkomen” door het Effatakoor o.l.v. Frits Muller en Hubertine Rietbergen. Als thema van deze afscheidsviering was gekozen: “Naar het land dat Ik u wijzen zal...” De lezingen waren dan ook aan dit thema aangepast (Genesis 12,1-5 / Exodus 15,10-15 / Lucas 24,13-35). In plaats van een preek of overweging werd een meditatieve rondtocht gehouden door de kerk, waarbij bij een zevental plaatsen een gedachte en een gebed werden uitgesproken (doopvont, kruisweg, H.Blasius, koorzolder, Maria van Altijddurende Bijstand, Jozefaltaar en het overlijdensregister). Na de zegenbede vond de afscheidsritus plaats. Met in gedachten de tweede lezing over de bouw van de Ark (Exodus 25,10-15) werd een aantal voorwerpen in een kist gelegd die werd meegenomen naar de nieuwe Effataparochiekerk (het doop-, huwelijks- en overlijdensregister, de kruisjes van de overledenen van het afgelopen jaar, het lectionarium, het intentieboek en het gemeenschapsbeeld). 

Foto: In “De Gelderlander” van 14 maart 1987 verscheen een artikel van de hand van Vincent Collette (kleinzoon van Joan Collette) met als titel: “Nieuwe marteldood wacht St. Stephanus”. Hij doelde daarmee op de in die tijd eventuele sluiting van de St. Stephanuskerk vol met mozaïeken en gebrandschilderde ramen van zijn grootvader.

Daarbij waren ook wensen, gedachten, gebeden of opmerkingen van parochianen die ze vóór de H. Mis op een briefje konden schrijven.
Voorafgegaan door de paaskaars werd de kist in een plechtige stoet de kerk uitgedragen, gevolgd door Gerard Verwoerd met het Heilig Brood en de godslamp daarnaast. Stilletjes, zoals Jezus dat deed bij de Emmaüsgangers, voegde de pastoraal werkenden van de nieuwe Effataparochie zich in die stoet. Daarachter liep het koor en de parochianen. 

Achter hun rug werd de kerk gesloten....

terug naar de voorpagina cq. inhoudsopgave

Reactie 1:

Jan Dujardin, 15-06-2017: De Heer Piet (Pieter) Arts, koster van de St-Stephanuskerk en in dit artikel tweemaal vermeld, was mijn biologische vader. Verwekt met zijn jonge huishoudhulp: Wilhelmina (Mientje) Hanegraaf, mijn moeder dus (°09-07-1930 +21-06-1971). Met eerbied en genegenheid aan een lieve man die ik nooit heb kunnen ontmoeten, dag Vader, gegroet, zoon Jan (12-10-1955, nog levend 15-06-2017)

REAGEER:

Uw aanvullingen of opmerkingen zijn welkom!
Met dit formulier kunt u (nog) geen foto's versturen. Gebruik daarvoor uw e-mailprogramma.
Opmaak kan wel, bv <b>Vet</b> of <i>cursief</i> geeft Vet of cursief.
 
 Uw naam: en mailadres: